Bekijk het origineel

Van wereldvlucht naar wereldbetrokkenheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van wereldvlucht naar wereldbetrokkenheid

4 minuten leestijd

De dichterlijke ontwikkeling van Nijhoff -af te lezen uit de bundels "De wandelaar" (1916), "Vormen" (1924) en "Nieuwe gedichten" (1934)- is uitermate boeiend. Die ontwikkeling ligt zowel op het terrein van de thematiek als op dat van het taalgebruik.

Meestal onderscheiden we in Nijhoffs dichterschap twee perioden. Tot de eerste periode behoren de bundels "De wandelaar" en "Vormen", tot de tweede de bundel "Nieuwe gedichten" en "Het uur U". Al mogen we niet spreken van een zwartwittegenstelling -wie goed leest kan in de eerste periode al elementen ontdekken die vooruitwijzen naar de tweede-, er zijn wezenlijke verschillen tussen de twee perioden.

In de eerste periode doet de dichter zich kennen als een "wandelaar" in de werkelijkheid. Het titelgedicht van zijn eerste bundel begint met de strofe: "Mijn eenzaam leven wandelt in de straten,/ Langs een landschap of tusschen kamerwanden./ Er stroomt geen bloed meer door mijn doode handen,/ Stil heeft mijn hart de daden sterven laten."

De dichter -het dichterlijk ik- neemt niet echt deel aan het aardse leven. Hij staat in feite buiten de werkelijkheid die bedreigend is: "langs" het landschap en "tusschen" kamerwanden. Het bloed stroomt niet, de handen zijn "dood". In de thematiek overheerst ontreddering, angst, twijfel, verscheurdheid. Meer dan eens wordt gekozen voor de vlucht, onder andere naar de geïdealiseerde kindertijd.

Een typerend gedicht uit deze periode is "Het souper" uit de bundel "Vormen", waaruit ik reeds een paar regels citeerde. Eenzaamheid en bedreiging zijn volop aanwezig. De dood is onafwendbaar. Het gezelschap -de eerste strofe met "wijn en brood" lijkt een zinspeling op het laatste avondmaal van Jezus- ervaart dat heel diep. De oplossing die het slot aanreikt -vergeet het maar en overschreeuw het maar- is uiteraard slechts een wrange schijnoplossing.

Nijhoffs derde bundel, "Nieuwe gedichten", ademt een heel andere sfeer. De thematiek is nieuw en ook het taalgebruik is in bepaalde opzichten nieuw: minder klassiek, soms opgeschoven in de richting van "poésie parlante", dat wil zeggen poëzie die af en toe de spreektaal benadert of lijkt te benaderen. Niet voor niets heet de bundel "Nieuwe gedichten".

Direct al het eerste gedicht van de bundel laat het nieuwe inzicht zien dat de dichter heeft verworven. In dit vers- "De twee nablijvers"- gaat het over een eenzame oude boom en een eenzaam schrijvertje, maar ondanks die eenzaamheid eindigt het gedicht positief: "- Stil! Hoor! De nachtegaal hervat/ zijn lied in 't hartje van de stad./ - Men heeft er woningen gebouwd/ van nieuwe steen en blinkend hout."

De dichter ontkent niet dat er eenzaamheid is en dat de aarde een woestijn is -in "Awater" spreekt hij van "puinhopen"-, maar toch moet de mens op aarde zijn plek vinden. Het leven gaat door, de natuur leeft: de nachtegaal zingt, huizen worden gebouwd. De aardse werkelijkheid moet je als mens niet ontvluchten. Dit betekent ook een nieuw dichterlijk program: een dichter heeft de taak de aarde met zijn verzen bewoonbaar te maken. De romantische vlucht wijst Nijhoff pertinent af.

In diverse gedichten heeft de dichter deze thematiek verwoord. Ik kies ter illustratie een van zijn bekendste gedichten, hiernaast afgedrukt: "Het lied der dwaze bijen". Het is een prachtig, muzikaal gedicht. De herhaling speelt een grote rol: in elke strofe wordt de eerste regel herhaald in de derde, soms met veel raffinement iets gewijzigd. De thematiek is duidelijk: de bijen -reeds in de Oudheid een beeld voor de dichters- zijn "dwaas", omdat ze de aarde verlaten. Allerlei aardse woorden -bloemen, woning, tuinen, volk en leven, korven- staan tegenover het 'elders': hoger honing, azuur, raadselige rozen, ontwijkend teken.

De vlucht eindigt fataal: in de laatste strofe spreken de gestorven bijen uit -in poëzie kan dat!- dat ze dood omlaag dwarrelen tussen de -aardse!- korven waar ze thuishoren.

Die nadrukkelijke keuze voor de aarde roept wel enkele intrigerende vragen op. Wijst de dichter alleen de exclusieve hemelvlucht af, of is het metafysische helemaal uit het zicht verdwenen? Of moeten we meer denken aan een synthese van aarde en hemel, aan "twee overzijden" die -zoals in "De moeder de vrouw"- weer "buren" worden? Welk deel van de erfenis van zijn moeder is altijd zijn geestelijk bezit gebleven? Zonder een grondige, wetenschappelijk verantwoorde biografie zijn deze vragen moeilijk te beantwoorden. Nijhoff heeft op dit punt iets raadselachtigs, iets ongrijpbaars.

Eén ding is in elk geval duidelijk: de wereldontvliedende wandelaar Nijhoff werd een bewoner van de aarde. En dit heeft hij vormgegeven in indrukwekkende poëzie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 16 juni 2003

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Van wereldvlucht naar wereldbetrokkenheid

Bekijk de hele uitgave van maandag 16 juni 2003

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken