Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Oorlog op de dag van de boete

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Oorlog op de dag van de boete

'Jom Kippoer' schudde Israël wakker uit de overwinningsroes van de Zesdaagse

7 minuten leestijd

JERUZALEM - Even leek het erop dat Israël ten onder zou gaan. De Israëlische legerleiding en politici hadden inlichtingen over een ophanden zijnde oorlog verkeerd geïnterpreteerd. Daardoor was het leger onvoldoende voorbereid op een grootscheepse aanval van Egypte en Syrië. Ook Henry Kissinger, de minister van buitenlandse zaken van de Verenigde Staten, schatte de situatie aanvankelijk onjuist in. Pas toen Israël dreigde het zwaarste wapen in te zetten, was de Amerikaanse regering bereid wapens te zenden. De oorlog zou grote gevolgen hebben voor Israël.

Op 6 oktober 1973 was het Jom Kippoer (Grote Verzoendag), de meest heilige dag in het Joodse jaar. Vandaag precies vijfentwintig jaar geleden. Radio en televisie zonden niet uit, de luchthavens waren gesloten en in de Joodse steden en dorpen reden geen auto's. Tijdens deze vastendag begaven zich tallozen orthodoxe en minder orthodoxe Joden naar de synagoge om de boetegebeden uit te spreken. Een ideale dag dus om Israël aan te vallen, dachten de leiders in Damascus en Caïro. Het zou volgens hen de Joodse natie heel veel tijd kosten de reservisten op te roepen en een tegenaanval in te zetten. Helemaal onverwachts kwam de aanval niet. Chef-staf generaal-majoor David Elazar had het leger op 5 oktober al in "Alert C" -de hoogste fase van paraatheid- gebracht. Militairen aan het front op de Golan kregen de avond voor de aanval de opdracht hun laarzen niet uit te doen bij het slapen, omdat ze die nacht wel eens heel snel uit hun bed konden worden getrommeld.

Waarschuwing

Om vier uur in de ochtend kreeg de inlichtingendienst van het leger een waarschuwing over een ophanden zijnde aanval. Golda Meir gaf toestemming voor de mobilisatie van 100.000 reservisten, maar Elazar besloot veel meer op te roepen. 's Middags om twee uur staken vijf Egyptische infanteriedivisies met zo'n 70.000 man het Suezkanaal over. De Israëlische Bar Lev-lijn, die door 500 soldaten werd verdedigd, kwam onder zware artilleriebeschietingen en luchtmachtbombardementen te liggen. De Egyptisc he soldaten wachtten de Israëlische pantsereenheden die toesnelden op met de antitankraketten. De Egyptenaren slaagden erin bruggenhoofden over het Suezkanaal te leggen: in het noorden bij Qantara, in het centrum bij Ismailia en in het zuiden bij het Grote Bittermeer en de stad Suez. Het Egyptische leger overrompelde het grootste deel van de Bar Lev-lijn.

Twee dagen na het uitbreken van de oorlog zag het er zwart uit voor Israël. Ook al hadden de meeste reservisten hun eenheden sneller bereikt dan verwacht, het leek er eerst niet op dat zij de massale inval konden keren. Op 8 oktober ontving de Israëlische regering een stroom van zeer negatieve berichten. De minister van defensie, Moshe Dayan, vertelde premier Golda Meir dat "de Derde Tempel" (dat is de staat Israël) dreigde onder te gaan. Na de oorlog zou Meir toegeven dat ook zij vreesde dat Israël zou worden verpletterd.

De historicus Nadav Safran schrijft dat het waarschijnlijk aan het einde van de 8e oktober was dat het kabinet van Golda Meir overwoog kernwapens te gebruiken. De Israëlische ambassadeur in Washington, Simcha Dinitz, gaf dit bericht door aan Henry Kissinger. Kissinger was van mening dat Israël zelf binnen twee, drie dagen de Arabische legers zou kunnen verslaan. Hij was tegen wapenleveranties aan Israël, maar nadat Israël met kernbommen dreigde veranderde hij snel van gedachten. Op 14 oktober kwam de luchtbrug op gang.

Generaal Ariel Sjaron liet zijn parachutisten in de nacht van 15 op 16 oktober het Suezkanaal oversteken en een bruggenhoofd vormen. De volgende dag volgde een pantserbrigade, die kans zag de corridor te verbreden. De Egyptische soldaten op de westelijke oever van het Suezkanaal boden relatief weinig weerstand, omdat de aanval voor hen volslagen onverwachts kwam. De soldaten van Sjaron trokken naar het noorden. Vervolgens sloegen de Israëliërs erin meer bruggen te leggen.

Golan

Op de Golan begonnen op 6 oktober de gevechten met zware Syrische lucht- en artillerieaanvallen op Israëlische posities. Drie Syrische infanteriedivisies trokken ten zuiden van Kuneitra de hoogvlakte op. Ze werden gevolgd door twee pantserdivisies. De Israëlische zevende brigade in het noorden van de Golan wist zich te handhaven tegen beschietingen vanuit Syrië in een gebied dat de veelzeggende naam "Vallei van de Tranen" zou krijgen.

Maar de Israëlische 188e brigade in het zuidoostelijk gedeelte van de Golan viel uiteen, waardoor Syrische tanks de Golan op konden rijden. Op een bepaald moment meldde een Syrische tankbemanning dat ze de rivier de Jordaan bijna hadden bereikt. Ze vroegen toestemming om door te stoten naar Galilea. Het antwoord was negatief.

Een brigade onder leiding van kolonel Ori Orr begon een tegenoffensief bij Nafah in het midden van de Golan. De bemanningen van de tanks werden ad hoc samengesteld uit reservisten. De gevechten behoorden tot de zwaarste en bloedigste in de hele oorlog. Sommige tankbemanningen -zij die niet gedood of gewond te raken- vochten drie dagen lang intensief.

Toen Dayan een totale terugtrekking van het leger uit de Golan overwoog, kwam generaal Moshe ("Mussa") Peled met het plan een tegenaanval uit te oefenen. Zijn plan hield in dat Israëlische tanks een smalle corridor zouden creëren vanaf het zuidpunt van het meer van Galilea in de richting van Rafid, waar de Syrische eenheden de Golan op kwamen. Voor de voorste Israëlische tanks werd een artillerieblokkade gelegd om bescherming te bieden tegen de Syrische infanterie, met hun geduchte antitankraketten. De pantsereenheid slaagde erin de grens te bereiken en de punten van de Syrische doorbraak af te sluiten. Op 10 oktober waren de Syrische eenheden weggedreven uit de Golan. Op donderdag 11 oktober besloot Israël de strijd voort te zetten in Syrië zelf. Toen de gevechten op 22 oktober staakten lag Damascus binnen het bereik van de Israëlische artillerie.

Zware strijd

Op 21 oktober, toen na zware en bloedige gevechten het tij ten goede was gekeerd voor Israël, riep de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op tot een onmiddellijk staakt-het-vuren. Het Egyptische Derde Leger was inmiddels geheel door het Israëlische leger omsingeld en zou binnen enkele dagen kunnen worden verpletterd. Op 24 oktober hielden beide legers zich aan de wapenstilstand. Egypte had toen twee belangrijke bruggenhoofden op de oostelijke oever van het Suezkanaal met een diepte van tien kilometer, en de Israëliërs hadden een strook van ongeveer 1600 vierkante kilometer bezet aan de westelijke zijde. De vooruitgeschoven posities van het Israëlische leger stonden 90 kilometer verwijderd van Caïro.

De militaire overwinning was in Israël allesbehalve reden voor vreugde. De oorlog had 2700 Israëlische mannen de dood in gejaagd. De verliezen aan Syrische zijde werden op 2500 geraamd en aan Egyptische zijde op 15.000. Voor Israël was de oorlog reden voor kritisch zelfonderzoek: hoe kon het gebeuren dat het leger onvoldoende was voorbereid op de aanval?

Op 21 november 1973 begon een commissie onder leiding van de president van het hooggerechtshof, Simon Agranat, met haar onderzoek. De commissie ondervroeg bijna driehonderd personen, van wie het grootste deel militairen. De commissie stelde in haar eerste interim-rapport, in april 1974, dat het Israëlische leger ten onrechte dacht dat Egypte niet aan zou vallen zonder een sterke luchtmacht en dat Syrië niet zou aanvallen zonder Egypte. Door dit 'concept' interpreteerde het leger de manoeuvres van het Egyptische en Syrische leger foutief. De Egyptenaren zouden alleen maar oefeningen houden. Verder liet het leger zich misleiden door de Syrische bewering dat de manoeuvres alleen maar uitgevoerd werden omdat Syrië een Israëlische aanval vreesde.

Wakker geschud

De commissie adviseerde dat het hoofd van de militaire inlichtingendienst, Eliahu Za'ira, andere inlichtingenofficieren en de chef-staf David Elazar, zouden worden ontslagen. De commissie had geen kritiek op minister van defensie Moshe Dayan en premier Golda Meir. Toch was Meir een gebroken vrouw geworden, die zichzelf niet kon vergeven. Zij had begin oktober de reservisten willen laten oproepen, omdat zij een aanval vreesde. Maar ze had geluisterd naar Da- yan en Za'ira, die tegen een mobilisatie waren. Zij besloot op te stappen.

De Yom-Kippoeroorlog schudde de Israëliërs wakker uit de overwinningsroes van de Zesdaagse Oorlog van 1967. Ze begrepen nu dat de Arabische legers een sterke vijand vormden, die diende te worden gerespecteerd. In de Israëlische maatschappij schoten protestgroepen uit de grond die vraagtekens plaatsten achter de wijsheid van de heren en dames politici. Maar de Israëliërs begrepen ook dat er een positieve ontwikkeling voortvloeide uit de zwarte dagen van oktober 1973. De oorlog betekende namelijk ook eerherstel voor Egypte. Daardoor achtte Sadat het mogelijk in 1979 het Egyptisch-Israëlische vredesverdrag te tekenen. Egypte kreeg daarmee de Sinaïwoestijn terug en Israël hoefde niet meer te vrezen voor de meest geduchte Arabische tegenstander.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 7 oktober 1998

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Oorlog op de dag van de boete

Bekijk de hele uitgave van woensdag 7 oktober 1998

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken