Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

"Niet verrast, wel bedroefd"

Schutte: Rechter heeft in vonnis-Van Dijke onvoldoende gelet op uitspraken Hirsch Ballin

5 minuten leestijd

Het wetsartikel waarop RPF-leider Van Dijke veroordeeld is, bestaat nog niet zo lang. Het huidige artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht is in 1992 van kracht geworden. De kamerleden Schutte (GPV) en Van den Berg (SGP) herinneren zich het debat over deze wetswijziging nog goed. Schutte: "De rechter had in zijn vonnis zwaarder mee moeten wegen wat voormalig minister van justitie Hirsch Ballin destijds in het parlement zei".

RPF-leider Van Dijke gaat tegen zijn veroordeling in hoger beroep. De rechter bevond hem schuldig aan overtreding van artikel 137c Wetboek van Strafrecht. Daar staat letterlijk: "Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie".

Het wetsartikel in deze vorm is nog maar zes jaar van kracht. De zinsnede "of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid" is in 1992 onder het derde kabinet-Lubbers aan het wetsartikel toegevoegd. Behalve deze toevoeging werden bij dezelfde wetswijziging ook andere artikelen in het Wetboek van Strafrecht aangepast. Alle wijzigingen hadden hetzelfde doel: discriminatie wegens seksuele gerichtheid strafbaar stellen. Weliswaar was een Algemene wet gelijke behandeling (awgb) in de maak, maar het kabinet wilde daaraan voorafgaand alvast een duidelijke daad stellen door aanpassing van het Wetboek van Strafrecht.

Strijd der geesten

SGP-kamerlid Van den Berg herinnert zich het kamerdebat over de desbetreffende wetswijziging nog levendig. "In het algemeen gesproken was er in christelijk Nederland niet zo veel aandacht voor deze wijziging van het Wetboek van Strafrecht. De SGP heeft hierin echter steeds een wezenlijke bedreiging voor de vrijheid van godsdienst en de belijdenisvrijheid gezien. Onze vrees was dat een uitspraak gegrond op een godsdienstige overtuiging vanaf dat moment gemakkelijk in de strafrechtelijke sfeer kon worden getrokken. Zoals ik later in het kamerdebat over de awgb duidelijk de strijd der geesten in de Kamer ervoer, zo had ik dat toen ook al bij de wijziging van het Wetboek van Strafrecht. In feite is het wetsvoorstel waar het in 1990 over ging nog bedreigender dan de awgb. Die laatste kent nog uitzonderingsbepalingen, het Wetboek van Strafrecht niet".

De SGP-fractie heeft er tijdens de hele wetsbehandeling geen moment twijfel over laten bestaan dat zij het voorstel van de regering niet zou steunen. Dat lag bij het GPV anders. Schutte: "Wij hebben pas aan het eind van het debat de balans opgemaakt en besloten om tegen te stemmen. Het oorspronkelijke wetsvoorstel bevatte ook goede elementen. Ook het GPV is tegen ongegrond onderscheid maken op grond van ras bijvoorbeeld. Het wetsvoorstel is echter in de loop van de parlementaire behandeling verslechterd door allerlei aanpassingen, terwijl wijzigingen ten goede, door de kleine christelijke fracties voorgesteld, geen schijn van kans maakten".

Weinig inlevingsvermogen

Uiteindelijk stemden alleen de kleine christelijke fracties en de centrumdemocraten tegen het wetsvoorstel. Het CDA toonde via woordvoerder Kraaijenbrink bijzonder weinig inlevingsvermogen als het ging om de bezwaren en angsten die bij SGP, GPV en RPF leefden.

Ook bij de minister van justitie, de serieuze rooms-katholiek Hirsch Ballin, stuitte de kritiek van de protestantse woordvoerders af als pijlen op een schild. Van den Berg: "Hirsch Ballin wandelde in het debat voortdurend over onze bezwaren heen. Hij kon zich niet indenken dat orthodoxe protestanten de neiging zouden hebben homoseksuelen te beledigen. Ook de SGP vond toch dat belediging van medemensen überhaupt niet mocht? zo hield de minister ons steeds voor. Daarin had hij natuurlijk gelijk, maar de vraag was nu juist wat onder belediging verstaan moest worden. Daar zat voor ons het probleem".

Uit jurisprudentie, met name in de zaak-Goeree, was ook in 1990 al bekend dat de rechter in geval van "belediging" er veel meer van uitging hoe een uitspraak overkwam dan hoe een uitspraak bedoeld was. Van den Berg: "Dat zou dus gevaarlijk kunnen worden voor christenen die zonde zonde willen blijven noemen. Zodra dat door medeburgers als beledigend werd ervaren, zouden die een aanknopingspunt in de strafwet hebben. Hoe meer het maatschappelijk klimaat omslaat ten nadele van het christendom, hoe meer dreiging daarvan uitgaat. Hirsch Ballin onderschatte de geestelijke omslag die wij in onze samenleving meemaken. Bovendien was hij met handen en voeten gebonden aan het regeerakkoord".

Niet verrast

Van den Berg is daarom ook in het geheel niet verrast ("wel bedroefd") door de veroordeling van Van Dijke. "Dat is iets wat ik vanaf dat debat in 1990 altijd gevreesd heb. De SGP heeft destijds voorgesteld de term discriminatie te verduidelijken door aan te geven dat het om "krenkende en grievende" uitingen zou moeten gaan. Daar was echter bij lange na geen meerderheid voor te krijgen. Dat de toen doorgevoerde wijziging van de strafwet heel gemakkelijk leidt tot een inperking van de godsdienstvrijheid, blijkt uit de veroordeling van Van Dijke".

Ook Schutte is altijd bang geweest dat de wijziging van het Wetboek van Strafrecht een bredere uitwerking zou krijgen dan op dat moment beoogd werd. Daarom heeft hij uiteindelijk ook tegen het wetsvoorstel gestemd. Toch zegt de GPV-leider dat hij op grond van het kamerdebat van 1990 een veroordeling van Van Dijke juist niet verwacht had. "Ik heb de minister van justitie toen de vraag voorgehouden of mensen door deze wet belemmerd zouden kunnen worden in het uitdragen van hun overtuiging inzake seksuele ethiek. Dat was absoluut niet de bedoeling, aldus de minister. Daar hoefde je niet bang voor te zijn.

Op zeker moment zei Hirsch Ballin: "Het gaat niet om het enkele feit dat iemand iets als beledigend ervaart. In de strafbaarstelling gaat het om de objectieve inhoud". Die uitspraak van de toenmalige minister van justitie stond in het debat wel enigszins geïsoleerd -op andere momenten zaaide de bewindsman toch weer twijfel- maar op zichzelf was het wel een heldere stellingname. Die uitspraak van toen geeft in elk geval iets vreemds aan de veroordeling van Van Dijke nu. Ik vind dat de rechter onvoldoende heeft meegewogen wat Hirsch Ballin hierover destijds heeft gezegd".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 17 oktober 1998

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 17 oktober 1998

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

PDF Bekijken