Bekijk het origineel

Het sneeuwt tussen de korven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het sneeuwt tussen de korven

6 minuten leestijd

Ik heb veel aan mijn oud-leraar Nederlands te danken. Op de kweekschool bracht J. Koppejan boerenjongens zoals ik er een was, in aanraking met de voor hen vrijwel onbekende wereld van de literatuur. Vooral de literatuur in de vorm van indrukwekkende romans nam ik gretig in mij op. De poëzie was minder aan me besteed, vermoedelijk vanwege haar hogere abstractiegraad en de concentratie van zeggingskracht in het kleine bestek van enkele versregels.

Maar één dichter nam toen al in mijn waardering een uitzonderingspositie in: Nijhoff. Koppejan dicteerde ons gewoonweg dat zijn "Lied der dwaze bijen" het mooiste gedicht in de Nederlandse letterkunde was. Ik nam dat in de gezagsgetrouwe jaren vijftig voetstoots aan, want de docent wist het overtuigend te zeggen en bovendien het gedicht in kwestie onnavolgbaar voor te dragen.

Op mijn beurt probeer ik mijn leerlingen ervan te overtuigen dat we in dit gedicht toch wel met een uitzonderlijk mooi specimen van lyriek te maken hebben, maar in onze postmodernistische tijd komen apodictische uitspraken nooit zo goed over; dat wordt zelfs onder onze jongeren wel duidelijk. Nog steeds kan ik me evenwel niet aan de indruk onttrekken dat Nijhoff met dit sublieme lied der dwaze bijen toch vrijwel de grenzen van het bereikbare in onze taal heeft benaderd.

Waar gaat dit gedicht over? In eerste instantie is er sprake van bijen die in een lied hun poging bezingen om vanuit de hun vertrouwde kaders een voor hen onnoembaar ideaal te bereiken. Er is een geur van hoger honing, een zacht zoemen, een steeds herhaald niet-noemen, die de bijen uit hun veilige bijenkorven en tuinen lokt. Daardoor ondernemen zij vol hartstocht en jubelend de reis naar raadselige rozen, waar zij avonturen denken te beleven die in de vertrouwde kaders van hun normale leven onmogelijk geacht moeten worden. Maar het raadselachtige doel blijft hen ontwijken; de afstand tussen hen en het voor hen onbereikbare teken wordt niet kleiner. Dat maakt ze, bezweken als ze zijn voor hun steeds heviger verlangens hiernaar, zó roekeloos dat ze de grenzen van het mogelijke overschrijden. Dit moeten zij met de dood bekopen, waardoor zij als sneeuw terug dwarrelen naar de aarde, naar hun 'huizen', de korven.

Nu is Nijhoff er niet de dichter naar om het bij dit anekdotische gegeven te laten. In de vijfde strofe -waar de beschouwing voor een ogenblik het verhaal onderbreekt- geeft de dichter al aan hoe hij begrepen wil worden. Niemand kan van nature zijn hartstocht onderbreken; de mens als raadselachtig wezen die zich door zijn ontembare verlangens laat voortdrijven, ook al vermoedt hij de kwalijke gevolgen van zijn drieste pogingen om grenzen te overschrijden. De mens als speelbal van zijn eigen onbeheersbare verlangens... Dr. C. A. de Niet noemde in een vorige gedichtbespreking op deze plaats "Het lied der dwaze bijen" van M. Nijhoff al een poëtische illustratie van de onvervulbaarheid van het verlangen naar wat voor mensen hier en nu niet is weggelegd.

Het gedicht kan ook gezien worden als een poging van de dichter om duidelijk te maken dat er grenzen zijn aan het vermogen van de dichter om zich in taal uit te drukken. Voor de dichter die een poging wil doen het onzegbare onder woorden te brengen, is op z'n minst symboliek noodzakelijk. In de antieke traditie al worden bijen en hun honing als beelden gebruikt voor respectievelijk dichters en hun dichtwerken. De 'moraal' is dan deze: Als een dichter de grenzen overschrijdt, als hij tracht woorden te vinden voor het onnoembare, wacht slechts de stilte van het zwijgen. Dat behoeft beslist niet negatief te worden geduid. Het zwijgen kan de hoogste vorm van spreken zijn. De verwondering in woorden gaat somtijds over in woordeloze aanbidding. Prof. C. C. de Bruin zei in zijn afscheidscollege te Leiden: "Wanneer de taal de grens van haar kunnen heeft bereikt, betreedt de dichter het domein van de stilte."

Daarmee betreden we het terrein van de mystiek, waarmee tegelijkertijd een derde mogelijkheid tot interpretatie van dit intrigerende gedicht in zicht komt. Ook in de mystieke literatuur komt namelijk het beeld van de bijen en de honing voor. Collega De Niet wees mij op een passage bij Bernard van Clairveaux die in een traktaat de bijen vergelijkt met diegenen die zich verheffen en hun korven, dat wil zeggen: de zorg om hun lichaam, achter zich kunnen laten en naar de tuin der geneugten, het paradijs, kunnen overvliegen. De bijen treden als het ware uit zichzelf; zij kennen de mystieke extase. De mysticus meent langs die weg van extase het goddelijke, ja God Zelf te kunnen bereiken en in Hem op te gaan. Bernard van Clairveaux acht een christelijke mystiek mogelijk. Maar Nijhoff weet dat deze weg doodloopt. Daarin kunnen we hem slechts bijvallen. Wij kunnen van onszelf uit God niet annexeren. Hij is Degene Die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, Denwelken geen mens gezien heeft noch zien kan (1 Timótheüs 6:16).

Hoe aanlokkelijk de raadselige rozen ook zijn, onze menselijke plaats is hier op aarde, waar God ons gesteld heeft met een opdracht. Maar het paradijs, het altijd bij de Heere zijn, lokt wel!

KADER

"HET LIED DER DWAZE BIJEN"

Een geur van hoger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hoger honing
verdreef ons uit de woning.

Die geur en een zacht zoemen
in het azuur bevrozen,
die geur en een zacht zoemen
een steeds herhaald niet-noemen,

ried ons, ach roekelozen,
de tuinen op te geven,
riep ons, ach roekelozen,
naar raadselige rozen.

Ver van ons volk en leven
zijn wij naar avonturen
ver van ons volk en leven
jubelend voortgedreven.

Niemand kan van nature
zijn hartstocht onderbreken,
niemand kan van nature
in lijve de dood verduren.

Steeds heviger bezweken,
steeds helderder doorschenen
,
steeds heviger bezweken
naar het ontwijkend teken,

stegen wij en verdwenen,
ontvoerd, ontlijfd, ontzworven
stegen wij en verdwenen
als glinsteringen henen.

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
huiswaarts omlaag gedwereld,
het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tussen de korven.

M. Nijhoff

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 13 september 1999

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Het sneeuwt tussen de korven

Bekijk de hele uitgave van maandag 13 september 1999

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken