Bekijk het origineel

Oog voor de onderkant

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Oog voor de onderkant

Sander de Kramer, hoofdredacteur straatkrant: Een dakloze is de hele dag druk

12 minuten leestijd

"Steppen met één been" heet het boekje van Sander de Kramer, hoofdredacteur van Straatmagazine. Achter de symbolische titel schuilt de harde werkelijkheid van dak- en thuislozen. Ze moeten leven van niks. Onmogelijk. Toch vinden ze hun weg. Met vallen en opstaan. Kort na het verschijnen van zijn boekje brak Sander z'n linkerbeen tijdens een partijtje voetbal. Hij zoekt nu zelf strompelend z'n weg. "Sommigen zeggen: Je maakt wel op een heel bijzondere manier reclame voor je boekje."

Rotterdam, Mauritsplaats 24. Pal achter de landelijk bekende Pauluskerk van ds. Hans Visser zetelt de redactie van Straatmagazine, voorheen De Rotterdamse Straatkrant. De omgeving wordt gekleurd door blanke, bruine en zwarte mensen die zingend, zwalkend of juist zwijgend en starend hun weg gaan. Een lach en een traan liggen dicht bij elkaar. Die volkswijsheid gaat hier, op dit stukje Rotterdamse grond, in vervulling.

Sander de Kramer verkeert dagelijks tussen dak- en thuislozen. "Ik hoef de deur van m'n kantoor maar open te zetten en ze staan binnen." Sander praat en drinkt koffie met ze, schrijft over ze en ging afgelopen winter zelfs een week met ze mee de straat op. "Midden in de nacht heb ik de deur van mijn huis achter me dichtgetrokken. Met niks op zak. Ik wilde aan den lijve ervaren wat het is om op straat te leven."

De 27-jarige Sander ontdekte dat in het soms onsmakelijke wereldje van dak- en thuislozen veel smakelijke verhalen de ronde doen. Hij stelde ze te boek in "Steppen met één been". De eerste oplage, 1500 stuks, was binnen een mum van tijd weg. De tweede druk komt eraan. De volledige opbrengst gaat naar de Stichting Straatkrant.

De dertig korte verhalen, soms net columns, lezen als een trein. "Ik heb geprobeerd van anonieme daklozen mensen van vlees en bloed te maken", zegt Sander. "Neem Janneman, een goeie gozer. Steevast elke ochtend trekt hij drie broeken, twee truien en twee jassen over elkaar aan. Op z'n pet, hoed of muts draagt-ie een stoere pilotenbril, aan z'n vingers heeft-ie een stuk of twintig fopspenen en in z'n mond houdt-ie twee kleine keien, omdat dat zo lekker aanvoelt. Met laarzen aan en een loodzware rugzak om stapt Janneman elke dag als een Michelin-mannetje op tramlijn 8. Hij is een wandelend kunstwerk in Rotterdam."

Achter de bizarre outfit van Janneman gaat een even bizar verhaal schuil. Janneman was ooit een veelbelovend figuur in de sportwereld. Hij speelde basketbal en tennis op hoog niveau. De dood van zijn moeder heeft hij echter nooit kunnen verwerken. Janneman gaf overal de brui aan, kapte met z'n vrienden en koos voor het leven op straat.

Sander: "Ik wil alleen nog maar zijn waar ik me thuis voel, vertelde Janneman mij. Nou, hij voelt zich onder andere thuis in de Pauluskerk. Daar is hij veel te vinden. Ooit denkt Janneman nog eens te belanden in de Botlek, om daar tussen de werktuigen en de gevaarlijke stoffen het avontuur te zoeken. Maar voorlopig wil hij nog even doen waar hij goed in is. Helemaal niks, zegt-ie er dan met een schaterlach achteraan. Ik eet, drink, meur, boer, snotter, ruft, speel computerspelletjes en peuter in mijn neus. Dat is Janneman."

De les van Janneman is volgens Sander dat "iedereen dit kan gebeuren. Daklozen zijn ten diepste gewone mensen."

Wat trekt je aan in daklozen?

"Ik heb altijd oog voor de onderkant van de samenleving gehad. Dat sociale heb ik van m'n moeder. Die geeft al jaren zwemles aan blinden en doven en de laatste tijd ook aan kinderen van asielzoekers. Daarnaast vind ik het als journalist een interessante wereld. Daklozen zijn een grijs circuit waar niemand een vinger achter kan krijgen. Deskundigen weten bijvoorbeeld absoluut niet hoeveel daklozen er in Nederland zijn. De een heeft het over 20.000, de ander over meer dan 100.000. Ik ga nu vijf jaar intensief met daklozen om. Ik begin ze te kennen. Ik kan nu een portret van ze maken; dat lukt je niet door één keer een dagje mee te lopen."

Sanders leven leek eerst een heel andere kant uit te gaan. "Ik heb Nederlands gestudeerd aan de universiteit in Leiden, maar daar ben ik halverwege mee gestopt. Ik vond dat er een soort ontmoedigingsbeleid werd gevoerd. M'n scripties waren nooit goed genoeg." Sander ging aan de slag bij een uitgever van modebladen in Maarssen. "Ik had al wat journalistieke ervaring als freelancer bij De Dordtenaar en het Algemeen Dagblad."

Toen in 1995 De Rotterdamse Straatkrant startte, werd Sander hoofdredacteur. Inmiddels heet het blad Straatmagazine en verschijnt het in twee edities: een tweewekelijkse voor Rotterdam en een maandelijkse voor heel Nederland.

Het fenomeen straatkrant, overgewaaid uit Engeland, is Sander uit het hart gegrepen. "Het doel is om daklozen op een eerlijke manier aan hun kost te laten komen. Niet door het stelen van autoradio's, maar door een soort eigen winkeltje te runnen. Ze betalen 1,50 gulden voor de krant en mogen die op straat verkopen voor 2,50 gulden. Van de winst kunnen ze eten en drinken. Ik zeg wel eens: De straatkrant werkt decriminaliserend."

De Rotterdamse editie van Straatmagazine telt 25.000 exemplaren en wordt door zo'n 140 verkopers aan de man gebracht. Ze dragen een legitimatiepas met foto. Kosten: 25 gulden. "Om de paar maanden moeten ze een nieuwe pas komen halen", vertelt Sander. "Zo houden we een beetje toezicht op het bestand." De landelijke editie van Straatmagazine telt 50.000 exemplaren en wordt op dit moment behalve in Rotterdam verkocht in Dordrecht, Leiden en de provincies Limburg en Zeeland.

Met de verkoop van de krant wordt geregeld gesjoemeld. Sander: "Er zijn daklozen die de boel bedotten. Ze halen gratis folders uit de schappen van de schouwburg en verkopen die als straatkrant. Anderen hebben één echte straatkrant, die ze boven op de stapel leggen. Op het moment dat iemand 2,50 gulden betaalt, trekt de verkoper gauw een exemplaar uit de collectie prullaria tevoorschijn. Namaakverkopers zijn volksvijand nummer één van de straatkrant." Met gevoel voor taalhumor: "Misschien moeten we een uitje organiseren naar het hoogste gebouw in Rotterdam en ze daar stuk voor stuk op het dak lozen."

De zeskoppige redactie van Straatmagazine telt vier vrijwilligers, onder wie een ex-dakloze. Hoofdredacteur Sander en een collega hebben een betaalde functie. De verhalen worden meestal geschreven door freelancers, die daar 100 tot 150 gulden per pagina voor krijgen.

De onderwerpen komen vrijwel allemaal uit het circuit leed en ellende, soms met een onverwacht positieve insteek. Zo gaat het laatste nummer van de landelijke editie over een Engelse rechter die per post schaakt met een ter dood veroordeelde man in een Amerikaanse cel, over vreugde en verdriet van straatmuzikanten in de metro van New York, over het loodzware bestaan van Vietnamese steenkoolsjouwers en over de radicale ommekeer in het leven van een crimineel die nu Straatmagazine verkoopt in Rotterdam.

Straatmagazine moet zichzelf bedruipen. Dat maakt de redactie vindingrijk. Sander: "We nodigen regelmatig een bekende zakenman uit een dagje mee te draaien op kantoor. Sommigen gaan dan bellen met hun vrienden of die een advertentie willen plaatsen. Laatst leverde dat 14.000 gulden op één dag op." Aan het eind van de dag beoordeelt de redactie, bij wijze van spel, hoe de zakenman het heeft gedaan. "We maken een soort juryrapport. Tegenwoordig zeggen we aan het begin van de dag dat ze met de verkoop van advertenties veel punten kunnen verdienen..."

Sander is zo geboeid door daklozen dat hij niet alleen een boekje over ze schreef, maar ook een café voor daklozen startte. Elke woensdagochtend om 11 uur staat de deur van het kantoor op de Mauritsplaats open. "Ik zorg voor koffie, thee en shag. Dat laatste is heel belangrijk. Alcohol wordt niet geschonken. Het is altijd druk, maar nooit te vol. Er komen per keer twintig tot dertig bezoekers. Ik luister naar hun verhalen. Als beloning voor hun komst krijgen ze een paar straatkranten cadeau."

"Een gaatje in de omgekeerde agenda van de dakloze", noemt Sander de wekelijkse ontmoetingen. "Een dakloze werkt als de massa vrij heeft. 's Avonds en in het weekend draait hij overuren, doordeweeks is lunchtijd piekuur. Maar om 11 uur niet. Dan is het nog te stil in de stad om zaken te doen. Het perfecte tijdstip voor een gratis bak koffie."

Als Sander al die daklozen om zich heen ziet, voelt hij zich net "vader van een heleboel kinderen, terwijl de meesten míjn vader hadden kunnen zijn."

De ene dakloze is de andere niet. Zijn er groepen te onderscheiden?

"Als er één circuit is met een enorme verscheidenheid aan persoonlijkheden dan is het wel de wereld van de daklozen. Toch kun je ze wel verdelen in globale categorieën. Je hebt een groeiende groep uitgeprocedeerde asielzoekers. Een groep met bijzondere problemen. Als ze op straat een aanrijding zien gebeuren, rennen ze hard weg. Doen ze dat niet, dan lopen ze het risico dat ze moeten getuigen en dan blijkt dat ze hier illegaal zijn.

Daarnaast heb je een groep aan de grond geraakte drugsgebruikers, een paar handen vol ideologische zwervers -de Douwe Dabberts die zelf voor dit bestaan kiezen-, een groeiende groep met een psychiatrische achtergrond en een heel grote groep mensen die kampen met individuele problemen, zoals torenhoge schulden, echtscheiding en een crimineel verleden."

Over welke categorie maak je je de grootste zorgen?

"Over de mensen met een psychiatische achtergrond, omdat die groep snel toeneemt. Ik zie dat als een gevolg van de welvaart. Deze mensen werden in het verleden vaak opgevangen door vrijwilligers in de geestelijke gezondheidszorg. Door de economische voorspoed zijn veel van die vrijwilligers ander, betaald werk gaan doen en kampen we met een groot tekort aan hulpverleners."

Wat is de oplossing?

"Het klinkt hard, maar ik denk een economische recessie. Daardoor zal het vrijwilligerswerk weer toenemen."

Je hebt zelf een week als dakloze geleefd. Hoe voelt dat?

"Je verwacht het niet, maar het is een heel zwaar leven. Je bent de hele dag druk met regelen. Je moet weten waar en wanneer er gratis koffie en broodjes worden uitgedeeld. Je moet je nachtopvang op tijd bespreken. Je moet uitvinden wat de beste plekjes zijn om je straatkrant te verkopen en bij welke winkels je moet zijn om af en toe iets gratis toegestopt te krijgen. En tussendoor moet je nog even snel je kleren wassen bij een van de opvanginstellingen. De agenda van een dakloze staat vol deadlines.

Het is ook een zwaar leven omdat de nachten kort zijn. De meeste opvangplaatsen gaan pas om 23 uur open. Je wordt de volgende ochtend om halfzes al weer gewekt. Je nettoslaaptijd is niet meer dan vijf uur, want met 20, 25 mannen op een zaal gebeurt er natuurlijk wel eens wat."

"Om kwart over zes 's ochtends zit je in het busje dat je loost bij het Centraal Station. Dat is om de overlast voor de buurt te beperken; anders krijg je spandoeken op straat. Maar om kwart over zes zit alles in de stad nog dicht. Moet je nodig plassen, dan kun je niet anders dan een boompje pakken. Daar zit weer een risico aan, want op wildplassen staat een bekeuring van 75 gulden.

Je gaat na een paar dagen muf ruiken, stinken. Je krijgt een hekel aan jezelf. Ronduit vernederend is het bedelen. Dat heb ik ook gedaan. Dan moet je echt een drempel over. Je hand ophouden, aan voorbijgangers vragen: "Meneer, heeft u 2 gulden voor me?" en dan te horen krijgen: "Vieze vent." Je ervaart aan den lijve hoe hard mensen kunnen zijn. Nooit eerder in mijn leven kreeg ik zo vaak nee te horen als tijdens die vijf dagen op straat. Nederland verandert dan in Nee-derland."

Eens maar nooit weer, zo'n ervaring?

"Ik moest na vijf dagen stoppen vanwege m'n werk, maar ik ga zeker nóg een keer de straat op."

Op verjaardagen ontbreekt het meestal niet aan heldere uitspraken over daklozen. Zoals: In een welvarend land als Nederland hoeft niemand op straat te leven. Of: Als iemand aan lager wal raakt, is dat zijn eigen schuld. Wat vind je van zulke stellingen?

"Iedereen in Nederland heeft een mening over daklozen, omdat deze mensen tot de verbeelding spreken. Er bestaan echter veel vooroordelen. De meeste mensen zijn verschrikkelijk eigenwijs als het om drop-outs gaat. Dakloosheid is een probleem dat ons allemaal aangaat. Ik gebruik nog wel eens het voorbeeld van de machinist die mentaal ging kwakkelen nadat hij voor de zoveelste keer meemaakte dat iemand zich voor zijn trein wierp. Het werd hem te veel, zoveel doden onder zijn wielen. Hij raakte de weg kwijt en belandde uiteindelijk op straat. Als ik ooit nog eens in een levensstadium kom dat ik Delfts blauwe tegeltjes met spreuken aan de muur ga hangen, dan is het deze: Dakloosheid is pas echt te begrijpen als je het aan den lijve hebt ondervonden."

Welke invloed heeft de dagelijkse omgang met daklozen op jezelf?

"Vroeger was ik een machofiguur: mooie kleren, flitsende auto, twee keer per jaar op vakantie. Ik ben serieuzer geworden. En zuiniger. Ik kan me nu ergeren aan mensen die hun geld er doorjagen. Als lid van een tennisvereniging moet ik een paar keer per jaar bardienst doen. Ik maak dan mensen mee die met z'n vieren op één avond voor 600 gulden drinken. Dat begrijp ik echt niet. Net zo min als dat iemand een ton voor een auto uitgeeft, terwijl dat ding bij wijze van spreken al de helft minder waard is als je de garage uitrijdt.

Het aardige is dat ook mijn vader wel wat is veranderd door mijn werk. Hij is een succesvolle zakenman en geeft leiding aan de divisie ijstheeproducten van Douwe Egberts. Laatst kwam hij thuis met een heleboel pakken sap van Riedel. Hij zei: Die drinken we toch niet allemaal zelf op, zullen we ze naar de Pauluskerk brengen? We zijn samen in de auto gestapt."

Een paar keer maakte Sander mee dat een straatarme dakloze ineens schatrijk werd. "Gerrit bijvoorbeeld. Op een dag belde hij jubelend op: "Sandertje, ik heb een gigantische smak geld geërfd. Nee, ik zeg niet hoeveel, maar het is een bedrag met vijf nullen. Tussen een ton en een miljoen dus.""

Hoewel Sander hem de erfenis natuurlijk van harte gunde, maakte hij zich tegelijk zorgen. "Het is een bekend gegeven dat iemand die jarenlang hooguit enkele tientjes in z'n broekzak heeft gehad, de grootste problemen kan hebben om verstandig om te gaan met een in zijn schoot geworpen zak geld." Sanders vrees werd waarheid. "Vorige week stond Gerrit bij me op de stoep: Heb je 25 gulden voor me te leen?"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 2001

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Oog voor de onderkant

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 2001

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken