Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vragen in Rome

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vragen in Rome

5 minuten leestijd

"Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren".

Romeinen 14:8

Er waren nogal wat vragen in Rome. Vragen bijvoorbeeld over de noodzaak van bepaalde vastendagen en over het al of niet geoorloofde van bepaalde vleesspijzen. En ja, hoe gaat dat dan: de een meent dat het wel mag en moet, en de ander meent beslist van niet. Er zijn nu eenmaal "sterkeren" en "zwakken" in het geloof. Zie bijvoorbeeld ook Romeinen 14:1 en 15:1. Maar goed, laten die mensen elkaar daarom toch niet zo veroordelen en met elkaar gaan twisten. De Heere zal Zélf eens oordelen en dan zal ieder voor zichzelf rekenschap moeten geven (vers 12). Het voornaamste is, en laten zij dat steeds bedenken: Wij zijn des Heeren, en daarom hebben wij ook in alles Hém allereerst te zoeken en te bedoelen. "Wij zijn des Heeren".

Wie zijn die wij? Dat zijn alleen, maar ook alle, ware gelovigen, zowel die "sterkeren" alsook die "zwakkeren". Alle ware gelovigen zijn het eigendom des Heeren, horen Hem toe, liggen voor Zijn rekening. Dat is een geweldig wonder van Gods genade dat zij dat mogen zijn. Van nature zijn wij dat namelijk geen van allen. Door onze zondeval in het paradijs zijn wij van nature integendeel allen het eigendom van de boze, van de satan, die niets liever wil dan ons als zijn eigendom meesleuren in de eeuwige ondergang. En wij kunnen ons, van onszelf uit, uit die macht en heerschappij van de boze niet verlossen ook. Integendeel, door onze dagelijkse zonden werken we ons daar al vaster in.

Maar nu het onbegrijpelijke wonder van Gods genade. Hij heeft uit soevereine ontferming Zijn eniggeboren Zoon gezonden op deze aarde, gegeven tot in de vloekdood aan het kruis, opdat Hij als Borg en Middelaar de Zijnen zou verlossen uit die heerschappij van de boze en hen zou maken tot Zijn wettig eigendom. "De Zijnen", zeg ik, ja, en dat zijn zij, die in dit leven als een arm en schuldig zondaar in zichzelf tot die Heere Christus leren vluchten, met belijdenis van schuld en zonde, smekend om Zijn genade. Zij die door de Geest des Heeren wederom geboren worden en op die Christus leren leunen, bouwen en vertrouwen. Zij zijn des Heeren, zij zijn Zijn wettig eigendom; gekocht en betaald door het borgbloed van die Heere Christus Zelf. Zij liggen voor Zijn rekening. Zowel in hun leven alsook in hun sterven, want: "Wij zijn des Heeren, hetzij dat we leven, hetzij dat we sterven!"

Gods kind is ten diepste nooit alleen. In dit leven niet; in dagen van voorspoed en vreugde niet, maar ook in dagen van tegenspoed en droefheid niet; en straks in het sterven niet. Die Heere Die hen eens kocht met Zijn bloed, zal hen ook dán niet begeven of verlaten; Hij is met hen als zij gaan door de doodsjordaan, als zij staan voor Gods rechterstoel, ja, voor eeuwig. Wie eens Zijn eigendom werd, zal dat ook blijven tot in der eeuwigheid. Daar staat de Heere Zelf voor in! O, wat zijn die mensen dan toch gelukkig die het eigendom des Heeren mogen zijn. Gelukkig in dit leven, gelukkig in voorspoed, gelukkig op het ziekbed, gelukkig in het sterven, gelukkig voor eeuwig! Ja, zulke mensen kunnen van sterven ook alleen maar beter worden. Hun sterven is erven.

"Zij gaan ten hemel in, en erven koninkrijken. Wij zijn des Heeren". Behoort u daar ook al bij? Bent u ook al het eigendom des Heeren, voor leven en sterven? Wij maken ons vaak maar al te druk over dit en over dat: mag dit wel en moet dat nu zo? Enzovoorts, terwijl we daarbij de allerbelangrijkste en allesbeslissende vraag zo gemakkelijk over het hoofd zien, namelijk of wij elk heel persoonlijk het eigendom van Christus zijn. En daar komt het toch op aan; dat alleen redt voor tijd en eeuwigheid. Laten we daarom toch ook niet al te gemakkelijk 'aannemen' dat wij des Heeren zijn. Het zou toch allervreselijkst zijn als we ons op dit punt zouden bedriegen en vergissen.

De Heere Jezus staat nu nog met open armen lokkend en nodigend voor ons. Hij kan en wil ook ons verlossen uit de macht en heerschappij van de boze, en ons tot Zijn eigendom maken, door wederbarende genade. "Komt dan, eer gij sterven moet, met uw zonde aan Jezus' voet". Hij wacht nu nog op u! Hoe lang nog? Zoek toch die enige troost te kennen, "dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben". Dan geldt het ook van u: "Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren". Tot lof en prijs van de drie-enige God!

Ds. G. Bouw, Doornspijk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1998

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Vragen in Rome

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1998

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken