Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Via Amerika radiocontact met Zeeland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Via Amerika radiocontact met Zeeland

Zendamateurs snel actief in onder water gelopen provincie

6 minuten leestijd

"Hier PA nul YG, hier PA nul YG, hier PA nul YG in Den Haag, open voor traffic uit de noodgebieden" Deze woorden klonken in februari 1953 als muziek in de oren van radiozendamateurs in de onder water gelopen provincie Zeeland. Ze zochten contact met hulpverleners.

"We hebben veel mensen gered", zegt de 79-jarige George de Bruin vijftig jaar na de watersnoodramp. Hij is een van de twee zendamateurs die zich na de eerste rampnacht inzetten om de communicatie met het ondergelopen gebied te onderhouden. De telefoonverbindingen zijn uitgevallen. Slachtoffers proberen contact te leggen met hulpverleners via het mobilofoonnet van de PTT, via de verbindingsdienst van de politie en het leger, via scheepsradio's en telexen. Daarnaast kunnen zendamateurs die beschikken over een zender met een accu voor de stroomvoorziening, berichten versturen.

Pas in de ochtend na de eerste rampnacht lukt het Zeeuwse radiohobbyisten verbinding te krijgen met andere zenders. "Dat ging min of meer toevallig", zegt De Bruin, destijds zendamateur in Den Haag. "Urker vissers zonden signalen uit over de noodtoestand. Dat deden ze via het kanaal van Radio Scheveningen, en die frequentie ligt naast die van de zendamateurs. Zodoende kwam ik op de hoogte van signalen uit het rampgebied." Hij kan zich het eerste bericht dat hij toen hoorde, niet meer herinneren. "Normaal gesproken bewaar ik alle communicatie op grammofoonplaten, maar van de berichten van toen heb ik helaas niets opgeslagen."

Frequentie

Kort na de eerste vloed vraagt Rijkswaterstaat aan de chef van de Bijzondere Radiodienst (BRD) van de PTT om contact te leggen met het onbereikbare rampgebied. De chef benadert de Haagse zendamateur Bob van Binnendijk en al snel ook George de Bruin. "Bob en ik woonden op 500 meter afstand van elkaar. We zijn uitgekozen omdat we sterke, stabiele zenders hadden, met een vermogen van 150 watt. Die zenders bouwden we zelf. Onderdelen waren te koop bij een Amerikaanse legerdump", licht De Bruin toe. Hij begon in 1949 met zijn hobby.

De zendamateurs moeten eerst toestemming krijgen van de directeur-generaal van de PTT, Neher, omdat ze normaal gesproken geen berichten met zakelijke inhoud mogen verspreiden. Neher heft dit verbod voor de eerste keer in de geschiedenis op.

Samen vormen de beide radiomannen, onder leiding van de BRD, de schakel tussen het noodgebied en de hulpverlenende instanties in Den Haag. "Tijdens de ramp wisselden Bob en ik elkaar steeds af en we hielden de frequentie open door andere amateurs er af te jagen. We hebben dit tien dagen en tien nachten volgehouden", zegt De Bruin.

Een krant brengt op 4 februari 1953 een bezoek bij De Bruin. De verslaggever ziet het volgende: "Hier is het, in het hoekje van een huiskamer op de eerste etage van de Haagse Valkenboslaan, waar sinds zondagmiddag een dodelijk vermoeide George de Bruin tientallen mensenlevens zit te redden. Zijn moeder sluipt nu en dan de kamer binnen met een kop warme soep en verdwijnt dan weer, want deze kamer is niet meer van haar alleen. Die kamer is het reddingsbaken van Nederland in nood geworden."

Fiets

In Zeeland zijn zes grote zendposten ingericht. Daaromheen groeperen zich satellietzendposten die de grote posten van informatie voorzien. Van Binnendijk en De Bruin hebben contact met de zes grote posten, die alle informatie en noodoproepen via hen aan Den Haag doorgeven. Zo ontstaan verbindingen met onder andere Terneuzen, Goes, Middelburg en Vlissingen en met het militaire zendstation in Roosendaal.

De Zeeuwen vragen via de radioverbindingen om broden, zandzakken en rubberboten. "Ik had eens contact met een KLM-toestel", herinnert De Bruin zich. "De bemanning vroeg of ik de coördinaten wilde doorgeven van de plaats waar ze rubberboten moesten droppen. Ik zei: "Dat droppen wat jullie doen, is bombarderen. Mensen krijgen de spullen op hun hoofd." Zo gebeurde het dat een zandzak vanuit de lucht bij een fietser op zijn bagagedrager viel. De fiets brak direct doormidden. De man had wel een ongeluk kunnen krijgen."

De Bruin krijgt allerlei berichten binnen: waar het land is ondergelopen, welke dijk is doorgebroken, waar nog mensen zitten en welke hulp nodig is. Twee mensen van de PTT luisteren mee en zetten de berichten in telegramstijl op papier. Naast de zender van De Bruin staat een telefoon. Daarmee heeft hij contact met het Rode Kruis, de provinciale griffie en de Rijksvoorlichtingsdienst. De radiozendamateurs kunnen belangrijke informatie zo direct doorgeven aan de hulpverleningsinstanties en aan de regering.

Turijn

Via zijn 150 watt sterke zender kan De Bruin signalen oppikken van 1 watt sterke zendertjes. Tussen 9 uur 's avonds en 8 uur 's ochtends kan hij het rampgebied niet direct bereiken. "Dan is er sprake van de zogenoemde dode zone. Om natuurkundige redenen zijn signalen uit de eerste 10 tot 15 kilometer dan nog goed te horen, maar daarna volgt een band van 30 kilometer met een slechte ontvangst. Daaroverheen zijn alle signalen weer helder."

Daarom nemen De Bruin en Van Binnendijk rond die tijd via andere stations contact op met het rampgebied. "We communiceerden met zendamateurs in Zwolle, Groningen, Laren en Breda, maar ook met mensen in Chicago en New York in Amerika en met Italië. Die zaten ver van het rampgebied en konden over de dode zone heenkomen", aldus De Bruin. De Nederlandse consul in dat land luistert na de ramp vanuit Turijn mee naar berichten uit het ondergelopen gebied.

De originele zendapparatuur van De Bruin staat nu opgesteld in het Haagse Museum voor Commmunicatie. Daar is een "shack" ingericht, zoals de werkplek voor zendamateurs heet. "Alles hier is origineel, behalve de microfoon", licht De Bruin toe. "Die omroepmicrofoon kostte destijds 800 à 900 gulden. Ik heb hem meegenomen uit Indonesië, van Sukarno. Daar werkte ik voor een omroep aan het herstellen van radiozendapparatuur. De microfoon is nu tussen de 1500 en 2000 euro waard. Daarom ligt hij niet in het museum. Ik ben veel te bang dat dieven hem meenemen."

Noodlijnen

De tentoonstelling "Noodlijnen, communicatie ten tijde van de watersnoodramp 1953" duurt tot en met 14 april. Behalve de werkplaats van zendamateur De Bruin is een huiskamer uit het jaar 1953 ingericht, waarin nieuws- en weerberichten zijn te horen. Er hangen pagina's uit Nederlandse en buitenlandse kranten met nieuws over de ramp, diverse collages over verslaggeving, postbezorging en hulpverlening, en er wordt een film vertoond over communicatie met het rampgebied.

Meer informatie: Museum voor Communicatie, Den Haag, tel. 070-3307500.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 2003

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Via Amerika radiocontact met Zeeland

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 2003

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken