Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor Pleun Kleijn zweeg ds. Kersten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor Pleun Kleijn zweeg ds. Kersten

Rotterdamse lekentheoloog was wars van eigen kerkelijke organisatie

5 minuten leestijd

Van ds. G. H. Kersten is bekend dat hij zeer gesteld was op orde en regel, zeker als het ging om de eredienst. Verstoring van de kerkdienst vertoornde hem. Behalve als de Rotterdamse lekentheoloog Pleun Kleijn midden onder de dienst ging staan en vanuit de kerkbank het woord nam. Dan luisterde de predikant met aandacht. Van Kleijn kon hij veel hebben, omdat de man echt iets te zeggen had.

Als jongetje ging F. van Holten 's zondags met zijn ouders naar de Eleonorastraat in Rotterdam. Daar hield Pleun Kleijn in een verbouwde paardenzaal dienst. De "geestelijk zeer geoefende" voorganger las preken van oudvaders, waarbij hij van tijd tot tijd het lezen onderbrak om een toelichting te geven vanuit zijn eigen geestelijke ondervinding.

Zijn jeugdherinneringen aan Kleijn heeft Van Holten gebruikt bij het samenstellen van de levensschets van de Rotterdamse lekentheoloog. Nog herinnert de schrijver zich dat de voorganger hem vroeg: "Wat mot je worre, hoog zeker, menister of perfester?"

Kleijn was afkomstig uit de Hoeksche Waard. In 1869 werd hij geboren in Goudswaard, waar hij opgroeide zonder zich veel te bekommeren om de dienst van de Heere. Daaraan kwam een abrupt einde toen hij op 18-jarige leeftijd met twee neefs die dezelfde naam droegen, in Dordrecht moest gaan loten voor militaire dienst. Alle drie de jongens lootten vrij. Op de terugweg gedroeg het drietal zich liederlijk en hieven het lied aan: "Pleun Kleijn gaat nooit verloren". Dat sloeg bij de latere voorganger naar binnen. Hij besefte verloren te zijn door zijn zonden.

Op zoek naar werk trok Kleijn -van beroep metselaar- rond 1900 naar de Maasstad. Onduidelijk is vanaf welk moment hij daar zijn samenkomsten ging houden. Kerkelijk gezien ging Kleijn een eigen weg. Van huisuit was hij hervormd. Gemakshalve rekende men hem tot de oud gereformeerde kring, hoewel hij daar nooit lid is geworden.

De Rotterdamse voorganger was wars van iedere kerkelijke organisatie."Zouden we boven de meeste nieuwe kerken niet (de woorden) kunnen plaatsen: Door twist ontstaan?" schreef Kleijn in een van zijn boekjes. Hij wilde leven vanuit het verdriet over de verdeeldheid van Gods kerk in Nederland. Daarom wenste hij hooguit een kerkelijk onderdak te zoeken dat duidelijk het karakter droeg van een noodwoning. Alle pretenties op het kerkzijn had de groep van Kleijn opgegeven. Tekenend is dat zijn gemeente geen kerkenraad maar een verenigingsbestuur kende. Kleijn was dus ook geen ambtsdrager, geen ouderling, en ook geen oefenaar, al werd hij soms wel zo genoemd. Een gevolg van deze constructie was, dat in de gemeente aan de Eleonorastraat nooit het heilig avondmaal werd bediend. Van Holten stelt zelf de vraag of dit niet een onaanvaardbaar gemis was. Dit soort op- en aanmerkingen vinden we overigens geregeld in het boek terug.

"Ouwe Kosie"

Ondanks dit kerkelijk standpunt onderhield de Rotterdammer goede contacten met predikanten als W. H. Blaak, L. Boone, G. H. Kersten en W. C. Lamain. Zo voegde Kleijn zich op bid- en dankdagen wel onder het gehoor van ds. Kersten. Oud gereformeerde predikanten doopten ook kinderen uit de gemeente van Kleijn. Verder had hij veel contacten binnen gezelschapskringen in Zuid-Holland. Van Holten toont aan dat er veel goede geestelijke contacten bestonden. Vooral in de gemeente van Kleijn kende men elkaar door en door. Als Kleijn Psalm 35:1 wilde laten zingen, kon hij volstaan met te zeggen: "Lane me noggeris zinge ut versie van de ouwe Kosie." (Ouwe Kosie was Jacobus Wensveen, een groentehandelaar, die kennelijk veel te maken had met geestelijke bestrijding).

Broeikassen

Toch kan Kleijn niet verweten worden zich uitsluitend met de eigen geestelijke vriendenkring bezig te hebben gehouden. Dat blijkt zeker uit zijn geschriften, die Van Holten in het tweede deel van het boek bespreekt. In zijn "Overdenking over den toestand van land en kerk" uit 1933 gaat de Rotterdamse voorganger uitvoerig in op de economische crisis. Vanuit een theocratische visie plaatst hij kanttekeningen bij de sociaal-economische ontwrichting. Daarbij komt een veelheid van ontwikkelingen aan de orde, zoals het streven van de Volkenbond, het zogenaamde tweekinderstelsel dat het neomalthusianisme propageert, de macht van de vakbonden en de uitwassen van het kapitalisme. Verrassend is zijn kritiek op de bouw van broeikassen door tuinders. Daarin zag hij iets onnatuurlijks. "God heeft immers elk gedeelte van de aarde zo geschapen dat het zijn eigen producten kan voortbrengen. Hij wil niet dat men dat door kunst of dwaas vernuft van de mens namaakt." Van Holten noemt Kleijn hierdoor een vroege criticus van de idee van de maakbare samenleving.

Naast de aandacht voor de maatschappelijke ontwikkelingen schreef Kleijn ook over de opwas in de genade. Vooral zijn boekje over de vijf zalen van Bethesda is in dit verband bekend geraakt. Elke zaal heeft een eigen naam en duidt op een geestelijke gesteldheid. De naam van de laatste zaal is "Onverbeterlijk". Van Holten geeft in zijn boekje een uitgebreide parafrase van Kleijns geschift.

De levensschets van Kleijn is een aanvulling op de beschrijving van de kleine kerkgeschiedenis in de Maasstad. Wel draagt het boek meer het karakter van herinneringen aan Pleun Kleijn dan dat het een historische levensschets in strikte zin is. Dat blijkt onder meer uit het geringe aantal verwijzingen naar bronnen. Daarbij kan worden aangetekend dat de schrijver de opgenomen verwijzingen in de doorlopende tekst heeft vermeld. Dat doet enige afbreuk aan de compositie. Het noemen van bronnen in voetnoten verdient de voorkeur.

Duidelijk is dat Van Holten vanuit een innerlijke betrokkenheid heeft geschreven. Zijn doel was om Kleijns gedachtegoed meer toegankelijk te maken. Die intentie van Van Holten is toe te juichen. Het taalgebruik van Kleijn zal vandaag de dag niet meer door iedereen begrepen worden. Van Kleijns gemeente is niets meer over. Maar zijn gedrukte woorden hebben ook nu nog actualiteit.

N.a.v. "Pleun Kleijn, de lekentheoloog uit de Sionstraat", door F. van Holten; uitg. De Groot Goudriaan, Kampen, 1999; ISBN 90 6140 693 5; 153 blz.; 24,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 mei 2000

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Voor Pleun Kleijn zweeg ds. Kersten

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 mei 2000

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken