Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

SGP’ers bepleiten dijken in de economie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

SGP’ers bepleiten dijken in de economie

7 minuten leestijd

Het studiecentrum van de SGP maakte vijftien jaar gelden al een voorzichtige keuze voor het poldermodel. In een nieuwe studie, die komend voorjaar moet verschijnen, doet een werkgroep van zeven SGP’ers een poging dat uitgangspunt verder uit te werken. Zij kiezen voor dijken in de polder van de Nederlandse economie. En de bouw van die dijken is „een taak van overheid én middenveld”.

De liberale argumenten tegen de overlegeconomie hebben ook binnen de SGP altijd woordvoerders gevonden. Ds. P. Zandt was bijvoorbeeld een fervent tegenstander van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties (pbo’s) omdat die hem aan de economische politiek van Hitler en Stalin deden denken. In de crisisjaren heeft ds. G. H. Kersten zich altijd terughoudend jegens overheidsinterventies opgesteld. Van een theoretisch onderbouwd liberalisme was echter geen sprake. Zandt sprak in de tijd van de beginnende Koude Oorlog, toen de vrees voor alles wat naar collectivisme zweemde begrijpelijker was dan nu. En ds. Kersten keek wat minder krap als de overheidssteun Zeeuwse boeren en vissers ten goede kwam.

De principiële bezinning op de economische orde is binnen de SGP van tamelijk recente datum. De toenmalige Stichting Studiecentrum van de SGP -voorloper van de Guido de Brèsstichting- publiceerde in 1983 het boekje “Bijbelse ethiek en economische ordening”. Een nieuwe werkgroep heeft in opdracht van het huidige studiecentrum juist de laatste hand gelegd aan een nota over „een christelijk-normatieve visie op de economie”. Daarin komen de auteurs „op grond van een systematische interpretatie vanuit het economisch proces zelf’ tot een positieve beoordeling van het poldermodel. Een van hen zegt zelfs dat hij als SGP’er luisterend naar de naam Polder dat model graag zou claimen. De studie komt binnenkort aan de orde binnen het hoofdbestuur van de SGP en zou rond de Tweede-Kamerverkiezingen van volgend jaar mei het licht moeten zien.

Drs. Johan Polder, econoom aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam, gelooft niet dat de studie van de werkgroep echt een ommekeer in de geschiedenis van de SGP betekent. „De gevaren van het marktdenken zijn juist de laatste tijd zichtbaar geworden. Vandaar de huidige terughoudendheid tegenover de ideologie van de vrije markt. Ook in het nieuwe verkiezingsprogramma komt een passage voor waarin voor de excessen van de markt en een te groot vertrouwen in marktwerking wordt gewaarschuwd”.

Eigendom

Toch is de markt het uitgangspunt van de SGP-studie, omdat „de Bijbel in principe positief tegenover de markt staat” en er ook economische argumenten voor zijn. Volgens Polder erkent de Bijbel „individuele eigendomsrechten in het intermenselijk verkeer”. Hij is dus geen voorstander van een vorm van christelijk communisme zoals die in de eerste christengemeente bestond, maar tekent wel direct aan dat alle eigendom volgens de Bijbel „aan God ontleend” is. „Het gaat dus direct om de vraag: Hoe ga ik met die eigendom om?”

Als positief economisch argument noemt Polder dat de markt voortdurend „tot innovaties en efficiënt handelen dwingt”. Tegelijkertijd somt hij een hele reeks mitsen en maren op. Zo zijn er soms geen eigendomsrechten en is er, bijvoorbeeld bij het milieu, sprake van ongeprijsde schaarste. De overheid moet dat inderdaad via regels zoals de ecotax rechttrekken.

Op de markt regeert het beginsel van het welbegrepen eigenbelang, „of liever van de berekendheid”, aldus Polder. „Er zijn echter ook situaties waarin die berekendheid niet de doorslag mag geven, bijvoorbeeld in de relatie tussen een arts en een patiënt. Die relatie is er een van afhankelijkheid, waarin onbaatzuchtig zorg verlenen de doorslag moet geven. Op zo’n terrein moet je dus voorzichtig zijn met marktwerking. Misschien moet je er wel helemaal niet aan beginnen, zoals ook het Lindeboom Instituut onlangs nog heeft geconcludeerd”. De markt geeft bovendien geen ethisch oordeel. Het gaat over behoeften en middelen, maar die zijn beide in de Bijbel genormeerd. In een liberale visie komt er op de markt wat de mensen aan producten willen. Wij gaan uit van de zondigheid van de mens en weten dus dat er veel troep te verwachten is. Op dit punt heeft de SGP overigens wel van het begin af aan op de taak van de overheid gewezen”.

Maar behalve de producten hebben ook de productiemiddelen een ethische dimensie. „Dat geldt bijvoorbeeld voor de tijd. Wie van het onbeperkte recht van de mens op de tijd uitgaat, kan geen kritische kanttekeningen meer plaatsen bij zondagsarbeid en werk tijdens de nachtelijke uren. Volgens een liberaal zijn dat zaken die tot het privé-domein behoren en waarin slechts van individuele verantwoordelijkheid sprake is”.

Magistraal

De markt heeft ook geen oplossing voor het armoedevraagstuk; een stelsel van sociale zekerheid is dus zonder meer nodig, aldus Polder. „De markt gaat uit van koopkracht. De markt registreert wel de toenemende vraag in Nederlandse huishoudens naar een tweede auto, maar dat het mensen in ontwikkelingslanden aan de meest primaire levensbehoeften ontbreekt, neemt de markt niet eens waar. Niet de arbeid maar de arbeider is zijn loon waardig”.

Als laatste bezwaar tegen het geloof in de vrije markt noemt Polder de „selectieeffecten” van de markt. Hij wijst op de privatisering van de sociale zekerheid in de gezondheidszorg. „Het goede principe dat gezonden voor zieken meebetalen en dat naar draagkracht, wordt op de markt om zeep geholpen. De zwakken die geld kosten komen aan de kant te staan”.

Na alle overwegingen die hij naar aanleiding van het functioneren van de markt heeft opgesomd, dringt de conclusie zich aan Polder op dat de SGP een pleidooi voor ordening van de markt moet gaan voeren. „We moeten nu minder liberaal zijn dan de SGP in het verleden is geweest”. Polder herinnert aan „een magistrale uitspraak” van de vroegere fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, ds., Abma. „Tegenover het liberale “laissez faire”, het principe van het laat maar waaien, stelde Abma het “laissez fleurir”, laat de economie opbloeien”.

Verantwoordelijkheid

Voor de SGP’ers van de generatie-ds. Zandt stond het ideaal van het vrije ondernemerschap centraal, aldus Polder. Vandaar dat ds. Zandt het maatschappelijke middenveld geen publiekrechtelijke bevoegdheden wilde toekennen. Het streven van bedrijfs- en productschappen om gezamenlijk een organisch opgebouwde economie vanuit het middenveld tot stand te brengen, zag hij als een verwerpelijke vorm van collectivisme, herinnerend aan de economische politiek van Hitler en Stalin.

„Maar wij zullen in onze SGP-studie de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties niet afwijzen. Markten pakken soms on gelukkig uit, en daarom is het goed als de bedrijfstakken zelf regelingen treffen. Wij zeggen dit ook vanuit het ideaal van een slanke en slagvaardige overheid. Je moet bedrijfstakken niet onder de bureaucratie van de ambtenarij brengen. Er is bovendien het gevaar van een grote deskundigheidskloof tussen de overheid en de markt, met name in de gezondheidszorg”.

Volgens Polder is er niet alleen een individuele verantwoordelijkheid, maar ligt er ook een verantwoordelijkheid bij samenlevingsverbanden. „Omdat de belangen groter zijn dan het private belang van de ondernemer en de hele branche raken. Zo zijn wij ook voor cao’s. Die bevatten heel veel goede zaken”.

Het streven om heel de economie organisch te ordenen is „een illusie” gebleken, „maar het werkte wel bij groepen kleine ondernemers zoals kappers, schilders en kruideniers”. Als succesvol voorbeeld van een maatregel die het gevolg is van een afspraak tussen werkgevers en werknemers noemt Polder de winterschilder.

De SGP’ers die de studie voor de Guido de Brèsstichting hebben geschreven, verbinden wel een voorwaarde aan hun acceptatie van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties. „Er moet een duidelijke ministeriële verantwoordelijkheid zijn. Anders kunnen de pbo’s zo maar hun gang gaan en is er geen enkel beroep mogelijk”.

„Ik zou ons standpunt kort maar krachtig kunnen verduidelijken met een citaat van de Nijmeegse hoogleraar Frans van Waarden”, besluit Polder. „Die schreef een artikel over de vraag of Nederland met de invoering van steeds meer marktwerking bezig was zijn eigen dijken door te breken. Wat dijken voor de polder zijn, zijn instituties voor de economie. We moeten de markt regelen en ordenen. En dat is een taak van overheid én middenveld”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 11 October 1997

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

SGP’ers bepleiten dijken in de economie

Bekijk de hele uitgave van Saturday 11 October 1997

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

PDF Bekijken