Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Elim in kerkelijk Duitsland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een Elim in kerkelijk Duitsland

Kohlbrugges kerk werd gebouwd door "een eerlijke Elberfelder bouwmeester"

11 minuten leestijd

"De Heere zegene u, geliefde kudde van Christus, onzen eenigen Herder! Uw vrede en uw blijdschap zij volkomen van de allerhoogsten God, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Gij hebt het loon van uw trouw, waarmede gij gebleven zijt bij het Woord in allerlei nood en benauwdheid. God heeft u eene kerk gebouwd, ze is gebouwd zoals het Hem waardig is." Deze woorden sprak Kohlbrugge uit op 30 september 1849 (vandaag 150 jaar geleden) bij de ingebruikneming van het nieuwe kerkgebouw van de Niederländisch-Reformierte Gemeinde te Elberfeld.

De trieste historie van deze gemeente vraagt een nadere toelichting. Op 12 februari 1833 overleed Kohlbrugges jonge vrouw Catharina Louise Engelbert. De tering maakte een einde aan haar leven. Door het verplegen van zijn vrouw raakte Kohlbrugge zelf ook ziek. Artsen adviseerden hem daarom tot herstel van zijn gezondheid een reis te maken langs de Rijn. Na verschillende plaatsen te hebben bezocht, kwam hij uiteindelijk aan in Elberfeld, een bekende plaats in het Wupperdal. Deze streek werd in kerkelijk Duitsland, waar het rationalisme hoogtij vierde, een Elim genoemd. Een predikant noemde het zelfs een bedevaartsplaats voor ontelbare vrienden van het Koninkrijk Gods. Behalve een lutherse gemeente bestond er in Elberfeld een gereformeerde gemeente. Twee bekende geestelijke leiders daarvan waren Gottfried Daniel Krummacher en diens neef Friedrich Wilhelm Krummacher. Deze predikanten ontvingen Kohlbrugge hartelijk en stonden zelfs hun kansel aan hem af.

Union en Agende

G. D. Krummacher was het die de degens kruiste met de overheid in verband met het verenigingsproces in die dagen. De koning van Pruisen, Friedrich Wilhelm III, streefde een groot ideaal na. Hij wilde een vereniging, een "Union", tot stand brengen tussen luthersen en gereformeerden. Zij moesten samensmelten tot één kerkverband, de Evangelische Landeskirche. Hij gaf het voorbeeld door ter gelegenheid van het derde eeuwfeest van de Reformatie het heilig avondmaal gemeenschappelijk te vieren met de lutherse en de gereformeerde hofgemeente. Het doel dat de koning voor ogen stond was het benoemen van een kerkelijke bestuursorganisatie, het "koninklijk consistorie", en het invoeren van een gezamenlijke liturgie, de "Agende". Dit betekende een inmenging van de overheid in de kerkelijke regering, de kerk had zich te onderwerpen aan de regering in Berlijn. Het presbyteriaal-synodale karakter als principe van kerkregering behoorde tot het verleden.

In 1821 was de Union in grote lijnen een feit. De invoering gaf weinig verzet omdat men in het algemeen in kerkelijke zaken vrij onverschillig was. Het introduceren van de Agende stuitte op veel meer tegenstand. Dit nieuwe dienstboek voor de Landeskirche was samengesteld uit roomse, lutherse en 15e-eeuwse formulieren. Het bevatte veel liturgie en voor de geestelijke en het koor was een grote plaats ingeruimd. Verder was er geen ruimte voor een vrij gebed, moest de dienaar een lange toga met een baret dragen, moest hij in bepaalde gevallen zelfs een kruis slaan, mocht de preek niet langer dan een halfuur duren en moest het avondmaal geknield ontvangen worden.

Kerkorde

In 1822 werd de Agende voor het eerst geïntroduceerd in de domkerk van Berlijn. Twee jaar later kwam er een herziene versie, die definitief werd voor al de Pruisische kerken. In het Rijnland, met daarin het Wupperdal, werd deze "koninklijke kerkorde" in 1835 ingevoerd.

Het was voornamelijk G. D. Krummacher die zich fel keerde tegen deze maatregel. Hij zei tegen een hoge ambtenaar in de Rijnprovincie: "Ik ben de onderdanigste onderdaan van Zijne Majesteit in alle dingen die het lichamelijke leven betreffen. Maar wil de koning gebiedend ingrijpen in kerkelijke en geestelijke aangelegenheden, dan is hij mij een voorwerp van de diepste afkeer." Met deze Krummacher voelde Kohlbrugge zich het meest verwant. Later sluiten veel van Krummachers volgelingen zich bij Kohlbrugge aan.

Zestienmaal preekte Kohlbrugge in het Wupperdal. In deze periode hield hij de bekende preek over Romeinen 7:14: "Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde." Tijdens de voorbereiding deed hij een ontdekking, een ontdekking van een komma. De betekenis hiervan dat de wedergeborene vleselijk is en blijft, trok diepe sporen door zijn hele verdere leven. Geen preek heeft in die dagen zo veel reacties opgeleverd als deze. Niet alleen in Elberfeld, maar ook in de Nederlandse Réveilkring.

Kohlbrugge diende te Koblenz bij het koninklijk consistorie een verzoek in om opgenomen te worden onder de beroepbare kandidaten. Hij wilde graag toegelaten worden tot een gemeente. Over dit verzoek is heel wat discussie gevoerd, maar er viel uiteindelijk voor hem een negatief besluit. Er waren allerlei redenen waarom Kohlbrugge geweigerd werd. Zijn houding ten opzichte van de verschillende predikanten was niet altijd even correct. Maar de belangrijkste reden was wel dat men wist dat hij een tegenstander was van de Union.

Gebroeders Von der Heydt

Op 4 januari 1834 keerde hij terug naar Nederland en ging weer in Utrecht wonen. In dat jaar trad hij in het huwelijk met Urseline Philippine baronesse van Verschuer. In 1837 overleed G. D. Krummacher en na verloop van tijd verliet een gedeelte van de gemeente de kerk. Zij wilden zich onder geen enkele restrictie aanpassen aan de Union en de Agende. Deze groep bezwaarden kwam zelfstandig bijeen om het Woord te onderzoeken en bleef hopen op herstel van de vrijheid van de kerk. Onder hen bevonden zich leden van een aanzienlijke Elberfeldse familie, de gebroeders Carl en Daniel von der Heydt. Zij bleven met Kohlbrugge in contact gedurende zijn verblijf in Utrecht.

In augustus 1845 maakte Kohlbrugge met zijn tweede vrouw en hun tienjarig dochtertje Anna een reis, opnieuw op medisch advies, naar de badplaats Godesberg. In deze plaats werd Kohlbrugge meermalen bezocht door de gebroeders Von der Heydt en andere bezwaarde gemeenteleden. Zij verzochten hem naar Elberfeld te komen om hun herder te worden. Kohlbrugge had aanvankelijk veel bezwaren, maar ging uiteindelijk op advies van zijn vrouw akkoord. Haar woorden: "Alles in het werk gesteld, als er maar zielen worden gered!" gaven de doorslag.

Pinksteren

De bezwaarde gemeenteleden beloofden zorg te zullen dragen voor een redelijk salaris voor een periode van twaalf jaar als hij maar bereid was te preken en hun kinderen catechisatie te geven. Deze overeenkomst werd op schrift gesteld met als titel: "Elberfeld am tage der Pfingsten 1846".

De zondag na Pinksteren begon Kohlbrugge thuis met zijn eerste bijeenkomsten. Er waren 35 aanwezigen, later nam dit aantal snel toe, voornamelijk met aanhangers van wijlen G. D. Krummacher. Kohlbrugge zag deze samenkomsten eigenlijk als een noodmaatregel, want zijn diepste wens was met de bezwaarden terug te keren naar de bestaande gereformeerde gemeente die dan bevrijd was van Union en Agende. Hij was altijd een felle tegenstander geweest van separatie. Daarom zocht hij contact met de plaatselijke predikanten: "Toen ging ik tot de predikanten en zeide tot hen: Ik zal lid worden van Uwe gemeente, wilt gij mij opnemen en samen met mij werken, dan zal ik er voor zorgen, dat wij weer vrij komen van de Agende. Hiermede waren zij tevreden, zij wilden mij aannemen als vierde predikant."

Er volgde een "plechtig godsdienstgesprek" met alle predikanten en Kohlbrugges verzoek om lid te worden, werd gehonoreerd. Alles leek hoopvol, maar dit bleek een illusie. Het presbyterium eiste van hem het onmogelijke. Hij moest de groep opposanten in de steek laten, de zondagse bijeenkomsten staken en zelfs Elberfeld verlaten.

"Religions Patent des Königs"

Nu zat er voor Kohlbrugge niets anders op dan door te gaan met de samenkomsten en daaruit een eigen gemeente te vormen. Een gunstige bijkomstigheid was dat er op 30 maart 1847 een koninklijke verordening was afgekondigd, de "Religions Patent des Konigs", dat er naast de bestaande Pruisische landskerk vrije gemeenten gesticht mochten worden. Deze concessie werd door Friedrich Wilhelm IV mogelijk gemaakt. In 1840 was hij zijn vader opgevolgd en hij maakte er geen geheim van dat hij geen groot voorstander was van Union en Agende. Kohlbrugge en de zijnen maakten van deze regeling gebruik. Dit geschiedde op 18 april 1847 "am Sonntag Miserere des Jahres der Gnaden 1847."

Op aanbeveling van de koning werd als naam voor deze vrije gemeente gekozen "Niederländisch-Reformierte Gemeinde". De toevoeging Niederländisch ziet op de nationaliteit van haar eerste voorganger en verder op de twee Nederlandse belijdenissen die men aanvaardde: de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Ook aanvaardde men de Schotse Geloofsbelijdenis van John Knox.

Een probleem was echter dat Kohlbrugge nog steeds niet in het ambt van predikant was bevestigd. Het presbyterium van Elberfeld wilde hier absoluut niet aan meewerken. Zelfs de hofprediker, die door de koning hiervoor was benaderd, liet het afweten. Uiteindelijk werd op een ledenvergadering besloten dat de ouderlingen hem door handoplegging zouden bevestigen.

Kerkbouw

Het ledental van de nieuwe gemeente groeide gestaag. Men kwam bijeen in een zaal met ongeveer 500 zitplaatsen. Deze ruimte was het eigendom van een zekere weduwe Obermeier. De huur die zij vroeg (400 Thaler, ongeveer 720 gulden), vond men vrij hoog, maar omdat er niets anders was huurde men deze zaal voor een jaar.

IJverig werd er overlegd om te komen tot het bouwen van een eigen kerkgebouw. Een weduwe uit de gemeente, mevrouw Schwaiger, wilde een forse geldlening verstrekken tegen een lage rente. Op 7 september 1848 ging men over tot het kopen van een perceel grond van de heer Baessler. De plaats waar gebouwd zou worden, was in de Deweerthstrasse.

Men verschilde van mening over de architectonische vormgeving. Carel en Daniel von der Heydt wilden een fraaie kerk met een hoge toren. De bouw hiervan zou echter enige jaren in beslag nemen. Ter overbrugging moest er dan eerst maar een houten loods gebouwd worden. Deze optie zou met ongeveer 6000 tot 8000 Thaler de begroting overstijgen. De heren Von der Heydt stelden zich voor het ontbrekende bedrag garant. Maar op de vraag van Kohlbrugge of het geld onmiddellijk beschikbaar was, moesten zij hem ontwijkend antwoorden. Dit plan werd daarom ook afgewezen. Kohlbrugge wilde zich niet al te zeer binden aan deze twee broeders, omdat de gemeente dan erg afhankelijk van hen zou worden.

Uiteindelijk werd gekozen voor het bouwen van een eenvoudige kerk met de volgende afmetingen: 80 voet lang, 50 voet breed en 34 voet hoog. Op het dak zou een kleine klokkentoren geplaatst worden.

Bouwmeester

De bouw werd opgedragen aan een "eerlijke Elberfelder bouwmeester", verschillende gemeenteleden zouden hem bijstaan. De eerste week van november werden de nodige zaken nog besproken en op 9 november volgde de eerste werkzaamheden. Deze betroffen het egaliseren van de grond en het aanbrengen van het fundament. Op maandag 11 december werd de eerste steen gelegd, op zaterdag 23 juni legde Kohlbrugge de sluitsteen, het dak was op 13 juli gereed, op 28 september was de bouw achter de rug.

Het interieur van de kerk was eenvoudig, Aan beide zijden van de kerk bevond zich een ingang. Als men binnenkwam, bevond men zich onder de orgelgalerij. In het midden zag men dan een lange rij banken die traditioneel bedoeld was voor het vrouwelijke geslacht. Aan weerszijde was een looppad en links en rechts bevonden zich rijen wat kleinere banken voor het mannelijke publiek. Voor in de kerk stond de preekstoel, die vrij hoog en ruim was. Daarvoor was er een grote open ruimte waar de avondmaalstafel geplaatst werd. Links en rechts van de preekstoel bevond zich een bank, waarvan de ene bedoeld was voor de kerkenraad en de andere voor het gezin van de predikant.

Intreepreek

Een dag later, op 29 september, werd het kerkgebouw in gebruik genomen. Een afvaardiging van de regering, de heren Dittmar en Melbeck, woonde de dienst bij. Achthonderd mensen waren aanwezig. Vertegenwoordigers uit de plaatselijke gereformeerde gemeente gaven geen gehoor aan de uitnodiging.

In de morgendienst ging Kohlbrugge voor en preekte over Handelingen 4:12: "En de zaligheid is in geen Anderen." In de inleiding van deze preek sprak hij de verwondering en blijdschap uit "dat de God van alle barmhartigheid mij niet heeft beschaamd in al mijne verwachtingen, die ik van den beginne van de bouw tot deszelfs voltooiing van Hem heb gehad." Het zingen van de openingspsalm (118 vers 12, 13 en 14) sprak Kohlbrugge bijzonder aan: "O, hoe heeft uw psalmgezang mij de borst verwijd en de moed verhoogd, om er mede te beginnen: blijmoedig en onverzwakt te getuigen van de Naam van onzen dierbaren Verlosser, van onzen lieven Heere Jezus Christus, van Hem en door Wien wij alles, alles hebben tot lof en prijs van God den Allerhoogsten."

In de avonddienst ging zijn vriend Johannes Wichelhaus voor. Hij had zijn tekst gekozen uit 2 Korinthe 9:8-11. Aan het eind van de preek zei hij: "Die God, Die deze kerk ons heeft gebouwd, zal ons niet beschamen, Die zal ons niet laten verarmen en omkomen, Die zal ons niet laten vergaan, zoo wij ons voor Hem uitstorten, en alles aan Zijne voeten werpen en Hem klagen, dat wij in het geheel niets vermogen."

Heimwee

Kohlbrugge heeft Elberfeld ruim 25 jaar gediend. Het blijft een opvallend feit dat een tegenstander van de Afscheiding zelf een vrije gemeente diende. Er is hierover verschillend geoordeeld. Toch is Kohlbrugge altijd in contact gebleven met de landskerk. Studenten verwees hij altijd naar die landskerken die niet aangesloten waren bij de Union. Toen eens een lid uit zijn gemeente een vergelijking trok tussen de vrije gemeente van Genève en de gemeente van Elberfeld zei Kohlbrugge: "Weet gij wel wat het verschil is tusschen de kerk te Genève en de onze? Zij zijn blijde dat zij niet tot de Staatskerk behooren, maar ik betreur het en zoude gaarne tot deze overgaan, zoo ik maar kon."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1999

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Een Elim in kerkelijk Duitsland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1999

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken