Bekijk het origineel

Steen der hulp

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Steen der hulp

5 minuten leestijd

"Samuël nu nam een steen, en stelde die tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen."

1 Samuël 7:14

Twintig jaar was het inmiddels geleden dat de ark was teruggebracht uit het land van de Filistijnen. In die twintig jaar heeft Samuël gearbeid onder het volk, terwijl de verdrukking door de Filistijnen toenam. Na twintig jaar roept Israël tot de Heere om hulp. Daarop roept Samuël hen op zich tot de Heere te bekeren en de afgoden weg te doen. In die weg zal er verlossing komen.

Dat is altijd weer de weg. In de weg van bekering tot verlossing. We hebben bekering nodig. Niet één keer, maar keer op keer. Bekering, dat is terugkeer tot God en breken met de afgoden. Welke afgoden moet u kwijt? Want naar het woord van Calvijn is het hart van de mens een fabriek van afgoden.

We lezen dat Israël de afgoden verlaat en de Heere dient. Om deze bekering te bevestigen, roept Samuël het volk samen te Mizpa. Daar bidt Samuël voor het volk om vergeving van hun zonden en verlossing van de Filistijnen. Altijd weer is Samuël voorbidder geweest voor Israël. Daarin is hij een type van de grote Voorbidder bij de Vader, Jezus Christus.

Samuël was in zichzelf een machteloze voorbidder. We lezen dat de Heere tot Jeremia zei dat hij niet meer bidden moest voor het volk, want al zouden Mozes en Samuël voor Zijn aangezicht staan, Hij zou niet horen (Jer. 15:11). Aan het gebed van Samuël was dus een grens. Dat hield op. Maar het gebed van de grote Voorbidder Christus houdt nooit op. Daarin ligt de garantie van de verlossing van Gods Kerk. Wat zijn ze gelukkig, die in die voorbede begrepen zijn.

In Mizpa giet het volk water uit voor het aangezicht des Heeren. Daarmee wordt uitgedrukt dat zij hun hart uitstorten voor de Heere in het belijden van zonde en schuld. O, wat is het een goede plaats zo het hart voor de Heere uit te storten. Kent u die plaats? Daar wordt beweend dat we tegen de Heere gezondigd hebben. Daar zijn we het waard voor eeuwig verstoten te worden. Daar doet de Heere echter ook Zijn wonderlijke ontferming ervaren omwille van die grote Voorbidder Christus. Maar daar komt de vijand ook op af.

Dat was toen zo en dat is nog zo! Satan kan het niet hebben als zondaren hun schuld voor de Heere hartelijk bewenen en hun hart voor Hem uitstorten. Want als de Filistijnen horen dat Israël samengekomen is, sturen ze er een leger opaf. En Israël heeft geen wapens, omdat de Filistijnen alle smeden hadden weggevoerd. Opnieuw is Samuël dan voorbidder voor het volk. Hij offert een melklam als beeld van het offer van de komende Christus, het Lam Gods.

Hebt u al geleerd dat de Heere alleen met u te doen kan hebben om het offer van Christus? Alleen in dat offer is de hitte van Gods gramschap geblust en de weg gebaand, in de verheerlijking van Gods recht, naar de troon van Zijn genade. Dan kan er in ons leven toch geen rust zijn dan in Jezus alleen.

Het gebed van Samuël wordt verhoord. De Heere strijdt voor Zijn volk. Er breekt een vreselijk onweer los, waardoor de Filistijnen doodsbenauwd wegvluchten en Israël hen alleen maar hoeft na te jagen. "De Heere zal voor u strijden, en gij zult stil zijn!" Zo vallen wij erbuiten en krijgt God alleen de eer.

En dan richt Samuël die gedenksteen op, opdat Israël dit goddelijke wonder nooit meer vergeten zal. Hij noemt die steen Eben-Haëzer, dat wil zeggen: Steen der hulp. En dan zegt hij: "Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen." Samuël richt die steen op op de plaats waar de Heere geholpen heeft, tussen Mizpa en Sen. Wat is dat een gezegende zaak, op de plaats waar de Heere Zijn zegen schonk, Hem ook in ootmoed en verbrokenheid erkennen. Is de Heere dat niet waard? Hebt u wel eens zo'n steen, en dan bedoel ik dat in geestelijk opzicht, mogen oprichten? Gods kinderen mogen wel eens zulke stenen oprichten, daar waar de Heere hun Zijn goedertierenheid bewees. Waar de Heere hen heeft opgeraapt uit de modder van de zonde, daar mogen ze die steen wel eens oprichten. Had de Heere mij daar niet opgeraapt, ik was doorgegaan op de brede weg naar het verderf!

Dan zijn er in het leven van Gods volk van die plaatsjes waar ze een steen hebben opgericht; daar waar Hij hun Zijn trouw betoonde, waar Hij Zich ontfermend tot hen neerboog, waar Hij hen troostte in de droefheid over de zonde met de belofte van Zijn Evangelie, waar ze voor het eerst buiten zichzelf mochten zien, waar Christus Zich aan hen openbaarde. Onvergetelijke plaatsen in het geestelijke leven!

Deze steen getuigt van de onveranderlijke trouw van God voor een ontrouw Israël. Hebt u zich daarover al leren verwonderen? Dat is toch het wonder dat eeuwig zal overblijven, dat de Heere onveranderlijk bleef in Zijn trouw voor een onverbeterlijk volk. Zie dan eens terug. Staan er zulke stenen in uw leven? Dan komt Hem alleen toch alle eer toe.

Zien Gods kinderen die stenen dan altijd? Ach, het gebeurt zo vaak dat de ziel in de mist zit. Door eigen schuld. Dan ontbreekt dat uitzicht. Maar als de Heere de nevelen dan weer doet opklaren, dan mag u het weer zien. Dan krijgt uw hart weer houvast aan Gods trouw, want elke steen die u wel eens hebt opgericht langs uw levensweg, spreekt toch van die trouw. Ja, dan stemt u met Samuël in: "Tot hiertoe heeft de Heere geholpen." Tot hiertoe! O, dan zal Hij het ook in de toekomst doen. Want Hij blijft getrouw.

Ds. J. J. van Eckeveld, Zeist

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2001

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Steen der hulp

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2001

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken