Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

"Bewaar de springader voor vergif"

6 minuten leestijd

"Zonder reinheid verkeren wij in een vuile en vervloekte toestand. Wij zijn niets anders dan een klomp, uit leem en zonden samengesteld. De zonde verblindt ons niet alleen, maar besmet en verontreinigt ons ook. Daarom heet ze "vuiligheid", Jakobus 1:21. En om aan te tonen, hoe besmettelijk de zonde is, wordt ze bij een plaag of pestziekte vergeleken, I Koningen 8:38, bij een vlek, Deuteronomium 32:5, bij het uitbraaksel van een hond, 2 Petrus 2:22, bij kinderen die in het bloed wentelen, Ezechiël 16:6, en bij een maanstondig kleed, Jesaja 30:22 (een zaak, die volgens Hieronymus onder de wet het allermeest verontreinigde).

Alle ceremoniële wassingen die de Heere God had ingesteld, dienden daartoe, om de mensen hun afschuwelijke vuilheid -vóórdat zij in het bloed van Christus gewassen waren- in herinnering te brengen. Al was al het kwaad in de wereld ineengesmolten, en al zouden daarvan de kwintessens zijn uitgeperst, dan zou dat nog niet zo'n lelijk en gruwelijk monster opleveren als de zonde is.

Een zondaar is een duivel in mensengedaante. Toen Mozes' staf in een slang veranderd was, vluchtte hij ervoor. Indien God de zondige mensen de ogen opende, en hen hun mismaaktheid en verdoemelijke smetten zien liet, dan zouden ze schrikken en voor zichzelf, als voor een slang, op de vlucht slaan!

Dit bewijst ons dus, hoe nodig onze reinheid en heiligheid is. Wanneer de genade komt, wast die ons van deze helse vuilheid, en maakt ons van Moren tot Israëlieten, verandert raven in zwanen, en doet degenen die zo zwart zijn als de hel, zo blank worden als sneeuw.

Alleen de reinen van hart -en niemand anders- hebben part en deel aan het genadeverbond. Die in het verbond zijn, hebben de besprenging met rein water, Ezechiël 36:25. Welnu, zolang wij dus niet besprengd zijn, hebben wij met het Nieuwe Verbond, en bijgevolg met het Nieuwe Jeruzalem niet van doen. Wanneer er een testament opgesteld wordt, alleen voor degenen die zó en zó gekwalificeerd zijn, dan kan niemand daar deel aan hebben, dan alleen degenen die deze eigenschappen bezitten. Zo ook hier. God heeft een testament en verbond gemaakt, dat Hij onze God zijn wil, en dat Hij ons de hemel tot een erfdeel wil schenken, maar onder deze voorwaarde, dat wij gereinigd zijn, hebbende "rein water op ons gesprengd." Zo niet, dan hebben wij geen deel aan God, noch aan Zijn genade.

Reinheid is het doel van onze verkiezing. Efeze 1:4: "Hij heeft ons uitverkoren, opdat wij zouden heilig zijn." Niet ómdat wij heilig waren, maar ópdat wij heilig zouden zijn, Romeinen 8:29: "Die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te worden." God heeft ons dus verordineerd, "den beelde Zijns Zoons" gelijkvormig te worden; welk beeld bestaat "in ware rechtvaardigheid en heiligheid", Efeze 4:24.

Reinheid is het doel van onze verlossing. Hadden wij in onze zonden ten hemel kunnen gaan, dan had Christus niet behoeven te sterven. Waarom vergoot Hij anders Zijn dierbaar bloed, als het niet was om ons te verlossen "uit onze ijdele wandeling?" 1 Petrus 1:18 en Titus 2:14: "Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen." Christus heeft Zijn bloed uitgestort om onze vuilheid af te wassen. Het kruis was zowel een altaar als een wasvat.

Jezus Christus is niet alleen gestorven om ons te verlossen van de toorn, 1 Thess. 1:10, maar ook om ons zalig te maken van onze zonden, Mattheüs 1:21. Uit Zijn zijde kwam zowel water -een teken van onze reinigmaking- als bloed, een bewijs van onze rechtvaardigmaking, 1 Johannes 5:6. Stellig zou Christus' lichaam monsterachtig en wanschapen zijn, als het Hoofd alleen rein was, en niet de lidmaten.

De redenen waarom de reinheid voornamelijk in het hart moet zetelen, zijn deze:

Als het hart niet rein is, dan verschilt onze reinheid niet van farizeese schijnheiligheid. De heiligheid van de Farizeeën bestond voornamelijk in het uitwendige. Hun heiligheid was een uiterlijke reinheid. Zij gaven geen acht op de binnenkant van het hart, Mattheüs 23:25: "Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden. Want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn ze vol van roof." En vers 27: "Gij zijt de witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en alle onreinheid."

De Farizeeën waren alleen maar goed aan de oppervlakte. Ze waren wel gewit, niet wit. Ze geleken op een rotte balk, die met een vermiljoenkleur beschilderd is; of op een schone schoorsteen, die van buiten verguld is, maar van binnen niets dan roet bevat. Van zulke schijnheiligen klaagt Salvianus dat zij Christus in de mond hadden, maar niet in hun voordeel.

Wij moeten verder gaan, en rein van hart zijn, zoals des Konings dochter "geheel verheerlijkt inwendig", Psalm 45:13. Anders is onze reinheid maar een farizeese schijnheiligheid. En Christus zegt in Mattheüs 5:20 "Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en dan der Farizeeën, zo kunt gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan."

Het hart moet in het bijzonder rein bewaard worden. Want het hart is Gods voornaamste zetel. God woont in het hart. Hij legt op het hart, als op Zijn eigen herberg, beslag, Jesaja 57:15, Efeze 3:17. Daarom moet het rein en heilig zijn. Een koninklijk paleis moet zonder enig vuil zijn, en vooral 's konings privé-vertrek. Het hart is Gods kabinet: hoe heilig behoort dat dan te zijn!

Als het lichaam de tempel des Heiligen Geestes is, 1 Korinthe 6:19, dan mag het hart wel het "heilige der heiligen" zijn. Och! wacht u er dan voor, om Gods vertrek te verontreinigen. Laat dat kabinet met heilige tranen gewassen zijn!

Het hart moet vooral rein zijn, omdat het hart alles reinigt. Als het hart heilig is, dan is alles heilig. Onze hartstochten zijn dan heilig, onze plichten zijn heilig. "Het altaar heiligt de gave", Mattheüs 23:19. Het hart is het altaar dat de gave heiligt. De Romeinen zorgden ervoor dat hun fonteinen niet vergiftigd werden. Het hart is de fontein van al onze daden. Laten wij deze springader voor vergif bewaren: "Zijt rein van hart!"

THOMAS WATSON

(Uit: "De Zaligsprekingen")

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 2002

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 2002

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken