Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het raadsel van de menselijke ziel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het raadsel van de menselijke ziel

Jung zocht zijn eigen weg in gevecht met zijn leermeester Freud

12 minuten leestijd

Hoe interessant en spannend briefwisselingen kunnen zijn, laat de kortgeleden in het Nederlands gepubliceerde correspondentie tussen de psychoanalyticus Sigmund Freud (1856-1939) uit Wenen en zijn beoogde erfgenaam en kroonprins Carl Gustav Jung (1875-1961), de domineeszoon uit Zürich, zien.

Uit de in totaal 360 brieven die tussen de beide denkers over de menselijke psyche werden gewisseld, is voor deze editie een waardevolle selectie gemaakt die alle fases van de samenwerking, de vriendschap en de latere verwijdering uitstekend documenteert. De eerste brief is van 11 april 1906. Daarin bedankt Freud Jung voor het toezenden van een van zijn geschriften. De laatste brief (afgezien van een formeel, incidenteel schrijven uit 1923) is van 27 oktober 1913. Jung zegt Freud daarin de vriendschap op en verbreekt op resolute wijze alle contact.

Wie belang stelt in de lotgevallen van de psychoanalyse gedurende de twintigste eeuw vindt in deze brieven het prachtigste materiaal. Spannend zijn de brieven omdat van meet af aan een bepaalde irritatie aan de kant van Jung speurbaar is. Hij hult zich aanvankelijk in een houding van nederigheid tegenover de grote leermeester Freud, maar onder de oppervlakte van gehoorzaamheid en zelfs kruiperigheid is een bepaalde mate van verzet duidelijk voelbaar.

Bruut

Die mengeling van slaafsheid en rebellie maakt een vreemde indruk. Vermoedelijk is Jung in 1913 zo boos geworden over zijn eigen gedrag tegenover Freud dat hij alle hoffelijkheden overboord kiepert en Freud op brute wijze door elkaar tracht te rammelen. Hij had zich immers in de jaren daarvoor de vaderlijke liefde van Freud gaarne laten welgevallen.

Op 16 april 1909 schrijft Freud al aan Jung: "Het is opmerkelijk dat op dezelfde avond waarop ik u plechtig als oudste zoon adopteerde, u tot opvolger en kroonprins zalfde, dat u mij toen tegelijk van de vaderlijke waardigheid beroofd hebt." Freud doelt hier op een parapsychologisch experiment dat Jung in Freuds werkkamer in Wenen demonstreerde. De kern van de verwijdering tussen Freud en Jung ligt echter niet in de parapsychologie en het occulte, maar in de betekenis die ieder van hen op zijn eigen wijze ter verklaring van het menselijk gedrag aan de libido, de geslachtsdrift, het geheel van seksuele driften, toekent.

Koninklijke weg

In 1900 had Freud zijn inmiddels klassiek geworden boek over de droomuitlegging ("Die Traumdeutung") gepubliceerd. Hij beschouwde dit werk als zijn belangrijkste publicatie. Hierin analyseert hij de droom vanuit allerlei verschillende gezichtshoeken. De belangrijkste daarvan is de beschouwing van de droom als de koninklijke weg naar het onbewuste van de mens.

Van de betekenis van de droom voor het peilen van het onbewuste van de mens was ook Jung volledig overtuigd. Maar Jung zag in de loop van zijn werkzame leven als directeur van een kliniek in Burghölzli bij Zürich in toenemende mate dat zich in dat onbewuste van de mens mythische elementen bevonden die niet vanuit de ontwikkeling van de seksualiteit bij het kind te verklaren waren. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Freud alles deed om Jung vast te houden en een eventueel venijn in diens brieven met humor wist te verzachten. Maar Jung had schoon genoeg van de Freudiaanse denkpatronen en trachtte Freud daar te raken waar hij het kwetsbaarst was, namelijk in de verhouding tot zijn leerlingen.

Hier is de integriteit in het geding. Op 18 december 1912 schrijft Jung: "Mag ik enkele ernstige woorden tot u richten? Ik erken mijn onzekerheid tegenover u, maar ben geneigd me op eerlijke en absoluut fatsoenlijke wijze te blijven gedragen. Als u daaraan twijfelt, komt dat voor uw rekening. Ik wil u er echter opmerkzaam op maken dat uw techniek om uw leerlingen als uw patiënten te behandelen, een misgreep is. Daarmee kweekt u slaafse zonen of brutale vlegels (Adler-Stekel en heel de brutale bende die zich in Wenen op de borst klopt). Ik ben objectief genoeg om uw truc te doorzien."

Slaafs

Of de uitdrukking "truc" terecht was daargelaten, Jung was inderdaad al te lang slaafs geweest en daar ergerde hij zich over. Maar vanaf de breuk met Freud zou hij zich hoe langer hoe meer in zijn eigen richting ontwikkelen. Van die eigen gedachten over het onbewuste en de ontwikkeling van de menselijke cultuur leggen enkele omvattende studies getuigenis af die eerder dit jaar in een Nederlandse vertaling uitkwamen. Het gaat om "Psychologie en Religie", "De scheppende mens" en "Synchroniciteit"."

Jungs eigen weg betekent niet dat Freud daarbij geen rol meer speelt. Integendeel! In al deze geschriften duikt Freud steeds weer op, vooral als vertegenwoordiger van opvattingen die tegengesteld zijn aan die van Jung zelf. Sympathiek aan "Psychologie en Religie" is het zoekende karakter ervan. Jung is niet bang om zijn aarzelingen en tekortkomingen te laten zien. Zo is het helemaal niet zeker wat de menselijke psyche nu in wezen is en waar zij zetelt. Aan de andere kant weerhoudt hem de twijfel er niet van om zich bij zijn gedachten op de waarneming te beroepen. Hij spreekt van de "fenomenen" waartoe hij zich wil beperken. Deze beperking kent dan toch een stevige kennistheoretische basis.

Absoluutheid

Jung pretendeert dat hij de religie beschrijft en analyseert vanuit het bestaan van bepaalde feiten, dat wil zeggen van ideeën van religieuze aard, zoals bijvoorbeeld het geloof dat Jezus Christus uit de maagd Maria geboren wordt. Over de waarheid of de onwaarheid van deze overtuiging wil Jung geen uitspraak doen. Hij heeft aan het fenomeen genoeg. Althans, dat lijkt zo. In zijn studie gaat hij in weerwil van zijn intentieverklaring toch een behoorlijke stap verder. Hij noemt God "de sterkste psychische positie." Hij reserveert dus de naam God voor al datgene waaraan de mens het karakter van absoluutheid verleent: "De sterkste en daarom beslissende factor van de individuele psyche dwingt namelijk altijd dat geloof, die vrees, onderworpenheid en toewijding af, die een god van de mensen zou kunnen eisen. In deze zin is het overheersende en onontkoombare "God"."

Het cruciale punt van Jungs redenering is dat de bron van de godsdienst in de mens zelf wordt gelegd. Iedere godsdienst is vanuit deze optiek de uiting van een psychische toestand. Hier is ook duidelijk sprake van een normatief standpunt. Jung is namelijk van mening dat de goden, zoals natuurvolkeren die in bomen, dieren of bergen vereren, projecties zijn die moderne mensen niet kunnen overnemen. Toch zijn die goden belangrijk en niet als "illusie" te bestempelen, zoals Freud deed. De goden zijn volgens hem van groot belang voor de heelheid van de mens, het zijn beelden voor de diepten van de menselijke ziel.

Het psychisch evenwicht van de mens dreigt verstoord te raken wanneer deze beelden geen erkenning ontvangen. Dan dreigen de chaos en de tirannie in de samenleving. Belijdende christenen zullen het laatste beamen en tezelfdertijd vasthouden aan het geloof in God als Schepper buiten de mens die zich in Christus als Verlosser uit de zonde heeft geopenbaard.

Parallellen

Jung houdt zich verre van iedere afwijzing van de belijdenis (of van het dogma, zoals hij het uitdrukt). Hij erkent de waarde van geloofswaarheden. Maar die erkenning is gegrondvest op zijn inzichten in de aard van de menselijke ziel. Omdat daar het zwaartepunt ligt, is het hem vervolgens mogelijk om vanuit culturen van duizenden jaren her, in het bijzonder vanuit Aziatische godsdiensten en levensbeschouwingen parallellen met christelijke voorstellingen aan te dragen. Wanneer het onbewuste van de mens op een bepaalde manier functioneert, via impulsen die in de zogenaamde archetypen gestalte aannemen, is het een logische stap van de Bijbel naar allerhande andere geschriften van religieuze aard.

Het centrale begrip archetype keert terug wanneer het Jung om de benadering van de scheppende mens gaat. In zijn verzameling opstellen "De scheppende mens" (uit de jaren 1929 tot 1969) behandelt hij onder meer de grote renaissancemens Paracelsus, Nietzsche, Picasso, James Joyce en zijn "Ulysses", Richard Wilhelm en Sigmund Freud. De twee stukken over Freud zijn zeer inzichtgevend voor de afstand die Jung na de breuk ten opzicht van Freud inneemt. Hij acht "de leer van de verdringing van de seksualiteit" bij Freud cultuurhistorisch bepaald en reductief van aard. Hij veronderstelt eveneens een negatieve instelling bij Freud tegenover culturele waarden. Curieus is het verschil in Jungs waardering van Freuds interpretatie van Leonardo da Vinci's schilderij "Anna te Drieën" in 1910 en in 1932!

Dagdromen

Voor Jungs inzichten is het opstel "Over de betrekkingen tussen de analytische psychologie en het literaire kunstwerk" van het grootste belang. Ook hier formuleert hij een aan dat van Freud tegengesteld standpunt. Terwijl Freud de creativiteit als "dagdromen", als het scheppen van een surrogaat voor een onbevredigende werkelijkheid uitlegt, legt Jung de nadruk op het bereiken van een typische situatie door de scheppende mens. In die typische situatie worden de instinctieve krachten in de mens losgemaakt en komt de mens op een plaats waar de gewone bewuste wil hem/haar nooit zou hebben gebracht: "De actiefste idealen zijn steeds min of meer doorzichtige varianten van een archetype."

Deze archetypen zijn oervoorstellingen, bezinksels in onze ziel die op cruciale momenten kunnen worden losgewoeld uit hun diepe bestaan: "Wie in oervoorstellingen spreekt, spreekt als met duizend stemmen. Hij ontroert en overweldigt, en tegelijk verheft hij datgene waarover hij spreekt uit het eenmalige en vergankelijke naar de sfeer van het steeds zijnde. Hij verheft het persoonlijke lot tot het lot van de mensheid, en daardoor maakt hij ook in ons allemaal de hulpvaardige krachten los die het de mensheid steeds opnieuw mogelijk gemaakt hebben om zich uit alle gevaar te redden en zelfs de langste nacht te doorstaan."

In "De scheppende mens" en in de andere werken van Jung valt regelmatig de naam Nietzsche. Het lijdt geen twijfel dat Jung -in tegenstelling tot Freud- zeer sterk de invloed van deze denker (eveneens domineeszoon) Friedrich Nietzsche heeft ondergaan. Nietzsche heeft veel kapotgemaakt, vooral in zaken van het geloof in Jezus Christus. Maar het valt niet te ontkennen dat hij allerminst laf was en dat hij allerlei verstarde, levenloze denkbeelden van zijn tijd met elan en veel humor te lijf is gegaan. De moed tot weerbarstig denken was voor Jung zowel in Freud als in Nietzsche belichaamd. Hun voorbeeld, hoezeer ook gerelativeerd, verschafte hem de ruimte om langs ongebaande wegen te denken.

Het duidelijkste voorbeeld daarvan is Jungs boek "Synchroniciteit", waarin hij probeert een psychische samenhang te vinden tussen verschijnselen die zich gelijktijdig in het menselijk leven voordoen, maar waartussen geen verband van oorzaak en gevolg kan worden gelegd. Iedere lezer van deze regels heeft vast wel eens de ervaring gehad verrast te zijn door de gelijktijdigheid van twee gebeurtenissen die niet oorzakelijk met elkaar verbonden zijn. Je kunt bijvoorbeeld over de dood dromen en de dag erna horen dat diezelfde nacht een bevriend iemand is overleden. Zulke parallelle gebeurtenissen nopen tot een andere vorm van denken over de menselijke psyche dan die van de causaliteit. Jung spreekt ook hier de laag in onze psyche aan die "dieper" ligt dan de individuele psyche. Hij zoekt in het collectieve onbewuste met de archetypen de bron van de relatie tussen beide gebeurtenissen.

Astrologie

In "Synchroniciteit" tracht Jung zijn wijze van anders denken te illustreren met voorbeelden uit de astrologie. Ik moet bekennen dat ik dit het minst overtuigende deel van zijn werk vind. De astrologische conclusies berusten op zo veel volstrekt vage vooronderstellingen dat ik niet kan begrijpen dat Jung zich hiermee heeft ingelaten. Hier wreekt zich tevens een stijlkenmerk dat ook binnen het andere werk van Jung prominent aanwezig is. Hij is zo sterk geïnteresseerd in mythologische voorstellingen en levenspatronen van de meest exotische volkeren uit de cultuurgeschiedenis dat zijn voorbeelden een volstrekt ontoegankelijke en in hun vluchtige opsomming ook oppervlakkige indruk maken.

Het lijkt alsof Jung hierbij een overbluffingsstrategie toepast die wat mij betreft een volstrekt tegengesteld effect sorteert. Zijn uitspraken verworden dan tot geheimtaal, tot een esoterisch gebabbel dat op zijn beurt de aanhangers van zijn leer tot denkslaven degradeert. Dat is spijtig, omdat zijn inzichten in de psyche van de mens, wanneer die gebonden blijven aan de observaties uit de eigen psychotherapeutische praktijk, buitengewoon verrijkend zijn.

Carl Gustav Jung heeft soms te veel cultuurhistorisch hooi op zijn vork genomen. Freud zag dat met scepsis aan en formuleerde zijn aarzeling op ironische manier. Ik sluit niet uit dat Jung om die reden met veel fanatisme zijn eigen weg is gegaan, altijd maar in strijd met de schaduw van de oude leermeester en geestelijk vader. Zijn eigenzinnigheid heeft veel rijkdom met betrekking tot de menselijke ziel gedolven.

Maar zijn cultuurhistorische pretenties hebben zijn reputatie binnen de universitaire wereld geknakt en zijn gedachten helaas naar de marge van het eigen C. G. Jung-Instituut in Zürich (en naar uitgeverijen als Lemniscaat) verdrongen. Het moet ons er niet van weerhouden Jung te lezen en het goede te behouden.

N.a.v. "Brieven", door Sigmund Freud en Carl Gustav Jung; uit het Duits vertaald door Paul Beers en Wilfred Oranje; uitg. Lemniscaat, Rotterdam/uitg. Boom, Assen; ISBN 90 5637 2572; 374 blz.; tot 1 jan. 2001 44,50, daarna 54,50.

"Psychologie en Religie", door Carl Gustav Jung; vertaald door E. Camerling en Annelies Hazenberg; inleiding door Hugo van Hooreweghe; uitg. Lemniscaat, Rotterdam; ISBN 90 5637 178 9; 174 blz.; 34,50.

"De scheppende mens", door Carl Gustav Jung; vertaald door E. Camerling, H. Mooyman, Petry de Vries-Ek en O. Kooken; inleiding door Hugo van Hooreweghe; uitg. Lemniscaat, Rotterdam; ISBN 90 5637 179 7; 214 blz.; 34,50.

"Synchroniciteit", door Carl Gustav Jung; vertaald door H. Hamaker; inleiding door Karen M. Hamaker-Zondag; uitg. Lemniscaat, Rotterdam; ISBN 90 5637 100 2; 159 blz.; 34,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 27 december 2000

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Het raadsel van de menselijke ziel

Bekijk de hele uitgave van woensdag 27 december 2000

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken