Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Legalisering euthanasie is voortijdig

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Legalisering euthanasie is voortijdig

Patiënt die zal willen dóórleven, moet zich daarvoor wellicht gaan verantwoorden

8 minuten leestijd

Het kabinet-Kok heeft recent het voorstel "Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding" naar het parlement gestuurd. Een omstreden wet, die vanuit ethisch gezichtspunt afgewezen worden. Ik noem kort enkele redenen.

In januari 1997 stelt het kabinet dat op dat moment geen wijziging van het Wetboek van Strafrecht (WvS) dient plaats te vinden. Een van de redenen die het kabinet noemt, is dat de palliatieve zorg en de consultatie vooraf nog niet overal op het gewenste niveau zijn gekomen.

In overeenstemming hiermee vindt het kabinet nu dat euthanasie alleen verantwoord kan plaatsvinden in de context van goede palliatieve zorg. Euthanasie mag in elk geval niet plaatsvinden uit gebrek aan goede zorgvoorzieningen, in zoverre is dat juist.

Zijn in de afgelopen tweeënhalf jaar op dit punt dan zulke grote vorderingen gemaakt dat nu wel een wijziging van het WvS wenselijk is? Wij zijn van mening dat beslist nog niet gesproken kan worden van een voldoende beschikbaarheid en toegankelijkheid van adequate palliatieve zorg, al zijn er op dit punt gelukkig verbeteringen.

Toch verwerpen wij de koppeling tussen palliatieve zorg en euthanasie. Ten eerste omdat goede palliatieve zorg geboden moet worden aangezien we dat jegens patiënten in hun laatste levensfase verplicht zijn en niet slechts om 'voortijdige' euthanasie te voorkomen.

Ten tweede omdat euthanasie als regel niet een goed sluitstuk kan zijn van goede terminale palliatieve zorg. Wanneer euthanasie bij voorbaat als mogelijkheid bestaat, wordt dóórleven ook tot een keuze die de patiënt moet maken en waarvoor hij zich misschien wel moet verantwoorden.

Afwijzing van euthanasie dwingt tot maximale inspanning om die laatste levensfase zo goed mogelijk te doen verlopen. Men wordt ertoe gedwongen om niet alleen de dood, maar ook het sterven onder ogen te zien. De laatste levensfase bepaalt zo bij de fundamentele relationaliteit en de onderlinge afhankelijkheid in het menselijk bestaan. Euthanasie brengt de stervensbegeleiding meer onder het beslag van de rationaliteit die kenmerkend is voor (zorg)techniek en -management.

Zorg voor terminale patiënten stelt onze samenleving voor de vraag of wij de mens zien als waardig en verzorgenswaardig, ook wanneer het leven nog slechts het tegendeel lijkt van het overheersende gezondheids- en gaafheidsideaal.

In dit verband verdient vermelding dat in de Verenigde Staten een commissie van een groot aantal organisaties van zorgverleners (waaronder de artsenorganisatie) legalisering van euthanasie heeft afgewezen als strijdig met de beroepsrol en beroepsethiek van de arts en van andere zorgverleners.

Het lijkt erop dat de grote nadruk die in de medische ethiek in de jaren '70 en '80 op de autonomie van de patiënt werd gelegd, nu uitkristalliseert in onder meer dit wetsvoorstel. Terwijl inmiddels binnen de (medisch-)ethische discussies dat autonomiebeginsel meer gerelativeerd wordt en er meer aandacht bestaat voor zorgethiek. Is dit wetsvoorstel al niet achterhaald voordat het kracht van wet zou krijgen?

Rechtsgelijkheid

Analyse van het huidige voorstel in het licht van de inmiddels gegroeide praktijk van euthanasie leidt tot de volgende conclusies. Ten eerste, de overheid kent aan artsen strafwettelijk het recht toe het leven van andere burgers te beëindigen op grond van persoonlijk gekleurde inschattingen en oordelen over de leefbaarheid van iemands leven en waarbij adequate controle van dat handelen onmogelijk is.

Ten tweede, een commissie van drie personen moet, in een besloten vergadering, op basis van de gegevens die de 'dader' zelf verstrekt, oordelen over de aanvaardbaarheid van het doden van een medeburger, waarbij zij voor hun oordeel aan niemand verantwoording verschuldigd zijn. Dit betekent een inbreuk op de rechtsgelijkheid van alle burgers.

Zelfs als men zou menen dat het in ons rechtsbestel zou kunnen passen dat sommige burgers het leven van anderen kunnen beëindigen wanneer dit op een bij de wet bepaalde en gecontroleerde wijze zou gebeuren, dan nog dient in het licht van de gegroeide situatie het huidige voorstel te worden afgewezen. Het zal namelijk vrijwel zeker niet leiden tot een goed inzicht en adequate controle van het levensbeëindigend handelen. Men moet geen wetten aannemen die niet handhaafbaar zijn.

Niet voor niets heeft in het Verenigd Koninkrijk in 1994 een commissie van het Hogerhuis legalisering van euthanasie afgewezen als strijdig met de fundamentele taak van de overheid om het verbod op opzettelijke levensbeëindiging te handhaven, aangezien dit verbod de hoeksteen is van het recht en van sociale relaties.

In discussies over legalisering van euthanasie zeggen voorstanders: Tegenstanders van euthanasie hoeven dit zelf niet te laten toepassen. Deze redenering is ondeugdelijk.

Ten eerste is het bezwaar tegen een wettelijke aanvaarding van euthanasie gebaseerd op een visie op het leven én op de samenleving. Legalisering van euthanasie verandert de samenleving. Euthanasie komt voort uit een bepaald waardepatroon. Euthanasie bevordert dat patroon in de samenleving.

De inburgering van euthanasie kan in onze samenleving, die gericht is op gezondheid, activiteit en productiviteit, zeer wel aanleiding geven tot een situatie waarin bepaalde groepen van mensen zich gedrongen gaan voelen te 'kiezen' voor euthanasie of hulp bij zelfdoding.

Ten tweede wordt euthanasie uitgevoerd door een arts. Deze behoort tot een bij wet geregelde en geprivilegieerde beroepsgroep, die geacht wordt een publiek belang, namelijk de gezondheid van hun patiënten en de bevolking in het algemeen, te dienen.

Naarmate euthanasie en hulp bij zelfdoding meer en meer tot de 'gewone' praktijk gaan behoren, zal de positie van artsen en verpleegkundigen die hieraan niet willen meewerken, moeilijker worden.

Afgezien van het onrecht dat dit kan inhouden voor tegenstanders van opzettelijke levensbeëindiging, zou een dergelijke ontwikkeling ook het kritische geluid tegen een al meer gewoon worden daarvan verzwakken. Hoe denkt de regering dit te kunnen voorkomen?

Minderjarigen

Tegen de voorgestelde regeling inzake minderjarigen brengen wij de volgende bezwaren naar voren. In de eerste plaats blijkt uit de reacties in de media dat de medische beroepsgroep voor een groot deel geen behoefte heeft aan een regeling die kinderen het recht geeft om euthanasie te vragen.

De regeling sluit verder aan bij de Wet geneeskundige-behandelovereenkomst. Deze wet heeft evenwel betrekking op het gewone medische handelen (artikel 446, lid 2). Door hierbij aan te sluiten wordt op zijn minst gesuggereerd dat ook opzettelijke levensbeëindiging tot het gewone medische handelen behoort. Dit is in strijd met hetgeen de toelichting op de wet enkele malen stelt.

Ten derde moet betwijfeld worden of minderjarigen vanaf 12 jaar in staat zijn hun belangen ter zake te behartigen. Het zal waar zijn dat als regel de ervaring van een ernstige ziekte aanleiding geeft tot een versnelde rijping van de persoonlijkheid en volwassenheid bij kinderen. Toch wil dit naar onze overtuiging niet zeggen dat zij dan ook zonder meer in staat geacht moeten worden de implicaties van een verzoek om levensbeëindiging te overzien. Het is uiterst discutabel om het hebben van een bepaalde ervaring te maken tot grond voor een zeer ver reikend recht. Ervaring met het gebruik van drugs door een minderjarige geeft die toch ook niet het recht om vrijelijk drugs aan te schaffen? En ervaring met autorijden geeft een 17-jarige nog niet het recht al zijn rijbewijs te gaan halen.

Terecht worden op allerlei terreinen minderjarigen in ons land met wettelijke regelingen beschermd, bijvoorbeeld ten aanzien van het aangaan van arbeidsovereenkomsten. Het is dan ook zeer ongerijmd, nu reeds vanaf 12 jaar artsen het recht te geven opzettelijk het leven van minderjarigen op hun verzoek te beëindigen, zelfs zonder instemming van (een van de) ouders.

Tot slot, doordat in deze wet een regeling wordt opgenomen voor minderjarigen die elders in de wet wilsonbekwaam worden geacht, vervaagt

het onderscheid tussen levensbeëindiging wel en niet op verzoek. Dit leidt ertoe dat ook levensbeëindiging bij wilsonbekwame mensen dichterbij komt, zowel qua acceptatie als qua regeling.

Het kabinet stelt op dit punt reeds een regeling in het vooruitzicht. Ook hierbij moet verwacht worden dat welke regeling men ook zal treffen, een adequate controle niet mogelijk zal blijken. Opnieuw stellen we vast dat dit in strijd is met handhaving van de rechtsstaat.

Verklaring

Het onderhavige wetsvoorstel verschaft ook een wettelijke basis voor een euthanasieverklaring. Wilsbekwame patiënten kunnen daarin de wens vastleggen dat, wanneer zij wilsonbekwaam zijn geworden, euthanasie op hen zal worden toegepast.

Weliswaar kan uit een euthanasieverklaring nimmer een rechtsplicht voor de arts voortvloeien tot opzettelijk levensbeëindigend handelen. Maar de druk van de familie kan er wel door versterkt worden.

Een groot probleem hierbij is dat de behandelend arts, eventueel samen met iemand die namens de patiënt optreedt, zal moeten vaststellen wanneer de toestand is ingetreden waarop de euthanasieverklaring duidt. Bovendien zal dan vaak niet meer sprake zijn van een door de patiënt als ondraaglijk ervaren lijden. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat vanuit de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen bezwaar is aangetekend tegen deze wettelijke verankering van een euthanasieverklaring.

Prof. dr. H. Jochemsen is directeur van het Prof. dr. G. A. Lindeboom Instituut. Dit artikel is een verkorte weergave van de toespraak die hij woensdag op de publieksbijeenkomst rond de omstreden wetsvoorstellen in Amersfoort hield.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 oktober 1999

Reformatorisch Dagblad | 48 Pagina's

Legalisering euthanasie is voortijdig

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 oktober 1999

Reformatorisch Dagblad | 48 Pagina's

PDF Bekijken