Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een islamiet uit het Westen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een islamiet uit het Westen

Snouck Hurgronje legde het fundament voor de hedendaagse islamkunde

13 minuten leestijd

Eeuwenlang heeft Nederland contacten gehad met de islam, en wel in hoofdzaak door het vroegere rijksdeel NederlandsIndië, thans Indonesië. Met dit grootste islamitische land ter wereld bestaan nog steeds bijzondere betrekkingen. Desondanks bleef voor de Nederlander de islam iets oosters, dat ver weg is. Sedert de jaren zestig kwam daar verandering in door de komst van grote groepen Turken en Marokkanen en islamieten uit andere landen, waaronder Siuriname.

Het is geen wonder dat door deze lange relatie met de islam, in Nederland de islam al vroeg voorwerp werd van wetenschappelijk onderzoek. In tijdschriften en dagbladen -met inbegrip van deze krant- wordt steeds meer aandacht geschonken aan de “tweede godsdienst van Nederland”: de islam.

Al vele jaren was de Rijksuniversiteit van Leiden een bekend centrum waar oriëntalisten werden gevormd. Aan deze universiteit werkte de grootste Nederlandse kenner van de Arabische taal en cultuur en van de islam: Cristiaan Snouck Hurgronje. Snouck Hurgronje werd op 8 februari 1857 te Oosterhout geboren en overleed in Leiden op 26 juni 1936. Snouck Hurgronje had niet alleen een grote kennis van de islam, maar door een levenslange relatie met de gereformeerde dogmaticus Herman Bavinck ook van de gereformeerde dogmatiek. Als vrijzinnig georiënteerd humanist voelde hij zich overigens door geen van beide religies aangesproken.

Zijn leven spitst zich toe op twee hoofdactiviteiten: zijn adviseurschap aan de regering van Nederland en van NederlandsIndië omtrent het beleid aangaande dit toenmalige rijksdeel, doch vooral zijn onderzoek van de islam, dat heel zijn leven als academicus heeft gekenmerkt en culmineerde in zijn hoogleraarschap in Leiden.

In 1874 werd de 17-jarige Christiaan ingeschreven als student theologie aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Daardoor kwam hij niet alleen nader in aanraking met het Hebreeuws, maar ook met een andere Semitische taal, het Arabisch. Hij werd hier zo door gegrepen, dat hij na het kandidaatsexamen theologie verder ging met de studie Arabische taal en letteren. Op die manier kwam hij ook intensief in aanraking met de godsdienst die aan het Arabisch een grote rol in de wereld heeft toebedeeld: de islam.

Naar Arabic

Snouck Hurgronje sloot zijn studie in Leiden afin 1880 (hij was toen 23 jaar) met het proefschrift “Het Mekkaanse Feest”. Hierin beschreef hij de geschiedenis, de rituelen en de achtergronden van de islamitische bedevaart, de hadj. Dit proefschrift werd al snel gevolgd door andere studies over de islam. Hij kwam in contact met een Egyptenaar, zodat hij de gelegenheid kreeg het Arabisch actief te beoefenen. Omdat hij met deze kennis gewapend was, lag het voor de hand dat Snouck Hurgronje het land waar de islam ontstond, wilde zien: Arabië.

Vier jaar later ging hij naar het Nederlandse consulaat in het nabij Mekka gelegen Djedda, waar hij zes maanden in dat consulaat logeerde. Daar kwam Snouck Hurgronje in contact met de islamitische top uit Mekka. Deze schriftgeleerden waren zeer onder de indruk van de enorme kennis die deze jonge Nederlander had van de islam. Ze beschouwden hem als een islamiet uit het Westen. Dit betekende dat hij Mekka -het centrum van de islam, waar een ongelovige (niet-islamiet) geen toegang heeft- kon bezoeken. Hij verbleef daar eveneens zes maanden. Hij hij studeerde er aan de Grote Mekkaanse Moskee, de Al Haram.

Standaardwerk

Dit betrekkelijk korte verblijf leverde wel het in twee delen geschreven standaardwerk “Mekka” op. In het ‘eerste deel beschreef hij de plaats Mekka en de ge schiedenis van deze stad. In het tweede deel wordt de in Mekka wonende bevolking aan een onderzoek onderworpen, waarbij ook aandacht wordt geschonken aan de Arabische literatuur. De eerste uitgave van dit werk verscheen in 1888/1889 in het Duits, gevolgd in 1931 door een vertaling in het Engels. Snoucks naam als islamoloog van internationaal formaat was daarmee gevestigd. Hij was toen nog maar 32 jaar. Het zou niet bij dit standaardwerk blijven.

Tijdens zijn verblijf in Mekka, waartoe het ministerie van koloniën financiële medewerking had verleend, had Snouck Hurgronje ook veel contact met in die stad wonende Indonesiërs. Zijn belangstelling voor de volken van Nederlands-Indië, het gebied waar hij later vele jaren zou werken, werd hierdoor aanzienlijk gestimuleerd.

Veinzen

Om zijn functioneren binnen de islamitische wereld te vergemakkelijken nam Snouck Hurgronje de naam Abd alGhaffar aan. Dit betekende niet dat hij feitelijk tot de islam toetrad. Integendeel, Snouck Hurgronje is innerlijk nooit islamiet geweest. Hij paste zijn „veinzen van de islam” toe om des te meer de door hem zo gewenste kennis te vergaren.

Nadat hij het project “Mekka” had voltooid, keerde hij naar Nederland terug. In 1891 vertrok hij naar Nederlands-Indië, om het gezag van dat gebied van adviezen, vooral betreffende de oosterse talen en het islamitisch recht, te voorzien. In 1898 werd hij adviseur voor inlandse en Arabische zaken.

Ethische politiek

Snouck Hurgronje heeft zich ook beziggehouden met de problemen rond Atjeh op Noord-Sumatra. Een van zijn adviezen leidde tot actief ingrijpen onder leiding van Van Heutz. Hij meende dat in sommige gevallen niet overleg maar gewapend optreden tegen bepaalde fanatieke islamitische groeperingen nodig was om het Nederlandse gezag af te dwingen. In de verschillende campagnes in Atjeh had hij zelfs een persoonlijk aandeel.

Niettemin was Snouck Hurgronje ook de man die in Indië de ethische koloniale politiek voorstond. Dit beleid voorzag in overleg en samenwerking met de plaatselijke Indische gezagsdragers, die tot een verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking zouden moeten leiden. Zijn uitgangspunt was de belangen van de inlandse bevolking te laten prevaleren boven die van het moederland. Op deze wijze zou de handhaving van het Nederlandse gezag wel kunnen worden vergemakkelijkt. Dit gezag moest niet gebaseerd zijn op willekeur doch op rechtvaardigheid.

Zijn adviezen om meer zelfstandigheid te verlenen aan de Indonesische ambtenaren pasten geheel in dit kader, gepaard aan zijn oplossing van culturele problemen, te weten de assimilatie van de elites in het islamitische Indië aan het Westen. Reeds in 1901 kondigde koningin Wilhelmina in de Troonrede dit beleid aan, nadat men in Nederland positief stond tegenover het “ontwaken” van Indonesië.

Saamhorigheid

Het is in dit verband merkwaardig dat Raden Mas Noto Soeroto in zijn in 1931 verschenen boek “Van overheersching naar zelfregeering; een staatkundig stelsel voor Indonesië op aristodemocratischen grondslag” (Deventer, W. van Hoeve) helemaal niet verwijst naar Snouck Hurgronje. Zo omschreef hij de eenheid van Indonesië als volgt: „De saamhorigheid van de Indonesische landen en het saamhorigheidsbesef van derzelver bewoners onder een centraal gezag met behoud van de zelfstandigheid der samenstellende deelen binnen de grenzen van die eenheid”. Voorlopig zou dit gezag het Nederlandse moeten zijn, terwijl voor de naaste toekomst een ander gezag onbestaanbaar zou zijn.

Ontkenners van de hier bedoelde eenheid in de zin van saamhorigheid van Indonesië ontkennen niet alleen „de meest grootsche werking van het Nederlandsche gezag maar miskennen tevens het levenswerk van den grooten pacificator en eenheidsbrenger Van Heutsz, die immers alle Indonesische volken, zij het tegen wil en dank, samengebonden en dus tot elkander gebracht heeft” (blz. 25).

Maar wie stond hier als adviseur op de achtergrond?

Van Snouck Hurgronje verscheen in 1893/94 een studie in twee delen over At jeh, gevolgd in 1903 door een studie over het Golajland. In studies als deze wees hij op de grote plaats die de adat inneemt. Voor een goed begrip van het leven van de moslims aldaar is kennis van die adat noodzakelijk.

In 1906 keerde Snouck Hurgronje naar Nederland terug, om in Leiden het hoogleraarschap in het Arabisch te aanvaarden, waar hij de reputatie van een streng docent opbouwde: „Ik heb u al tienmaal gezegd dat u dat niet zo moet vertalen”. Hij bleef adviseur van het ministerie van koloniën, vooral ten aanzien van het door hem voorgestane ethische beleid. De economische crisis in de jaren 1920 tot 1936 maakte evenwel de verdere uitwerking van dit beleid onmogelijk.

Na het vervullen van het hoogleraarschap gedurende 21 jaar ging hij in 1927 met emeritaat. Samen met Goldziher is hij de grondlegger van de moderne islamwetenschap.

Bavinck

Snouck Hurgronje had een levenslange vriendschap met de gereformeerde dogmaticus Herman Bavinck. Beiden begonnen hun studie theologie in Leiden in september 1874. Beiden rondden het eerste deel van hun studie samen af met het kandidaatsexamen. Daarna scheidden zich hun wegen, daar Christiaan verder ging in de studie van het Arabisch. Herman besloot bij de theologie te blijven en zich later toe te leggen op de gereformeerde dogmatiek. Ze zouden later allebei beroemd worden om hun kennis.

Tijdens hun studie legden zij de basis voor een levenslange, intensief beleefde vriendschap, gebaseerd op wederzijds respect. Dit is nog steeds te zien uit de correspondentie die door V. Hepp in zijn biografie over Herman Bavinck is vastgelegd. Het feit dat Bavinck gereformeerd was en Snouck Hurgronje vrijzinnig danwei humanist, vormde voor deze vriendschap geen enkel beletsel. Een der grootste kenners van de islam was dus goed op de hoogte van het gereformeerde denken, omdat Bavinck openhartig over aangelegenheden betreffende het geloof en over Abraham Kuyper schreef

Naar aanleiding van een door Bavinck geleverde rede over Modernisme en Orthodoxie schreef Snouck aan zijn vriend: „Zooals al hetgeen gij mij uit uwe pen te lezen gaaft, heeft ook dit stuk mij gesticht in deze zin dat het mij noopte over allerlei vraagstukken, die het leven ons opgeeft, ernstig na te denken. Gij hebt in hoge mate de gave vanuit den streng begrensden kring waarin gij leeft, te spreken niet alleen tot geestverwanten in den engeren zin van het woord”.

Snoucks visie

In de vierde, geheel herziene uitgave van het “Lehrbuch der Religionsgeschichte” van Chantepie de la Saussaye, verzorgd door Alfred Bertholet en Edvard Lehmann (deel I; 1925), geeft Snouck Hurgronje een breedvoerig overzicht van zijn visie op de islam. Uit de koran wordt, meent Snouck Hurgronje, duidelijk dat Mohammed van de bijbelse geschiedenis en van de leerstellingen van andere openbaringsgodsdiensten een beperkte kennis bezat. Deze kennis is hem door ongeletterde personen mondeling overgebracht. Bovendien was Mohammed, zelf ongeletterd, niet in staatde joodse en de christelijke heilige geschriften te lezen. Niettemin bemoeide Mohammed zich uitdrukkelijk met het schriftelijk vastleggen van de aan hem gedane openbaringen.

Aan de andere kant hebben verschillende van de vrienden van de profeet ieder hun openbaringsarchief gehad, die ook nog onderling verschilden. Van een “filologische akribie” (de grootst mogelijke taalkundige precisie en zorgvuldigheid) had men in die kringen geen weet, stelt Snouck Hurgronje. Bovendien voelde men zich toen tegenover de woordelijke inhoud van de openbaring veel vrijer dan later het geval zou zijn. Enkele jaren na de dood van Mohammed nam de koran toch een in hoofdzaken onveranderlijke vorm aan. Daarbij werd de volgorde van de hoofdstukken veelal bepaald door de lengte ervan. Een uitzondering is gemaakt voor het korte inleidende hoofdstuk dat als een soort islamitisch “Onze Vader” de koran opent (”fatihah”, de openende).

Mozes

Snouck Hurgronje verbaasde zich over de grote onkunde betreffende de inhoud van de Bijbel waarvan vooraanstaande islamitische theologen blijk gaven. Het zou, zo merkt hij op, voor deze theologen toch gemakkelijk zijn geweest om de nodige kennis hieromtrent bij joodse en christelijke theologen te verkrijgen.

Volgens Mohammed zijn Adam, Nuh (Noach), Ibrahim (Abraham), Musa (Mozes), en Isa (Jezus) de overbrengers van de openbaring van Allah. Elk van deze heft de openbaring van de vorige op. Na Jezus komt Mohammed als laatste profeet, die het naderend einde van de wereld aankondigt. Hij heft zodoende de openbaring van Jezus op. Na hem komt er geen profeet meer.

Ondanks deze stellige bewering waren er voor Snouck Hurgronje genoeg redenen om te twijfelen aan het dogma dat zegt dat de koran het geopenbaarde woord van Allah is. Hij wijst er onder meer op dat Mohammed na zijn vlucht uit Mekka dertien keer getrouwd is geweest. De koran schrijft evenwel in hoofdstuk 4:3 (volgens de vertaling van Fred Leemhuis en volgens de vertaling van de Ahmadiyya Beweging Nederland hoofdstuk A:A) voor dat een man maximaal vier vrouwen mag hebben. De.overschrijding van deze norm die Mohammed zichzelf veroorloofde, wordt als een voorrecht van de profeet beschouwd.

Wettengodsdienst

Snouck Hurgronje ziet de islam als een wettengodsdienst, met een hieruit voortvloeiend uitgesproken politiek karakter. Er kwamen regels -de sjariah- die de hele persoon van de gelovige als dienaar van Allah zouden ralcen en wel als lid van een gezin en de samenleving en als burger van een theocratische staat. Deze wetten -de fiqh, ofwel de plichtenleer- zijn weergegeven in de fiqhboeken en behandelen de vijf belangrijke zuilen of hoofdplichten van de moslim.

Deze zijn: 1) de sjahadah, het getuigenis of het uitspreken van de geloofsbelijdenis: Er is geen God buiten Allah en Mohammed is zijn profeet; 2) de salat, het rituele gebed als deel van de voornaamste cultushandeling. Men moet ritueel rein zijn en zich tot Mekka richten en daarbij voorgeschreven bewegingen maken. Dit alles vijfmaal per dag; 3) het vasten, met name tijdens de Ramadan; 4) de zakat, het brengen van voorgeschreven financiële offers, waarbij te denken valt aan een soort belastingstelsel; 5) de hadj, de plicht om minstens eenmaal in zijn leven Mekka te bezoeken, mits men hiertoe in staat is.

Snouck Hurgronje vat de dogmatiek -de kalam- van de koran in zes punten samen.

1) Allah is uniek, er bestaat niemand zoals Allah. Mohammed geeft van Allah 99 kenmerken, zoals erbarmer, barmhartige, zonder begin, zonder einde, almachtig, alwetend, enz.

2) Engelen zijn door Allah geschapen dienaren en boden, van wie het aantal aan geen mens bekend is. Belangrijke’engelen zijn Gabriel (Dzjibril), die de openbaring overbrengt, en Azrail, de doodsengel. Engelen zijn zonder zonde geschapen, terwijl de profeten tegen hun zondige neigingen moeten vechten. De duivel (Iblis of Sjaitan) is een gevallen Engel en is door Allah vervloekt. Vervolgens verleidt hij de mensen.

3) De heilige geschriften waarin de goddelijke openbaringen zijn vervat, hebben alle hun betekenis voor de mensheid verloren sedert Mohammed de koran -de laatste openbaring- bracht.

4) Allah verkiest zich uit de mensheid enkelen als profeten (nabi) die hij door inspiratie toerust. Voor het totaal aantal van deze profeten, te weten 124.000, is deze inspiratie slechts van persoonlijke betekenis. Allah verleent aan hen die hij tot speciale afgezanten heeft uitverkoren, zijn bijzondere bescherming tegen de zonde. Ze zijn mitsdien onfeilbaar. Voor het overbrengen van voor de gehele mensheid bestemde wetten verkoos Allah de reeds genoemde profeten Adam tot en met Mohammed.

5) De martelaren gaan direct na hun dood naar het paradijs. De gelovige zondaren boeten tijdelijk in de hel, als ware het een vagevuur, en wachten daar totdat ze daaruit worden verlost en worden toegelaten tot de Tuin der Zaligheid.

6) Alles wat gebeurt, is door Allah van tevoren bepaald. De islam kent dus ook de predestinatie.

In deze zeer korte samenvatting van de leer van de islam zal een christen bekende klanken tegenkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 3 October 1997

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Een islamiet uit het Westen

Bekijk de hele uitgave van Friday 3 October 1997

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken