Bekijk het origineel

Krijgsgevangene met de dood voor ogen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Krijgsgevangene met de dood voor ogen

Jaap Oosterhuis hield in Nederlands-Indië vijf jaar lang dagboek bij voor verloofde in Holland

11 minuten leestijd

April 1946. Met twee kratten Coca-Cola arriveert ex-krijgsgevangene Jaap Oosterhuis na vele omzwervingen in de haven van IJmuiden. Drie weken later komt de Amerikaanse drank hem goed van pas, als hij Pieterke van de Dijk een trouwring om de vinger schuift, bijna zes jaar later dan gepland. In mei 1940 gooiden de Duitsers roet in de plannen van het verloofde stel. Voordat de 84-jarige J. J. Oosterhuis op deze bewogen periode terugblikt, citeert hij Klaagliederen 3:22: "Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben." "Die tekst staat als het ware boven ons leven geschreven."

"Wij zijn rasechte Grunningers, uit de klei getrokken", zegt Oosterhuis, terwijl hij in zijn Amsterdamse woning een schaal met Groningse koek en andere versnaperingen op tafel zet. Het is enkele dagen voor de jaarlijkse herdenking van de Japanse capitulatie, 15 augustus 1945. Hoewel hij intussen, met een kleine onderbreking, al bijna een halve eeuw in Amsterdam woont, is de gepensioneerde leraar z'n noordelijke accent niet geheel kwijtgeraakt. Op 5 november 1916 werd hij in Roodeschool geboren als oudste in een gereformeerd gezin dat uiteindelijk vijf kinderen zou tellen.

"Mijn vader was tuinmansknecht. Moeder ging soms uit werken om wat bij te verdienen, opdat de oudste zoon kon studeren", zegt Oosterhuis, die in de jaren dertig naar de kweekschool ging. Daarna kon hij als onderwijzer aan de slag, maar banen lagen in de crisisjaren allerminst voor het oprapen. "Toen ik in de Wieringermeer solliciteerde, waren er 1800 gegadigden. Dat was een record, maar 500 tot 600 was heel normaal. Je had geen schijn van kans om aan de bak te komen."

In 1938 verloofde Jaap zich met Pieterke van de Dijk, door hem kortweg Piet genoemd. "In Nederland zagen we geen toekomst, maar we wilden toch trouwen." Hij solliciteerde bij verschillende scholen in Nederlands-Indië en kreeg vier benoemingen tegelijk. De keuze viel op Bandung, waar de jonge onderwijzer in 1939 terechtkwam. Zijn verloofde zou, zo was de bedoeling, enige tijd later volgen.

Jubelende brief

De ontvangst in Bandung staat Oosterhuis nog helder voor ogen. "De penningmeester van de Vereniging Christelijke Scholen in Indonesië zei: "Hartelijk welkom, meneer Oosterhuis. U bent zich wel bewust dat u met een salaris van 125 gulden in de maand voorlopig niet kunt trouwen. U zult zeker twee jaar moeten wachten." Ik heb het niet gezegd, maar dacht op dat moment: Dat ben ik niet van plan."

Na een halfjaar, in maart 1940, stapte hij naar de notaris en tekende een volmacht voor het huwelijk, waarmee Pieterke in Nederland naar de burgerlijke stand kon gaan. Het paar zou met de handschoen trouwen, waarbij een vriend van Jaap als remplaçant zou optreden. "Eind april kreeg ik een jubelende brief: "Bruidegom, wij zijn in ondertrouw! Op 23 mei gaan we trouwen. Op 16 juni kom ik naar je toe." Dat is de laatste uitvoerige brief geweest die ik in vijf jaar van haar gekregen heb."

Toen op 10 mei 1940 de oorlog in Europa uitbrak, werd alle communicatie tussen de verloofden abrupt verbroken. "Ik kreeg geen post meer en wist niet of ik getrouwd was of niet. Pas vijf jaar later hoorde ik dat het niet was doorgegaan. Toen kreeg ik de eerste uitvoerige brief. Voor die tijd kreeg ik alleen een paar Rode-Kruisbrieven van 25 woorden. De andere brieven zijn door de Jappen verbrand, met de smoes dat ze geen vertaler hadden."

Tijdens de oorlog begon Jaap nauwkeurig een dagboek bij te houden. "Ik had het gevoel: onze levens lopen nu zo uit elkaar, ik moet alles opschrijven wat ik voel, wat ik denk, al mijn vreugde en smart. Alles wat ik kan bedenken om haar straks te kunnen vertellen: Zo is mijn leven geweest. De notities begonnen op 8 december 1941, de dag van de oorlogsverklaring van de geallieerden én van Nederlands-Indië aan Japan. Ik heb het schrijven voortgezet tot zes weken na de Bevrijding."

Witte rijst

Als jonge man onder de 35 jaar werd Jaap krijgsgevangen gemaakt door de Jappen. Hij belandde in Singapore. "Dat was een distributiestation waar we werden gesplitst. Sommigen werden bestemd om aan de Birmaspoorlijn te werken, anderen werden in fabrieken en kolenmijnen in Japan tewerkgesteld. Ik heb twee maanden in Singapore gezeten. De Engelsen waren daar de baas over de keuken. Het klinkt vreemd, maar we hadden het daar vreselijk slecht.

De Engelsen hielden niet van zilvervliesrijst. Twee keer per dag kregen we een handvol witte rijst. Die bevat geen eiwitten, geen vitaminen en geeft niet veel voeding. Velen hebben daar pellagra opgelopen, een van de ergste avitaminosen. Een eminente KNIL-dokter, die zo goed als hij kon voor ons heeft gezorgd, noemde het de ziekte van de drie d's. Het begint met verschrikkelijke diarree. Dan krijg je dermatitis: de huid valt op willekeurige plekken open. Het derde stadium is dementia: je wordt gek. Ik heb de eerste twee fases meegemaakt, de derde gelukkig niet."

Op 2 april 1943 werd Oosterhuis aan boord van de Hawaii Maru naar Japan verscheept. "Ik was in een paar maanden tijd van 90 kilo afgevallen tot 45. Het was een vreselijke reis die drie weken duurde. We zaten met 800 man in een ruim waar er nog geen 200 in konden. Toen we in de haven van Moji aankwamen, werden verschillende doden op de kade gelegd. Ik kon niet meer lopen en werd van boord gedragen. Een goede vriend die achter ons liep merkte dat de Jappen mij voor dood aanzagen en aan de linkerkant wilden leggen. Hij heeft gezegd dat ik nog leefde. Toen is het dubbeltje niet naar links maar naar rechts gevallen. Op dat moment was God in mijn leven."

Doodsbang

Enkele uren later lag Oosterhuis als krijgsgevangene nummer 114 in een houten barak met stro op de grond in hospitaal Kukura. Voor de ernstig zieke patiënt was het een speciale dag. "Het was 24 april. Op die datum was in 1934 onze verkering begonnen. Toen heb ik met trillende lippen gevraagd: Wil je m'n meisje worden? Die dag is altijd belangrijk gebleven in ons leven." Op de gedenkwaardige datum in 1943 dacht Oosterhuis dat hij zou sterven. "De dokter liep bij de patiënten langs. Bij mij bukte hij niet. Tegen de verpleger zei hij: "Daar hoef je niets aan te doen. Hij haalt de morgen toch niet." Ik dacht dat het mijn laatste dag was."

Oosterhuis citeert uit zijn dagboek: "Ik ben bang. Ik durf niet te sterven. Waar ga ik heen? Is er een God? Leeft Hij? Ik schreeuw naar ergens. Woordeloos. Maar ik heb toch belijdenis gedaan, zoals elke goede gereformeerde jongen op 19-jarige leeftijd? In een goede orthodoxe kerk. Ik was toch geslaagd? Ik weet maar één ding. Ik ben bang. Doodsbang." Uiteindelijk vindt Oosterhuis toch rust. "Dan komt Hij om Zijn woord waar te maken, om te zeggen: Hier ben Ik, om rust te geven, eeuwige vrede. Onvoorstelbaar. Nu is het goed. Ik word rustig. Neem afscheid. Dag pa, dag moe, dag Piet. Eenmaal zal ik jullie weerzien."

Het moment van zijn sterven bleek echter nog niet te zijn aangebroken. Tot verbazing van de arts was Jaap de volgende ochtend nog in leven. De patiënt zou zelfs langzaam aan herstellen. "We kregen een nieuwe Japanse verpleger. Die vond het de beste therapie dat we elke ochtend om 5 uur opstonden en drie rondjes rond de barak liepen. Dat was aan de ene kant lachwekkend. Verschillenden vielen na 10 meter al neer. Er waren ook wat hoekjes waarin we ons verstopten."

Na enige tijd werd Oosterhuis naar een kolenmijnenkamp gestuurd, maar hij bleek nog te zwak om te werken. Na een verblijf op een ziekenzaal in een krijgsgevangenenkamp moest hij daar werk verrichten. Vijftien maanden lang. Vervolgens kwam hij nog tweemaal in een ander kamp terecht. "Het laatste jaar zat ik in het slechtste kamp, bij Moji. Daar moesten we als bootwerkers aan de kade laden en lossen. Ontzettend zwaar. Het is een wonder dat ik ook daar doorheen gekomen ben. Ik ben niet de enige die heeft gezegd: De Bevrijding op 15 augustus 1945 kwam net op tijd. Het had geen maand of twee maanden langer moeten duren. Dan waren velen er niet doorheen gekomen."

Capitulatie

Op de dag van de capitulatie van Japan merkte Oosterhuis dat er iets bijzonders aan de hand was. "'s Middags werden we op de binnenplaats bijeengeroepen. De Japanse kampcommandant kwam zelf naar voren en zei: "De oorlog is afgelopen, we zijn vrienden geworden." Het klonk allemaal honingzoet. Er was geen jubelstemming. We waren allemaal murw, onze ziel was kapot. We riepen geen "hoera", bleven staan alsof we het niet konden geloven. Onze gevoelens waren vervlakt."

Twee weken later kwamen de emoties los. "Op 31 augustus, in die tijd Koninginnedag, riep de Nederlandse kampcommandant ons in een klein zaaltje bij elkaar. Uit zijn rugzak toverde hij een Nederlandse vlag tevoorschijn en we begonnen het Wilhelmus te zingen. We zijn maar halverwege gekomen. Toen stonden we allemaal als kleine jongens te huilen." Het duurde daarna nog bijna twee weken voordat Oosterhuis het kamp kon verlaten. Op 13 september reisden de krijgsgevangenen per trein naar Nagasaki, dat een maand eerder door een Amerikaanse atoombom vrijwel geheel was verwoest.

"Ik zag een stad, zo doods, zo plat, zo troosteloos als ik nog nooit had gezien. We hadden nauwelijks door wat er gebeurd was, hadden alleen vaag van een atoombom gehoord." Op een groot Amerikaans hospitaalschip kon Oosterhuis enigszins aansterken. "Na een week was ik in staat om per boot verder te reizen naar Okinawa. Daarvandaan gingen we met vliegtuigen verder. Het waren ontmantelde B-25's en B-29's. De mitrailleurs waren eruit gehaald, maar de gaten zaten er nog in. Er waren geen banken, dus we zaten mannetje aan mannetje op de grond."

Bruiloft

In Manilla, op de Filipijnen, ontvingen Amerikanen de groep. "Daar ben ik drie maanden lang met liefde verzorgd en weer een beetje bijgekomen. In die tijd ben ik begonnen mijn dagboek geheel over te schrijven. Tot dat moment had ik verschillende schriftjes en kleine vodjes gebruikt. Ik heb toen alles naar Pieterke gestuurd en ze heeft het vrij spoedig ontvangen." Intussen wachtte Oosterhuis tevergeefs op bericht vanuit Nederland. Pas toen hij in december 1945 op Borneo zat, trof hij in de bakken "onbestelde post" twee volledige brieven aan die voor hem bestemd waren.

Jakarta werd het laatste tussenstation op de lange weg terug naar Nederland. Van daaruit kon hij in maart 1946 als corveeër mee op de Tsjisadane. "Op diezelfde boot zat de moeder van Geert Mak. Nadat ik zijn boek "De eeuw van mijn vader" gelezen heb, heb ik in een brief aan Mak geschreven dat ik hoogstwaarschijnlijk zijn moeder eten heb gegeven en voor haar gezorgd heb. De Tsjisadane had in de oorlog gevaren voor Amerikaans troepentransport. Vlak voordat we op 3 april in de haven van IJmuiden aankwamen, zei de barkeeper: "Alles gaat nu voor de halve prijs weg." Op den duur bleven twee kratten Coca-Cola over. Dat drinken was op dat moment in Holland nog onbekend. Ik zei: "Geef mij die maar.""

Drie weken later trouwden Jaap en Pieterke. "Ik was geestelijk en lichamelijk ontwricht, maar we wisten zeker dat Heere ons voor elkaar bestemd had." Voor de bruiloft probeerde het bruidspaar een fles wijn te bemachtigen, maar die was nergens te vinden. "'s Avonds op het feest -het was sober hoor- kwam ik met mijn kratten tevoorschijn en hebben we gesmuld van de cola van de Tsjisadane."

Universiteit

Het echtpaar woonde enige tijd bij de ouders van de bruid in huis. "In juli 1947 ben ik teruggegaan naar Bandung. Een halfjaar later kon mijn vrouw komen. We hebben samen ruim vijf goede jaren in Indonesië gehad. De oudste drie van onze zeven kinderen zijn daar geboren." Het was voor Oosterhuis een drukke tijd. Hij was hoofd van een school met dertien leerkrachten en volgde aan de Universiteit van Indonesië een studie Nederlandse taal en letterkunde bij prof. K. Heeroma. Vlak voordat de faculteit in 1952 werd opgeheven en Heeroma naar Nederland terugkeerde, nam hij Oosterhuis nog een kandidaatsexamen af.

Om verder te kunnen studeren, verliet Oosterhuis met vrouw en kinderen enige tijd later Indonesië eveneens. Hij kon terecht op de Vrije Universiteit in Amsterdam, zodat het gezin zich in de hoofdstad vestigde. Gedurende 25 jaar was Oosterhuis als leraar op twee middelbare scholen werkzaam. Op 62-jarige leeftijd werd hij arbeidsongeschikt verklaard. "In het kamp ben ik verlamd geweest. Mijn benen zijn sindsdien altijd slecht gebleven." Hele dagen voor de klas staan ging niet meer. Oosterhuis zag het als zijn roeping met z'n vrouw naar Lesotho te vertrekken. Daar werkte hij zes jaar aan de opbouw van het onderwijs in deze Zuid-Afrikaanse staat.

Ex-bewakers

In 1970 heeft Oosterhuis nog verschillende plaatsen bezocht waar hij in de oorlog geweest was. "Ik ging met een culturele reis voor leraren naar Japan. Na een paar dagen ben ik apart op pad gegaan. Ik heb op de kade gestaan waar ik in 1943 was neergelegd. Ook wilde ik ex-bewakers vinden uit de kampen waar ik gezeten had. In het eerste kamp heb ik met een van mijn bewakers gesproken en hem van het Evangelie verteld." Het kostte Oosterhuis geen moeite de man, die hem indertijd geslagen had, in de ogen te zien. "Ik voelde de liefde van de Heere in m'n hart. Die heeft me gedreven om met hem te spreken."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 2001

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

Krijgsgevangene met de dood voor ogen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 augustus 2001

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken