Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

"Een harp is voor kinderen"

Calvijn en Luther zetten onuitwisbaar stempel op West-Europese muziek

6 minuten leestijd

Dezer dagen klinkt her en der het Lutherlied. De levenslustige auteur ervan hield van zingen en mocht graag naar zijn tijdgenoten Josquin Desprez en Johannes Okeghem luisteren. Maar hield Calvijn wel van muziek? Net als Zwingli bande hij het orgel uit de kerk. Al hadden de reformatoren vooral theologische vragen aan het hoofd, deze mannen lieten de wereld van de muziek intussen niet onberoerd.

"Een schoolmeester moet kunnen zingen, anders kijk ik hem niet meer aan." "Na de theologie geef ik aan de muziek de hoogste plaats en de hoogste eer." Twee uitspraken die Luthers enthousiasme voor muziek niet verbloemen. De Wittenberger musiceerde veel thuis. Een tijdgenoot, Matthäus Ratzeberger, weet te vertellen dat zodra Luther de avondmaaltijd achter de rug had, hij zijn muziekpartijen tevoorschijn haalde om met zijn tafelgenoten muziek te maken.

Luthers muziekliefde is bekend, van Calvijn en Zwingli minder. Zeker Calvijn heeft de naam een kunsthater te zijn. De studeerkamergeleerde zou kunsten als ijdelheid hebben verworpen. Zwingli en hij zorgden er immers voor dat de muziekinstrumenten uit de kerk verdwenen, ook het orgel, en keurden meerstemmige muziek in de kerk af. Maar wie de feiten op een rijtje zet, moet erkennen dat Zwingli een goede amateur-musicus was en dat Calvijn de muziekbeoefening niet alleen zeer bevorderde, maar ook op de West-Europese muziek zijn stempel zette.

Ook al lagen Calvijns gaven niet heel duidelijk op muzikaal terrein, liefde voor muziek had de Geneefse hervormer zeker. Neem wat van zijn uitspraken. In de voorrede van de Psalmbundel uit 1543 schrijft hij: "Onder de dingen die geschikt zijn om de mens te ontspannen en hem grote vreugde te schenken, is de muziek óf de voornaamste óf één der voornaamste, en wij moeten haar in waarde houden als een daartoe bestemde gave van God." En: "Muziek is een grote kracht en macht om het hart van de mensen te ontroeren en in gloed te zetten om God aan te roepen en te loven met een zeer hevig en vurig verlangen."

Zere oren

De reformatoren erkenden dat muziek ook gevaarlijk kon zijn. Met Plato en Augustinus onderkenden ze haar grote emotionele kracht "om de hartstochten van mensen in beroering te brengen en om de zeden van de burgerij in deze of gene richting te wijzigen" (Calvijn), maar uiteindelijk stonden ze positief ten opzichte van muziek. De hervormers hadden van alle kunstuitingen de meeste belangstelling voor muziek. Een voorkeur die ongetwijfeld te maken heeft met de grote plaats die zij in de eredienst innam.

Tegenover de muziek van hun tijd stonden de mannen -hoe kan het anders- kritisch. Ze betreurden de wereldlijke elementen in de liturgische muziek en de misstanden onder geestelijke en kerkelijke musici. Een kritische houding was echter niet voorbehouden aan figuren als Luther en Calvijn. Girolamo Savonarola had de kunsten als zodanig al aangevallen om hun wereldlijke ijdelheid en humanistisch geleerden klaagden dat het belang dat aan liturgie werd gehecht ten koste van studie ging. Erasmus vond meerstemmige muziek nutteloos ingewikkeld, gezongen teksten onbegrijpelijk en zijn oren deden pijn van de luide instrumenten. Muziek leidde maar af van de preek.

Waren deze oordelen vooral praktisch, esthetisch of moreel van aard, de reformatoren benaderden muziek en eredienst vooral theologisch. Na Gods Woord was zij voor Luther de belangrijkste buitengewone gave van God. Muziek en Woord beschouwde hij als dienaar en meester. Bij Calvijn was het net zo: muziek is een gave van God, die tot eer van God is. Al was Zwingli een muziekliefhebber, hij beschouwde muziek als een belemmering voor de ware aanbidding van God; die gebeurt niet luid gezongen, maar door persoonlijk, inwendig en stil gebed.

Kinderachtig

Al hebben Luther en Calvijn eenzelfde uitgangspunt, hun uitwerking verschilde. Luther wilde muziek op elke manier gebruiken, als die het Evangelie maar zou dienen, Calvijn zag meer beperkingen. De laatste bracht een duidelijk onderscheid tussen woord en melodie aan. Hij wees muziek niet af, maar hechtte aan de tekst meer betekenis.

Dat gold vooral voor de erediensten; de melodie mocht de tekst niet overschaduwen. Calvijn keurde meerstemmige muziek in eredienst daarom af. Ook muziekinstrumenten, het orgel incluis, leidden de aandacht maar af. Instrumentale muziek hoorde bij het Oude Testament: "God heeft niet gewild dat men de harp zou bespelen, alsof Hij naar de wijze der mensen behagen schiep in de melodie, maar omdat de tijd der volkomenheid nog niet was gekomen, en zo heeft hij de Joden onder deze kinderachtige beginselen gehouden", schreef hij radicaal in zijn Psalmencommentaar (Psalm 92). "Laten wij dus vasthouden dat die instrumentale muziek naar de wijze van die tijd en van het volk toegelaten zijn, omdat zij waren als kinderen (...), die aan de kinderlijke beginselen behoefte hadden, die men nu niet eigener beweging terug moet roepen" (Commentaar 1 Sam. 18). Calvijns ideaal was dat de gemeente in de eigen taal zong -liefst psalmen-, uit het hoofd, als één stem en onbegeleid.

De Geneefse reformator dankt zijn stempel als anticultuurman ongetwijfeld deels aan deze opvattingen en aan het feit dat hij muziek zonder woorden als een vorm van tongentaal beschouwde. Toch leverde hij een grote bijdrage aan de muziekbeoefening in en na zijn eigen tijd. Buiten de eredienst was zijn houding opvallend royaal. Wereldlijke muziek wees hij niet af; zij moest alleen de goede zeden niet bederven of het zondige in de mens oproepen. Hij bevorderde juist meerstemmige muziek buiten de eredienst en zorgde er bijvoorbeeld voor dat kinderen op school elke week vier uur zangles kregen. De psalmen moesten mooi gezongen worden.

Haarlemse meisjes

Door toedoen van Zwingli was in 1525 in de Grossmunster in Zürich geen muzieknoot meer te horen, maar Luther en Calvijn leverden een constructieve bijdrage aan de kerkmuziek. Was voor de Reformatie het gregoriaans gezang in kathedralen, dorpskerken, kloosters en kapellen te horen, de reformatoren zorgden ervoor dat de gemeente zelf mocht zingen, in de eigen taal. Er ontstond een overvloed aan geestelijke muziek; niet alleen voor kerkelijk gebruik, maar ook voor gezins- en onderwijsverband.

Luther schreef tal van Duitse gezangen. Hij aarzelde niet wereldlijke melodieën te annexeren: liefdesliedjes, volkswijsjes en kunstliederen. De Wittenberger kende de muzikale schatten van het verleden en van zijn tijdgenoten. Hij wilde zo veel mogelijk van de bestaande liturgische gezangen en vormen behouden als hij met zijn reformatorische inzichten in overeenstemming kon brengen, gaf ze teksten in de volkstaal mee en maatsoorten en ritmes die daarbij zo veel mogelijk pasten. Hij maakte gebruik van koor en instrumenten, handhaafde de Latijnse koormis en incorporeerde katholieke motetten.

Calvijn ontwikkelde op zijn beurt een unieke vorm van metrische psalmen en stond aan de wieg van het Geneefs Psalter (1562). Het is ongetwijfeld op zijn conto te schrijven dat de psalmen in heel Europa enorm populair werden en dat jonge meisjes tijdens het beleg van Haarlem in 1572-'73 op de wallen psalmen zongen, terwijl ze met veel animo hielpen bij de versterking van de verdedigingswerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 31 oktober 2000

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 31 oktober 2000

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken