Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Afkeer van de karteldemocratie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Afkeer van de karteldemocratie

Burger blijft geïnteresseerd in politiek, als er maar iets te kiezen valt

7 minuten leestijd

Het opkomstpercentage bij verkiezingen vertoont de afgelopen decennia een gestaag dalende lijn. De vraag is hoe dat verklaard moet worden. Heeft de burger steeds minder interesse in politiek? Even prangend is de vraag welke les we uit die dalende opkomst moeten trekken. Moeten we ons zorgen maken over de kwaliteit van de democratie? Of is er niets aan de hand omdat de burger nieuwe wegen vond om invloed uit te oefenen?

Op deze en andere vragen probeert het vorige week gepresenteerde boek "Politieke veranderingen in Nederland, 1971-1998. Kiezers en de smalle marges van de politiek" een antwoord te geven. Het boek, geschreven door diverse politicologen, is alleen daarom al de moeite waard omdat het zich baseert op het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO), dat sinds 1971 rond elke verkiezing in Nederland gehouden is. Het NKO is de neerslag van uitvoerige gesprekken met burgers over hun politieke betrokkenheid, de achtergronden van hun stemgedrag etcetera. Doordat deze enquête, waarvan de vragen in de kern dezelfde bleven, nu al dertig jaar consequent is gehouden, bevat zij een schat aan informatie over ontwikkelingen in het electoraat op de middellange termijn.

Relativerend

Een van de trends die in het boek "Politieke veranderingen in Nederland" worden gesignaleerd is het dalende opkomstcijfer bij verkiezingen. Deskundigen deden over deze aflopende lijn lange tijd erg relativerend. Het zou op lange termijn bezien niet om een trend, maar om golfbewegingen gaan. Op dit moment echter ziet vrijwel iedereen in dat het opkomstcijfer weliswaar langzaam, maar toch gestaag en consequent daalt.

Vooral na 1986 loopt de opkomst bij zowel de verkiezingen voor de Tweede Kamer als die voor de gemeenteraad, de Provinciale Staten en het Europees Parlement rechtlijnig terug. Kwam in 1964 bijvoorbeeld nog 95 procent van de kiesgerechtigden naar de stembus voor de kamerverkiezingen, in 1998 was dit nog slechts 75 procent. Voor de Europese verkiezingen was in 1979 nog 58 procent van de kiesgerechtigden te porren, in 1999 wist nog slechts 30 procent zich naar de stembus te slepen.

De vraag of dit een betreurenswaardige ontwikkeling is, kan pas echt goed beantwoord worden als duidelijk is wat er achter dat dalend opkomstpercentage schuilgaat. Wendt de Nederlandse burger zich vol afschuw van de politiek af? Interesseert het hem gewoon geen fluit meer wat er op en rond het Binnenhof gebeurt?

Die, enigszins eenvoudige, verklaring is de laatste jaren vaak gegeven. Zij leidde meestal tot beschouwingen over de diepe kloof die ontstaan zou zijn tussen burger en politiek, tussen kiezer en gekozene. De auteurs van "Politieke veranderingen in Nederland" hangen die klooftheorie niet aan, maar doen daarentegen hun best te bewijzen dat burgers nog wel degelijk geïnteresseerd zijn in politiek. Gerekend over de periode 1971-1998 is de politieke interesse van burgers, eenvoudigweg gedefinieerd als nieuwsgierigheid naar politieke zaken, op gelijk niveau gebleven, zo stellen zij.

De dalende opkomst bij verkiezingen -een opkomst die overigens altijd nog hoger ligt dan in veel andere landen- heeft dus niet als oorzaak dat burgers sowieso niet meer geïnteresseerd zijn in het onderwerp politiek. De verklaring voor de daling moet niet gezocht worden in veranderingen bij de burger, maar in veranderingen in de politiek.

Terwijl burgers de afgelopen decennia steeds ontwikkelder, mondiger en zelfbewuster werden en dus steeds beter in staat en bereid om te kiezen, ontwikkelde de politiek zich zodanig dat er steeds minder te kiezen viel. Partijen kropen steeds meer naar het midden en profileerden zich steeds minder ten opzichte van elkaar. Zo bezien is het niet verwonderlijk dat juist ná 1986, als de politieke tegenstellingen steeds meer vervlakken en langzamerhand de weg bereid wordt voor een paarse coalitie, het opkomstcijfer structureel gaat dalen.

Kies de premier

Burgers houden ervan werkelijk iets te kiezen te hebben. In dat licht is het begrijpelijk dat de opkomst in de jaren 1977 en 1986 opmerkelijk hoger lag dan in de jaren daarvoor. Is het bij de meeste kamerverkiezingen zo dat de burger geen enkele garantie heeft dat de grootste partijen ook werkelijk het kabinet gaan vormen, in de twee genoemde jaren lag dat ietsje anders. Partijen maakten toen het zittende kabinet tot inzet van de verkiezingen. De PvdA in 1977 met de slogan: "Kies de minister-president" (te weten Den Uyl) en het CDA in 1986 met de slagzin: "Laat Lubbers zijn karwei afmaken". In die jaren leek er een duidelijke verband te bestaan tussen de stem die iemand uitbracht en het kabinet dat daarna zou aantreden. Dat dat tweede kabinet-Den Uyl er in werkelijkheid nooit gekomen is, is een ander verhaal.

De politicologen die het NKO van de achterliggende dertig jaar hebben geanalyseerd, hebben op hun onderzoeksmateriaal ook een interessant theoretisch model uitgetest. Dat model gaat ervan uit dat in het grootste deel van onze eeuw religie en sociale klasse bepalend waren voor het stemgedrag. In Nederland stemde een rooms-katholiek bijna automatisch KVP, een seculiere arbeider bijna blindelings PvdA.

Daarna komt er, nog steeds volgens dit model, een periode waarin de secularisatie toeslaat, maar waarin veel burgers nog wel op ideologische gronden hun stem uitbrengen. De tegenstelling links-rechts wordt nog belangrijker dan in de jaren daarvoor.

Ideale vorm

De laatste fase in dit model is die van ontideologisering. Burgers laten hun keuzen bij verkiezingen dan alleen nog afhangen van de concrete prestaties van politieke partijen en van bepaalde politieke strijdpunten. Volgens sommige theoretici is dit de ideale vorm van democratie.

De eerste twee fases van dit model kunnen de auteurs in de Nederlandse geschiedenis eenvoudig terugvinden. Is het tijdperk-Den Uyl niet bij uitstek een periode waarin de factoren religie en sociale klasse van steeds minder belang worden, maar waarin de links-rechtstegenstelling juist opvlamt? De derde fase van dit model wil in Nederland echter maar niet aanbreken. Het is nog altijd niet zo dat burgers op grond van een puur zakelijke overweging hun stem geven aan die partij die het ten aanzien van bepaalde politieke strijdpunten het beste heeft gedaan.

Hoe komt dat? Opnieuw voeren de auteurs de eerdergenoemde verklaringen aan: politieke partijen profileren zich steeds minder en de relatie tussen het uitbrengen van je stem en het kabinet dat daarna ontstaat is volstrekt afwezig. Vooral onder paars is ons politieke stelsel verworden tot een karteldemocratie: een politiek systeem waarin tegenstellingen zo veel mogelijk vermeden en gladgestreken worden.

Een belangrijke vraag bij dit alles is hoe ernstig de beschreven ontwikkeling is. Is het wel zo erg dat burgers hun betrokkenheid bij de politiek minder laten blijken door partijlidmaatschap of door het uitbrengen van hun stem? Kunnen we niet gewoon tevreden vaststellen dat veel Nederlanders andere manieren hebben gevonden om van hun betrokkenheid blijk te geven en hun stem te laten horen, namelijk via allerlei actiegroepen zoals Greenpeace, ANWB en Natuurmonumenten?

Pijlers

In het laatste hoofdstuk van "Politieke veranderingen in Nederland" keert de Twentse politicoloog Thomassen zich tegen deze heden ten dage zo populaire opvatting. Hij heeft daar een aantal tot nadenken stemmende argumenten voor. Het eerste is dat politiek Den Haag toch nog altijd de plaats is waar belangrijke besluiten genomen worden over onze samenleving. Hoe lager de opkomst, hoe minder representatief het parlement is dat al die besluiten neemt. Die ontwikkeling knaagt dus onmiskenbaar aan de pijlers van de democratie.

In de tweede plaats zijn al die mondige burgers die zich langs allerlei andere kanalen in onze samenleving roeren, vaak de slimmere burgers en de beter opgeleiden. Ook dit leidt in onze samenleving tot een vorm van ongelijkheid wat de invloed van burgers betreft.

Op deze ontwikkeling moeten we ons, aldus Thomassen, niet verkijken, de gedachte koesterend dat er in onze maatschappij al jarenlang rust heerst. Die rust is schijnbaar. Op dit moment gaat het economisch goed en is er dus voor weinig burgers reden tot protest. Maar als het met de economie minder gaat, bestaat er wel degelijk een risico dat groepen burgers zich gaan keren tegen het systeem als geheel: een systeem waardoor zij zich al lange tijd niet meer vertegenwoordigd voelen. De opkomst van Jörg Haider in Oostenrijk is wat dat betreft een baken in zee, waarschuwt Thomassen.

Mede n.a.v. "Politieke veranderingen in Nederland, 1971-1998. Kiezers en de smalle marges van de politiek", door Jacques Thomassen (red.); uitg. SDU, Den Haag, 2000; ISBN 90 12 08851 8; 255 blz.; 37,10.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 26 juni 2000

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Afkeer van de karteldemocratie

Bekijk de hele uitgave van maandag 26 juni 2000

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken