Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Transport naar de dood

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Transport naar de dood

Zestig jaar geleden vertrok eerste Jodentrein vanuit Westerbork naar Auschwitz

8 minuten leestijd

Dinsdag was dé dag. De dag der verschrikking. Maar ook de dag van uitstel, en van hoop. Twee jaar lang vertrok er elke week een goederentrein volgepropt met duizend Joden vanuit Westerbork naar een van de Duitse vernietigingskampen in Oost-Europa. Wie niet op de deportatielijst stond, was verzekerd van minimaal een week uitstel. En dat gaf hoop. Komende maandag precies zestig jaar geleden kwam vanuit Westerbork het eerste transport naar de dood op gang.

Het is 15 juli 1942. Over de weg van Westerbork naar Hooghalen sjokt een lange stoet. Er lopen mannen en vrouwen tussen, maar ook kinderen. Ze sjouwen koffers en tassen mee. Sommigen vervoeren hun schamele bagage op een handkar. De gezichten zijn bleek, de ogen staan dof. Bijna iedereen draagt een davidsster.

Na 5 kilometer komt de stoet bij station Hooghalen aan. Daar staat een trein klaar. Geen personentrein, maar een rij vee- en goederenwagons. Deuren gaan open. De mannen, vrouwen en kinderen stappen in. De laatsten moeten zich naar binnen wringen, want de wagons zijn overvol. De deuren gaan nog maar net dicht. Knarsend wordt een grendel overgehaald. Ontsnappen is uitgesloten.

De trein zet zich schokkend in beweging. Niemand van de gedwongen passagiers weet waar de reis werkelijk naartoe gaat. Naar een werkkamp in Oost-Europa, is hen verteld. Ze zullen daar hard moeten ploeteren, maar het leven is er verder goed. Althans, dat is hen wijs gemaakt. De werkelijkheid is anders, wreder. Maar dat zal straks pas blijken.

Leugen

De temperatuur in de wagons loopt al snel op tot tropische waarden. Slechts enkele kieren in het dak zorgen voor frisse lucht. Drie dagen en drie nachten duurt de marteling. Dan stopt de trein. Het einddoel, concentratiekamp Auschwitz, is bereikt. Dan blijkt ook de leugen.

De 'Westerborkers' zijn hier niet gebracht om te werken, maar om vernietigd te worden. Ze zijn immers Joden, en die moeten -menen de nazi's- van de aardbodem verdwijnen. Wrede handen duwen de mannen, vrouwen en kinderen onder de douche. Er komt echter geen water uit het plafond, maar gas. Niemand overleeft het drama.

Na het eerste Westerbork-transport volgen er nog vele tientallen. Wat de Duitsers niet zint, is de lange tocht elke keer van kamp Westerbork naar station Hooghalen. De gevangenen hebben onderweg te veel bekijks. Hun deerniswekkende aftocht roept alleen maar aversie tegen de Duitsers op, en dat is niet in het belang van de bezetter. Daarom wordt de spoorlijn doorgetrokken vanaf station Hooghalen tot in het kamp. Er komt een heus perron, later de Boulevard des Misères genoemd, waar elke dinsdag een nieuwe lichting Joden op transport naar de dood wordt gezet.

Gewone stad

Het leven in kamp Westerbork is -naar oorlogsbegrippen- goed. De bewoners hebben eten, drinken en een plek om te slapen. Er is werk, een school, een crèche, zelfs een uitstekend functionerend ziekenhuis met 1725 bedden, 120 artsen en 1000 verplegers. Om de kampbewoners 's avonds en in het weekend te vermaken, zijn er toneelvoorstellingen, orkestuitvoeringen en sportwedstrijden. En dat in oorlogstijd.

Het kamp, 11 kilometer ten zuiden van Assen, is geen creatie van de Duitsers. Het wordt al voor de oorlog, in 1939, in opdracht van de Nederlandse regering gebouwd, als opvangplaats voor Joden die Duitsland ontvlucht zijn vanwege de groeiende nazi-terreur. Om hun leven, beheerst door angst, zo aangenaam mogelijk te maken, moet het opvangkamp in Westerbork net een gewone stad lijken, met alles erop en eraan.

Dat blijft zo, ook na het uitbreken van de oorlog in eigen land. Maar dan wordt het 1942. De Duitsers zoeken een doorgangskamp om de tienduizenden Joden in Nederland te verzamelen en vervolgens te deporteren naar Oost-Europa. Ons land moet immers "Judenfrei" worden.

Het oog van de bezetter valt op Westerbork. De Nederlandse kampleiding wordt afgezet en de beruchte Duitse Sicherheitsdienst (SD) neemt de touwtjes in handen. Het kamp wordt met 24 barakken uitgebreid. Cynisch genoeg komt het geld voor de bouw uit in beslag genomen Joodse vermogens.

Eichmann

Vanaf het moment dat de bezetter de scepter zwaait over Westerbork wordt het kampleven beheerst door "de trein". Elke maandag beveelt de beruchte nazi-kopstuk Adolf Eichmann vanuit Berlijn dat er weer een nieuwe lichting Joden opgeroepen moet worden. Via Den Haag, waar de Nederlandse onderafdeling van Eichmanns dienst zetelt, komt het bevel bij kampcommandant Albert Konrad Gemmeker terecht. Die bemoeit zich niet persoonlijk met de selectie van de slachtoffers, maar laat dit over aan de Joodse kampstaf.

Om niet te veel onrust te zaaien, worden de namen van de te deporteren Joden pas enkele uren voor vertrek bekendgemaakt. Zij moeten in korte tijd hun koffers pakken, afscheid nemen van familie en bekenden en zich verzamelen op het perron. Daar krioelt het inmiddels van de bewakers. Iedereen die niet gedeporteerd wordt, moet in zijn of haar barak blijven. Aan pottenkijkers hebben de Duitsers geen behoefte.

Tussen juli 1942 en september 1944 vertrekt er 93 keer een dodentransport. In totaal 107.000 mensen -het meest Joden, onder wie Anne Frank, maar ook 250 zigeuners en enkele tientallen verzetsstrijders- worden afgevoerd naar een van de Duitse vernietigingskampen. Meestal is de bestemming Auschwitz of Sobibor, soms Bergen-Belsen, Mauthausen of Theresienstadt. Slechts 5000 gedeporteerden keren levend terug. Kamp Westerbork, waar het leven naar oorlogsbegrippen zo goed is, krijgt desondanks de wrede bijnaam "het voorportaal van de hel".

Keiharde eis

Duizend Joden per transport is de keiharde eis van Adolf Eichmann. Om dat aantal daadwerkelijk af te leveren op de gruwelijke plaats van bestemming, nemen de Duitsers steevast twintig slachtoffers extra mee ter compensatie van hen die onderweg bezwijken aan honger, uitputting of ziekte.

Wie een baantje in het kamp heeft, loopt weinig risico afgevoerd te worden, maar niets is zeker in Westerbork. Alleen dat er elke dinsdag een trein voorrijdt die gevuld moet worden met 1000 slachtoffers. Daarbij ontstaan vreemde toestanden. Leden van de kamppolitie -Joden- helpen bij het inladen van hun volksgenoten. Het bezorgt hen de absurde bijnaam "Joodse SS".

Vluchten uit het kamp is niet moeilijk. Zeker niet voor de bewoners die overdag bij boeren in de omgeving werken. Toch probeert bijna niemand te ontsnappen uit angst voor de straf van de Duitsers: de achtergebleven familieleden zullen in dat geval zeker met het eerstvolgende transport meegaan.

Op 12 april 1945 wordt kamp Westerbork bevrijd. Op dat moment zijn er nog 876 gevangenen. Zij verlaten de barakken en keren terug naar huis, als ze die mogelijkheid tenminste nog hebben. Het kamp zelf blijft in bedrijf. Eerst worden er NSB'ers vastgezet, later dient het als opvangplaats voor gerepatrieerden uit Nederlands-Indië. De langste tijd, tot aan de sloop van het kamp in 1971, wonen er Zuid-Molukkers.

Herdenking

Hoewel 15 juli 1942 een historische datum is, is het eerste Jodentransport vanuit Westerbork naar Auschwitz nooit afzonderlijk herdacht. Daar komt maandag verandering in, aldus José Martin, conservator van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. "We hebben een dergelijke herdenking in 1992, na vijftig jaar, overwogen, maar toen is het er niet van gekomen. We hebben toen wel een monument van 102.000 stenen onthuld ter nagedachtenis aan alle weggevoerden."

Het herinneringscentrum richt zich bij al zijn activiteiten op "het persoonlijke verhaal", aldus Martin. "Het zijn 102.000 ménsen geweest: een vader, een moeder, een broer, een zus, een vriend, een opa, een oma. Daarom nodigen we bij elke herdenking overlevenden uit om te komen vertellen wat ze hier meegemaakt hebben."

Dat is ook maandag weer zo. Vier ooggetuigen nemen plaats bij de monumenten -de Tekens- die herinneren aan de concentratiekampen Auschwitz, Mauthausen, Bergen-Belsen en Theresienstadt, en vertellen daar hun verhaal. Alleen het monument van Sobibor blijft leeg. Martin: "Daar zijn achttien overlevenden van, maar niemand bleek in staat om maandag te komen."

Na de officiële herdenking (aanvang 13.30 uur en vrij toegankelijk) wordt een fotoboek gepresenteerd van twee zigeuners die de reis naar Auschwitz opnieuw maakten. Vervolgens zullen achttien overlevenden zich verspreiden over het voormalige kampterrein en ingaan op vragen van bezoekers. Dit alles in aanwezigheid van burgemeester Cohen. Hij is zelf van Joodse afkomst en een groot deel van de weggevoerden kwam uit Amsterdam, de stad waar Cohen burgemeester van is. 's Avonds om halfacht wordt op het kampterrein het boek "Binnen de poorten" van overlevende Jules Schelvis in een toneelstuk opgevoerd.

Verwerking

Ook zoveel jaar na de gruwelijke gebeurtenissen blijft Westerbork mensen trekken. Het herinneringscentrum, geopend in 1983 en volledig vernieuwd in 1999, voorziet in een grote behoefte voor scholen, maar ook voor dagjesmensen. Sinds 1992 is een deel van het voormalige kamp symbolisch hersteld.

Martin constateert dat Westerbork een belangrijke plaats inneemt bij de verwerking van het leed bij zowel overlevenden als nabestaanden. "Sommigen komen hier elke maand. Ze willen alles weten over de geschiedenis van het kamp. Wij proberen de namen van de overledenen een gezicht te geven door foto's te verzamelen. Ook zijn we bezig om gegevens uit het bevolkingsregister van de gemeente Westerbork in de computer te zetten. Mensen die naar het kamp toegingen, werden keurig ingeschreven als inwoner van Westerbork en als ze weggevoerd waren, kwam er op hun kaart te staan: verhuisd naar het buitenland."

Het is het dagelijks werk van Martin om met Westerbork bezig te zijn, toch went het leed nooit. "Als ik een foto in handen heb van een kind van vijf dat is weggevoerd, dan schiet een brok in m'n keel."

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 2002

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Transport naar de dood

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juli 2002

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken