Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een dichtend edelman

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een dichtend edelman

"Marnix is technisch beter, Datheen vind ik vaak bezielder"

6 minuten leestijd

Versregels van Petrus Datheen stampen als watergeuzen over allerlei metrische valkuilen heen. In die trant liet een twintigste-eeuwse dichter zich ongeveer uit over het werk van de calvinistische prediker. Kritisch geluid klonk al in de zestiende eeuw. Philips van Marnix, Heer van Sint Aldegonde, keurde Datheens product en werkwijze af en besloot zelf aan de slag te gaan. Zo verscheen in 1580 "Het boeck der Psalmen Davids" bij de Antwerpse uitgever Gilles vanden Rade. Waarom slaagde de bundel er niet in Datheens berijming te verdringen?

"Marnix is verstechnisch stukken beter", zegt dr. A. Maljaars, docent Nederlands aan De Driestar in Gouda. "Qua bezieling, zeggingskracht en directheid kies ik echter vaak voor Datheen". Maljaars groeide met Datheen in Zeeland op. In die tijd ontstond zijn liefde voor de robuuste berijming, een liefde die voortleeft tot op heden.

Marnix' vierhonderdste sterfdag wordt morgen herdacht. Als het gaat over deze zestiende-eeuwse edelman, zijn we bij Maljaars aan een goed adres. Hij vertaalde ooit diens "Verhandeling over het sacrament van het heilig Avondmaal des Heeren" uit het Oudfrans. In Maljaars' dissertatie over het Wilhelmus (1996) speelt Marnix een grote rol. Nadat hij Marnix had afgewezen als mogelijke auteur en bovendien de stelling lanceerde dat het volkslied mogelijk van Duitse herkomst is, rolde de pers zijn huis binnen.

Kortsluiting

De neerlandicus begint aan een verhaal dat twee uur later bij de voordeur eindigt. "Marnix was niet alleen ontevreden over Datheen, maar ook over andere bundels die aan het eind van de zestiende eeuw in gebruik waren. Hij vond de Souterliedekens van 1540 onvoldoende schriftgetrouw. Ze stonden te ver van de onberijmde tekst af. Bovendien waren de melodieën populair, hetgeen calvinisten nogal eens ergerde". Zo stond boven Psalm 150 een verwijzing naar "Die bruyt en wou niet te bedde". Psalm 12 verwees naar de melodie van "Ick had een boelken (liefje) uutvercoren". De berijming van Utenhove was te gekunsteld, zodat er zelfs een verklarende woordenlijst bij werd geleverd.

Marnix had tegen Datheen principiële en dichttechnische bezwaren. "Datheen vertaalde vanuit de Franse berijming, niet vanuit de grondtekst. Hij gebruikte veel zogeheten stoplappen. Dat zijn woorden die niet functioneel zijn binnen een dichtregel, zoals "voorwaer", "overal", "voortaen" en "altijt"", legt de docent uit. "Kijk, wat me als kind al opviel, was de kortsluiting tussen het melodisch accent en het woordaccent". Hij grijpt z'n Datheen, slaat het boekje open bij Psalm 72 en mompelt met zingende stem:

Den armen zal Hij ook uitgeven

Dat Arabische goud;

Zij zullen Hem alle haar leven Dienen 't zaam met eenvoud.

"Datheen telde alleen de lettergrepen. Dan krijg je zoiets. Overigens zongen we slechts een beperkt repertoire", vervolgt Maljaars, terwijl hij een bladzijde omslaat. Hij wijst op een couplet. "Dacht je dat we vroeger dit zongen: "Haar ogen pruisten zeer hoog op/ Uit haren vetten dikken kop?" Het is aardig om te zien wat Marnix hiervan heeft gemaakt: "Het vett puylt hun ten ooghen uyt/ End' hangt hun op haer dicke huyt"".

Zorgvuldig

"Marnix vertaalde eerst zorgvuldig het Hebreeuws. Op die vertaling baseerde hij zijn berijming, die een project van vele jaren is geweest. Telkens herzag hij eerdere berijmingen, om nog dichter bij de bijbeltekst te komen. Naast psalmen dichtte hij zijn "Schriftuurlijke Lofzangen", zoals de gebruikelijke Lofzang van Maria en dergelijke, maar ook bijvoorbeeld de Lofzangen van Mozes, Debora en Salomo. Ook hier gold het principe: zo dicht mogelijk bij de Schrift. Zo had Calvijn het geleerd. Bovendien was Marnix vuurbang voor de geestdrijvers. Hij schreef uit weerzin een boek tegen hen".

Ondanks zijn noeste vlijt kon hij niet tegen het succes van Datheen opboksen. "Anders dan Datheen gebruikte Marnix nog het toen reeds ouderwetse "du", "dij" en "dijn" om God mee aan te spreken. Het "gij", "u" en "uw" klonk als een vloek in zijn oren. Dat was meervoud, en God is "een- en enkelvoudig", schreef hij in zijn voorwoord. Het is ongeveer hetzelfde als wanneer wij tegenwoordig "je" en "jij" tegen God zouden zeggen. Dat klinkt oneerbiedig - hoewel mijn opa het vroeger wel deed (maar dat was dialect). Toch blijkt Marnix' vasthouden aan het archaïsche "du" een verkeerde inschatting te zijn geweest. Het is een van de punten waarop de invoering van zijn berijming is afgeketst", zegt Maljaars.

"Er zijn meer factoren. Toen Marnix in 1580 met zijn berijming kwam, was het kerkvolk net aan de berijming van Datheen gewend. Het is niet realistisch om na veertien jaar weer een nieuwe berijming in te voeren. Veel mensen waren analfabeet. Ze hadden juist Datheen aangeleerd en zouden over moeten schakelen. Datheen deed het goed bij het gewone volk. Bezwaren leefden onder hen niet - die hoorde je meer in ontwikkelde kringen".

Periculeux

De berijming van Marnix is op twee nationale synodes aan de orde geweest. De Middelburgse van 1581 bepaalde dat de "Psalmen Datheni" in gebruik zouden blijven, "overmits alle veranderinge periculeux is". In die tijd voerden drukkers felle acties, omdat ze bij invoering van een nieuwe bundel met de uitgeversrestanten van Datheen zouden blijven zitten. Ook Marnix' Fransgezinde politiek werkte niet in zijn voordeel.

Vijf jaar later leek het tij aardig gekeerd. De synode van 's-Gravenhage beval Marnix' berijming aan en verzocht predikanten, ouderlingen en diakenen hetzelfde te doen. Wel moest het aanprijzen geschieden "sonder nochtans de vorige Psalmen, te weten Datheni, tot noch toe gebruyckt, preciselick te verwerpen, maer latende evenwel inder Gemeente vrijheit die te behouden ende te singen". Die "vrijheit" betekende evenwel dat nagenoeg alle gemeenten het hielden bij Datheen.

Maljaars weet uit eigen ervaring dat het invoeren van een nieuwe berijming niet meevalt. "Ik heb dat zelf in Zeeland meegemaakt toen we van Datheen op de berijming van 1773 overgingen. Vaak kwam de dominee uit "Holland", waar al lang 1773 werd gezongen. Via de manslidmatenvergadering werd de invoering van een nieuwe berijming in stemming gebracht. Soms duurde het echt wel enkele jaren voordat het afgesproken percentage voorstemmers werd gehaald".

Samenrotten

De neerlandicus ziet best perspectief in een uitbreiding van het corpus kerkliederen, dat de gereformeerde gezindte zingt. "Als je in mijn hart wilt kijken: ik ben geen revolutionair. Een nieuwe berijming die zou kunnen bestaan in een selectie uit bijvoorbeeld het Liedboek voor de Kerken, zou ik wel toejuichen. Tegen het Liedboek kun je theologische bezwaren hebben. Zo staan er liederen met een universele strekking in. In de Bijbel staan ook teksten met een algemene reikwijdte. Theologische problemen hebben we op bepaalde punten evengoed met de berijming van 1773, waarin op sommige plaatsen het verlichtingsdenken en dat deugdgedoe duidelijk naar voren treden. Je hoeft niet alles te zingen. Je kunt, evenals nu gebeurt, selecteren.

Ik constateer dat voor de jeugd het taalgebruik van de achttiende eeuw soms sterk verouderd is. Waar denken ze aan bij het woord "samenrotten"? Dat associëren ze met "rot op", niet met samenscholen. Iets als "wijsheid af te malen" kennen ze niet meer. Tel je dit soort bezwaren bij elkaar op, dan krijg je een behoorlijk stuk vervreemding. Hetzelfde geldt ten aanzien van de Statenvertaling. Ik heb enkele jaren geleden onder mijn leerlingen een enquête gehouden. Dan schrik je. Ook als je ze een bijbelgedeelte vers voor vers laat lezen, merk je vaak dat ze er niets van snappen".

Een nieuwe berijming betekent voor Maljaars geen rigide omkeer. "Als je het zou doen, moet je ook aan de oudere generaties tegemoetkomen. Je zou bijvoorbeeld 's morgens de ene, 's middags de andere berijming kunnen zingen. Zo voltrekt de verandering zich geleidelijk. Met het oog op de komende generatie is het een overweging waard".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 14 december 1998

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Een dichtend edelman

Bekijk de hele uitgave van maandag 14 december 1998

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken