Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In de voetsporen van de

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In de voetsporen van de "Domme Beer"

Voor en na nacht van Kersten was gezantschap bij Vaticaan omstreden bezit

6 minuten leestijd

De nacht van Kersten, dat hoogtepunt uit de parlementaire geschiedenis van de SGP, voltrok zich vandaag precies 75 jaar geleden. Het onderwerp dat die nacht centraal stond, het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan, blijft actueel: een deel van de D66-achterban bepleit nu ook de afschaffing ervan. Dat gezantschap is voor Nederland eigenlijk altijd al een onrustig bezit geweest.

De SGP, in 1918 opgericht, zat nog maar drie jaar in de Tweede Kamer toen zij geschiedenis schreef door een maandenlange politieke crisis in te luiden. In 1925 was het eerste kabinet-Colijn aangetreden, een coalitie van twee protestantse partijen (de ARP en de CHU) en de Rooms-Katholieke Staatspartij. De SGP-fractie was dat jaar met één zetel versterkt, wat ertoe had geleid dat ds. P. Zandt naast ds. G. H. Kersten in de groene kamerbankjes had plaatsgenomen.

In november 1925 verdedigde minister Van Karnebeek van Buitenlandse Zaken zijn begroting. Toen na middernacht de uitgaven van de diplomatieke dienst aan de orde kwamen, diende ds. Kersten een amendement in om het Nederlandse gezantschap bij de paus weg te bezuinigen. De nieuwe samenstelling van de Kamer gaf hem de hoop, zo zei hij, dat het voorstel tot wetswijziging zou worden aangenomen.

Het gezantschap dat de SGP zo'n doorn in het oog was, was tijdens de Eerste Wereldoorlog opgericht. Het vrijzinnige minderheidskabinet-Cort van der Linden had in 1915 bepaald dat Nederland belang had bij een "luisterpost" bij het Vaticaan. Het Vaticaan was in die dagen het verzamelpunt van diplomaten en staatslieden uit tal van landen. Het neutrale Nederland moest zich daar op de hoogte stellen van de ontwikkelingen in de wereldpolitiek. Om de gevoelens van de protestanten te ontzien, bepaalde het kabinet dat de post slechts tijdelijk zou zijn.

Nekslag

Maar de post bleef ook na 1918 gewoon bestaan, ondanks pogingen van vooral CHU-leider A. F. de Savornin Lohman om het gezantschap op te heffen. Linkse fracties en de ARP waren zijn tegenspelers; bovendien stond de eerste rooms-katholieke premier van Nederland, Ruijs de Beerenbrouck, in die jaren aan het roer van de Nederlandse staat.

Omdat de verkiezingen van 1925 belangrijke verschuivingen op het politieke speelveld hadden opgeleverd, zag Kersten in 1925 zijn kans schoon. Hij voerde drie argumenten aan voor zijn poging 'Rome' een slag toe te brengen. Hij erkende dat de post van diplomatieke waarde was, maar voegde daaraan toe dat principiële bezwaren voor hem zwaarder wogen. Uiteindelijk ging het hem erom dat de opheffing van de post een nekslag voor de coalitie zou zijn, de samenwerking tussen protestanten en roomsen die hij als de grootste bedreiging voor het welzijn van het "calvinistische Nederland" beschouwde.

Kerstens politieke gevoel bleek een goede raadgever, want daags na het debat werd zijn amendement -onder grote publieke belangstelling- met 52 tegen 42 stemmen aangenomen. De vier rooms-katholieke ministers van het kabinet dienden daarop hun ontslag in bij de Koningin: het kabinet-Colijn, nog maar net aangetreden, was gevallen. Een regelrechte politieke crisis was het gevolg, want gedurende de komende vijf maanden zouden maar liefst zeven formatiepogingen mislukken. Uiteindelijk trad dankzij koningin Wilhelmina het kabinet-De Geer aan, dat de post bij de paus ophief.

Ongerijmdheid

Alhoewel de nacht van Kersten met hoofdletters in de annalen van de parlementaire geschiedenis genoteerd staat, was Kersten niet de eerste die erin slaagde de regering tot opheffing van de luisterpost te dwingen. In 1871 was het een liberaal die dat lukte en ook hij schreef daarmee geschiedenis, want zijn actie maakte een einde aan de jarenlange, broederlijke samenwerking tussen liberalen en rooms-katholieken.

De man die deze breuk op zijn geweten heeft, was de Deventer burgemeester G. Dumbar, die zich de bijnaam "Domme Beer" verwierf. Op 15 november 1871 stelde hij vast dat de paus als gevolg van de inlijving van de kerkelijke staat door de Italiaanse troepen onder leiding van vrijheidsstrijder Garibaldi, in feite geen wereldlijke macht meer bezat. Voor een land als Nederland, "waar scheiding van kerk en staat bestaat", is een diplomatieke missie bij "zoodanig kerkelijk opperhoofd" een "ongerijmdheid", betoogde Dumbar. Ondanks het gejammer van de katholieken nam de Kamer zijn amendement met 39 tegen 33 stemmen aan.

Zoals Cort van der Linden het gezantschap in de Eerste Wereldoorlog herstelde, zo deed ARP-premier Gerbrandy hetzelfde tijdens de Tweede Wereldoorlog, ondanks de bezwaren van koningin Wilhelmina. Het belang van een luisterpost werd opnieuw als argument aangevoerd.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn er nog herhaaldelijk pogingen gedaan het gezantschap weer opgeheven te krijgen. Ds. Zandt probeerde het in 1946, vanuit de gedachte dat Nederland als "nazaat van de Hervorming" zijn geschiedenis niet mocht verloochenen noch de wereldlijke pretenties van de paus erkennen. Zandts amendement werd echter met 65 tegen 9 stemmen verworpen. Vóór stemden alleen de SGP- en CHU-fractie en het protestantse PvdA-kamerlid Scheps, die actief was in een protestantse werkgroep binnen de PvdA.

Omdat een nieuwe poging bij voorbaat kansloos was, zag Zandt er in 1947 van af. De SGP'er Van Rossum heeft het in 1975 en 1982 nog een keer geprobeerd, een combinatie van religieuze en financiële argumenten aanvoerend. Van Rossum stelde voor om de ambassade in Rome en het ge- zantschap in Vaticaanstad samen te voegen. Maar ook hij kreeg geen bijval.

De laatste die het tot nog toe heeft geprobeerd de post opgeheven te krijgen was het PvdA-Tweede-Kamerlid (thans senator) E. Jürgens. In december 1991, kort na de val van de Muur dus, moest hij vaststellen dat de Nederlandse regering geen geld had om een ambassade in een van de Baltische staten te openen. Jürgens (ex-rooms-katholiek) vond dat een schandaal en informeerde langs zijn neus weg bij de toenmalige (rooms-katholieke) minister van Buitenlandse Zaken, de CDA'er Van den Broek, wat die post bij het Vaticaan eigenlijk kostte. De CDA-fractie verklaarde hem echter direct de heilige oorlog, waarop de socialist schielijk een knieval voor de paus maakte.

Sindsdien is het stil gebleven rondom dit onderwerp, maar nu melden D66'ers zich aan om het kunststukje van ds. Kersten te herhalen. Een deel van de achterban van deze partij, aangevoerd door europarlementariër Van der Laan, vindt dat Nederland door zijn diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan aan het rooms-katholieke geloof een hogere status toekent dan aan andere religies. En dat is in strijd met de gelijkwaardigheid van alle levensbeschouwingen.

Deze opvatting is neergelegd in een motie die zaterdag op het D66-congres in stemming wordt gebracht. Of die motie wordt aangenomen en of de D66-fractie in de Tweede Kamer vervolgens -evenals ds. Kersten in 1925- in de voetsporen van de "Domme Beer" zal proberen te treden, valt nog te bezien. Maar als zij een poging wagen, zullen de politieke nazaten van ds. Kersten de sociaal-liberalen ongetwijfeld volgen: een gelijk standpunt veronderstelt immers niet een gelijke motivering.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 november 2000

Reformatorisch Dagblad | 43 Pagina's

In de voetsporen van de

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 november 2000

Reformatorisch Dagblad | 43 Pagina's

PDF Bekijken