Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zin van het leven niet bepaald door vermogens

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zin van het leven niet bepaald door vermogens

Euthanasieregeling is zowel medisch-ethisch als christelijk-ethisch een probleem

9 minuten leestijd

De Bijbel leert ons dat de mens is geschapen naar het beeld van God (Gen. 1:26; 9:6) De uitdrukking "geschapen naar het beeld van God" geeft in de eerste plaats aan dat de mens is geschapen in een persoonlijke relatie tot God en is geroepen om op aarde Gods vertegenwoordiger te zijn (Gen. 2:15). Dit veronderstelt dat de mens is begiftigd met bepaalde kwaliteiten of capaciteiten zoals denkvermogen, moreel besef of taal.

Als Schepper is God ook Eigenaar en Heer over heel de schepping, ook over de mens, die zich voor zijn handelen tegenover God moet verantwoorden. Dat de mens naar het beeld van God is geschapen als man en als vrouw, houdt in dat de mens een relationeel schepsel is. Met andere woorden, de mens is geen geïsoleerd individu maar is naar zijn aard juist een sociaal wezen, geschapen in relaties die een onvervangbaar deel van zijn bestaan vormen. In het menselijke bestaan is het lichamelijke bestaan ten volle opgenomen. De lichamelijke opstanding van de Heere Jezus, die een garantie is van onze lichamelijk opstanding, bewijst hoe serieus God het lichaam neemt.

De vraag of het leven zinvol is, wordt dan ook niet bepaald door de functies of vermogens. De waarde en de waardigheid van de mens zijn gelegen in het feit dat hij door God geschapen is, en geroepen om te leven in een relatie van liefde tot God, de medemens en de schepping.

Deze zienswijze houdt in dat het leven van alle patiënten volledige bescherming verdient, ongeacht diens lichamelijke conditie of vermogens, dus ongeacht ziekten, lichamelijke of verstandelijke handicaps, psychische stoornissen of dementie. Voor christenen is de kwaliteit van leven geen criterium om te beslissen wiens leven waard is om geleefd te worden, maar een sociale verantwoordelijkheid tegenover degenen die lijden en zorg nodig hebben.

Inbreuk

Tegelijkertijd laat Gods Woord ons zien dat ziekte, lijden en dood door de zonde in het menselijke bestaan zijn gekomen. Ze vormen een inbreuk op Gods oorspronkelijke werk en op Zijn uiteindelijke bedoeling met de schepping. Uit het onderwijs en het voorbeeld van de Heere Jezus hebben christenen de eeuwen door een opdracht verstaan tot zorgverlening aan armen, zieken, gehandicapten en sociaal uitgestotenen. Een opdracht waarin het opzettelijk doden geen plaats kan hebben.

Het is tevens een opdracht die zich van haar beperkingen bewust is. Onze inspanningen heffen de zonde en dus de sterfelijkheid en kwetsbaarheid van het menselijke leven niet op. Daarom moeten ook de grenzen van de medische mogelijkheden tot herstel van gezondheid en behoud van leven worden erkend. Eerbied voor de God van het leven houdt enerzijds in dat het leven van een mens niet opzettelijk mag worden beëindigd (het gaat hier om het gewone menselijke verkeer; ik ga nu voorbij aan noodweer en overheidsoptreden). Het betekent anderzijds ook dat het onvermijdelijke sterven wordt aanvaard en de mens daarbij wordt verzorgd en begeleid, zonder met onevenredige behandelingen te worden belast (het principe van de proportionaliteit).

Soms kan het lijden als gevolg van ziekte of handicap verbijsteren. Maar ook waar God voor ons de Onbegrijpelijke is, mag het geloof eraan vasthouden dat Hij een God is van liefde (zie: Rom. 8:28, 35-39; 1 Kor. 10:13; 13:12). Een liefde die gestalte wil krijgen in zorg en aandacht om al het mogelijke te doen om het lijden draaglijk te houden, aanvaardend dat soms daardoor het sterven wordt verhaast, zonder dat het opzettelijk wordt teweeggebracht (de regel van het dubbele effect).

Rol van de arts

Aanvaarding van euthanasie (en daarbij is begrepen hulp bijzelfdoding) betekent dat de arts niet meer eenduidig staat aan de kant van het leven, maar primair een bestrijder wordt van lijden. In het moderne denkklimaat wordt het in hoge mate aan het individu wordt overgelaten om vast te stellen of die ondraaglijk lijdt. Bovendien heeft de rechtbank recent in het geval-Brongersma aanvaard dat ook lijden zonder medische achtergrond een reden kan vormen om op een euthanasieverzoek in te gaan. De arts dreigt gedrongen te worden in de rol van oplosser van (alle?) lijden, desnoods door te (helpen) doden.

Dit betekent een fundamentele verandering van de rol van de arts, welke zijn positie ambivalent maakt. Deze verandering kent aan de arts een onverantwoord grote macht toe. In dit verband verdient vermelding dat in de VS een commissie van een groot aantal organisaties van zorgverleners (w.o. de belangrijkste artsenorganisatie) legalisering van euthanasie heeft afgewezen als strijdig met de beroepsrol en beroepsethiek van de arts en van andere zorgverleners.

Met die bevoegdheid krijgt de arts weer een soort van religieuze macht. Immers zeggenschap over leven en dood is vanouds alleen toegekend aan met goddelijk gezag beklede instanties, met name de overheid. Het houdt tevens in dat ook het sterven en de dood onderworpen worden aan de rationaliteit van het modern-medische handelen. Stelt u zich voor: de arts deelt de patiënt mee: "Overmorgen om vijf uur zal bij u euthanasie worden toegepast." Het behoeft nauwelijks betoog dat dit in strijd is met Gods Woord. Maar het is ook strijdig met waarden die eeuwenlang het morele fundament hebben gevormd van de westerse cultuur.

Rechtszekerheid

Analyse van het huidige wetsvoorstel in het licht van de inmiddels gegroeide praktijk van euthanasie, hulp bij zelfdoding en levensbeëindiging zonder verzoek leidt tot de volgende conclusie:

a) dat de overheid aan bepaalde burgers, in casu artsen, strafwettelijk het recht toekent het leven van andere burgers te beëindigen op grond van persoonlijk gekleurde inschattingen en oordelen over de leefbaarheid van iemands leven en waarbij adequate controle van dat handelen onmogelijk is.

b) dat een commissie van drie personen in een besloten vergadering, op basis van de gegevens die de 'dader' zelf verstrekt, moet oordelen over de aanvaardbaarheid van doden van een medeburger, waarbij zij voor hun oordeel aan niemand verantwoording verschuldigd zijn.

Dit betekent een inbreuk op de rechtsbescherming van het leven van alle burgers. Deze inbreuk is onverenigbaar met onze rechtsstaat.

Palliatieve zorg

Als herstel onmogelijk is vanuit menselijk gezichtspunt is de taak van de arts nog niet afgelopen. Een dokter moet nooit tegen zijn patiënt zeggen: "Ik kan niets meer voor u doen." Zulke uitspraken maken, dat de patiënt zich eenzaam en wanhopig voelt, en zouden een verborgen of zelfs openlijk verzoek om euthanasie kunnen oproepen. De patiënt dient dan ook in medisch opzicht begeleid te worden tot het overlijden.

Hoewel terminale zorg meer omvat dan medische zorg, kan palliatieve (verlichtende, verzachtende) geneeskunde de patiënt in de laatste levensfase veel bieden. Pijn, angst en ongemak kunnen alle mentale en fysieke energie van een patiënt in beslag nemen, en het onmogelijk maken aan iets anders te denken dan aan de eigen ellende. De uitgebreide mogelijkheden van palliatieve zorg kunnen veelal de terminale patiënt in staat te stellen aandacht te geven aan zijn relaties, te proberen daarin vrede in te vinden, in het bijzonder ook vrede met God.

Goede terminale palliatieve zorg houdt dan ook in dat ook aandacht wordt gegeven aan psychische, sociale en geestelijke problemen, bijvoorbeeld angsten, onrust wegens problemen met familieleden, zorg om familie, de behoefte in het reine te komen met bepaalde mensen of met de Heere God. Het gevolg van dergelijke zorg blijkt te zijn dat slechts zeer zelden een verzoek om euthanasie blijft bestaan.

Met alle waardering voor de extra inspanningen die de overheid levert ten behoeve van palliatieve zorg blijft het een probleem dat de overheid van mening is dat euthanasie het sluitstuk kan vormen van dergelijke zorg. Ik ben het daarmee, samen met zeer velen die in diverse landen in de terminale palliatieve zorg werkzaam zijn, niet eens.

Wanneer euthanasie bij voorbaat als keuzemogelijkheid bestaat dan wordt dóórleven, dus niet om euthanasie vragen, ook tot een keuze waarvoor de patiënt ten minste impliciet moet kiezen en zich misschien wel verantwoorden. Afwijzing van euthanasie dwingt ertoe om niet alleen de dood, maar ook het sterven onder ogen te zien, om met lijden en sterven om te gaan op een wijze die niet wordt gedomineerd door het medische beheersingsstreven, maar waarin de tegemoetkoming aan de behoeften van de stervende, zo dat deze het leven tot het einde kan leven, centraal staat.

Privé en publiek

Zorg voor terminale patiënten stelt onze samenleving voor de vraag of wij de mens zien als waardig en verzorgingswaardig, ook wanneer het leven nog slechts het tegendeel lijkt van het overheersende gezondheids- en gaafheidsideaal.

Palliatieve zorg beantwoordt deze vraag ten principale positief, opzettelijke levensbeëindiging negatief.

In discussies over legalisering van euthanasie zeggen voorstanders zoals bijvoorbeeld minister Borst: "Tegenstanders van euthanasie hoeven dit zelf niet te laten toepassen en het is onterecht wanneer hun bezwaren euthanasie voor anderen onmogelijk zouden maken."

Deze redenering is ondeugdelijk. Ten eerste verandert legalisering van euthanasie de samenleving. De inburgering van euthanasie kan in onze op gezondheid, activiteit en productiviteit gerichte samenleving ertoe leiden dat bepaalde groepen van mensen zich gedrongen gaan voelen te 'kiezen' vóór euthanasie. Aanwijzingen hiervoor zijn reeds waarneembaar. Het gaat dus iedereen aan. Ten tweede wordt euthanasie uitgevoerd door een arts. Deze behoort tot een bij wet geregelde en geprivilegieerde beroepsgroep. De reikwijdte van de bevoegdheden van een arts zijn daarmee onvermijdelijk een publieke zaak die iedereen aangaat.

Naarmate euthanasie en hulp bij zelfdoding meer en meer tot de 'gewone' praktijk gaan behoren zal de positie van artsen en verpleegkundigen die hieraan niet willen meewerken moeilijker worden. De druk om wel mee te werken zal groter worden en het vinden van een baan of vestigingsplaats zal zeer waarschijnlijk moeilijker worden. Ook dit blijkt in de praktijk nu reeds het geval.

Euthanasieverklaring

Het wetsvoorstel dat volgende week in de Kamer aan de orde komt, verschaft ook een wettelijke basis voor een euthanasieverklaring. Wilsbekwame patiënten kunnen daarin de wens vastleggen dat, wanneer zij wilsonbekwaam zijn geworden en in een bepaalde door hen onwenselijk geachte toestand komen, euthanasie op hen zal worden toegepast. Weliswaar kan uit een euthanasieverklaring nimmer een rechtsplicht voor de arts voortvloeien tot het opzettelijk levensbeëindigend handelen. Maar de druk van de familie om bij dementie tot levensbeëindiging over te gaan kan er wel door versterkt worden.

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk, dat vanuit de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen bezwaar is aangetekend tegen deze wettelijke verankering van een euthanasieverklaring.

Dit is de hoofdlijn van het betoog dat prof. dr. ir. H. Jochemsen gisteravond hield op de landelijke bijeenkomst tot bezinning en gebed in Veenendaal. Gisteren verscheen het artikel in het weekblad De Wekker.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 november 2000

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

Zin van het leven niet bepaald door vermogens

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 november 2000

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

PDF Bekijken