Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eerste goedgeorganiseerde partij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eerste goedgeorganiseerde partij

IJveren voor bijzondere school hield ARP lang bij elkaar

5 minuten leestijd

Toen in juni 1877 verkiezingen voor de Tweede Kamer werden gehouden, behaalden de liberalen de absolute meerderheid. Ondanks de geweldige inzet van Kuyper in de voorgaande jaren, zowel in de Tweede Kamer als daarbuiten, leek het er heel sterk op dat het met de antirevolutionaire richting afgelopen was.

Een bekend liberaal uit die tijd, De Beaufort, schreef naar aanleiding van het overlijden van de voormalige leider van de antirevolutionairen, Groen van Prinsterer, in zijn dagboek: "Indien men de verdiensten van een staatsman mag rekenen naar hetgeen hij tot stand brengt, zijn de zijne luttel. Vasthoudende aan eene overtuiging, die slechts door weinigen gedeeld werd, heeft hij op de gang van zaken nooit invloed kunnen uitoefenen". De geschiedenis zou het grote ongelijk van De Beaufort echter al snel laten zien.

Omvormen

Het had Kuyper tot die tijd niet meegezeten. Hij was actief geweest in het Anti-Schoolwetverbond (ASWV). Deze organisatie wilde de wetgeving zo veranderen dat stichting van bijzondere scholen mogelijk werd. Het was de bedoeling het ASWV om te vormen tot een kiezersbond (een politieke partij) voor de gereformeerden, maar dit mislukte.

In de Tweede Kamer poogde Kuyper met leden die ongeveer dezelfde ideeën hadden tot meer samenwerking te komen. Ook dit kwam niet van de grond, doordat deze heren van hoge komaf liever hun vrijheid behielden in plaats van zich te binden aan een partijprogramma. Hoewel het Kuyper op 1 april 1872 wel gelukt was een eigen dagblad te laten verschijnen, "De Standaard", kwam van antirevolutionaire partijvorming nog erg weinig terecht.

Schoolstrijd

Dat veranderde na 1877 heel snel, vooral als gevolg van de nieuw aangetreden liberale regering. De minister-president van dit kabinet, de liberaal mr. J. Kappeyne van de Copello, stuurde op 11 maart 1878 een nieuwe schoolwet naar de Tweede Kamer. De kwaliteitseisen die daarin voor het onderwijs geformuleerd werden, waren erg hoog. Ouders die hun kinderen naar bijzondere scholen stuurden en dat zelf moesten betalen, zouden zulke hoge kosten nooit kunnen opbrengen.

De protesten stroomden binnen en er werd in protestantse en rooms-katholieke kring een petitie georganiseerd, die bijna 470.000 handtekeningen opleverde. Ze werden aangeboden aan koning Willem III met het verzoek de aangenomen wet niet te ondertekenen. Onder druk van Kappeyne heeft deze dat toch gedaan. De wet had echter wel geleid tot veel meer samenwerking in orthodox-protestantse kring. Voor het eerst gingen mensen uit hoge en lage standen samen vechten voor de totstandkoming van bijzonder onderwijs.

Oprichting

In 1879 was Kuyper, die zich in 1877 door ziekte uit de Kamer had teruggetrokken, al weer stevig aan het werk. In "De Standaard" werd het door hem geschreven "Ons program" van de antirevolutionaire richting toegelicht. Het verscheen in maart als boekwerk. Enkele weken later vond in Utrecht de oprichtingsvergadering van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) plaats. Vier redacteuren en 23 afgevaardigden van kiesverenigingen (vaak voormalige ASWV-verenigingen) aanvaardden "Ons Program" als leidraad en kozen Kuyper als voorzitter van het Centraal Comité.

Direct werd begonnen met de verkiezingscampagne. Daarbij bleek Kuyper over grote talenten te beschikken om in een bepaald district (Tweede-Kamerleden werden toen nog per district gekozen) te proberen de meerderheid te behalen. Op steeds meer plaatsen werden kiesverenigingen opgericht, die mensen motiveerden te stemmen op een antirevolutionaire kandidaat.

Ook wist men op veel plaatsen de steun van rooms-katholieken te verkrijgen, als een roomse kandidaat toch geen schijn van kans maakte gekozen te worden. In de daarna volgende jaren steeg het aantal antirevolutionaire kamerleden gestaag: 1879: 12, 1881: 14, 1882: 18, 1883: 19, 1884: 24. Het aantal kiesverenigingen groeide van 23 in 1879 naar 154 in 1888.

Tegenstellingen

Binnen de ARP waren er echter vanaf het begin behoorlijke tegenstellingen. Deze lagen zowel in het sociale als op het persoonlijke vlak. Vooral bij de antirevolutionaire leden van de Tweede Kamer openbaarde zich voortdurend een tegenstelling tussen conservatieve en vooruitstrevende leden. De conservatieve stroming was meestal van de rijke burgerij (de heren met de dubbele namen) en keerde zich tegen allerlei veranderingen als uitbreiding van het kiesrecht, algemene dienstplicht en sociale wetgeving. De meer vooruitstrevende antirevolutionaire kamerleden ijverden juist voor zulke zaken.

In het persoonlijke vlak zorgde de leidende rol die Kuyper wilde vervullen nogal eens voor problemen. In "De Standaard" gaf hij zijn mening over allerlei politieke kwesties en hij verwachtte dat de ARP-leden in de Tweede Kamer zich hierbij zouden aansluiten. Die waren het echter vaak niet met de meer vooruitstrevende Kuyper eens en volgden een eigen weg. Dat leidde weer tot onderlinge spanningen. Alleen het gezamenlijk ijveren voor de bijzondere school hield de club nog lange tijd bij elkaar.

Confessioneel kabinet

In 1888 werden verkiezingen gehouden voor een nieuw tot honderd leden vergroot parlement. Nieuw was het bureau in Amsterdam, vanwaaruit antirevolutionairen in de verkiezingsstrijd werden geholpen. Er werd voorlichting gegeven aan kiesverenigingen door een groep vrijwilligers in de districten. Door deze professionele ondersteuning kon het aantal zetels in de Tweede Kamer groeien tot 28, terwijl de rooms-katholieken er 26 behaalden. H. Waller, lid van het Centraal Comité van de ARP, schreef aan het antirevolutionaire kamerlid De Geer dat hij de nieuwe aanpak geheim moest houden, "opdat de tegenpartij ons niet nabootste". De ARP was duidelijk de eerste goedgeorganiseerde politieke partij geworden.

Door de antirevolutionair E. Mackay werd een confessioneel (godsdienstig) kabinet gevormd. Het vinden van ministers was een groot probleem voor Mackay, omdat binnen het antirevolutionaire kamp er bijzonder weinig mensen waren die dit ambt konden uitoefenen en ook de roomsen weinig mensen met bestuurservaring hadden. Behalve Mackay zelf zat er eigenlijk maar één ARP'er (minister Keuchenius van koloniën) in het kabinet. De andere ministers had Mackay moeten zoeken bij de conservatieve rijke burgerij buiten de ARP. Kuyper had er dan ook niet al te hoge verwachtingen van. Toen Keuchenius na twee jaar moest aftreden, heeft Kuyper dit eerste confessionele kabinet niet veel steun meer gegeven.

Overigens zou de invloed van de roomsen en protestanten in de loop van de tijd alleen maar toenemen. In de 20e eeuw hebben de confessionele partijen aan bijna elk kabinet deelgenomen, terwijl na de oorlog de partijen die het CDA zouden vormen en het CDA een centrale plaats innamen. De confessionelen zijn tot 1994 dan ook de belangrijkste factor in de Nederlandse politiek geweest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1998

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Eerste goedgeorganiseerde partij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1998

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken