Bekijk het origineel

De kerk kwam en ging met de vlag

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De kerk kwam en ging met de vlag

Reformatorische zending in Hollands Braziel (1630-1654)

10 minuten leestijd

Volgend jaar vieren Brazilianen het feit dat een van hun voormalige koloniale bestuurders, Johan Maurits van Nassau, 400 jaar geleden in het Duitse Siegen werd geboren. Maurits de Braziliaan -of Mauricio o Brasileiro, zoals hij in de volksmond nog altijd wordt geroemd- bevorderde in de koloniale periode van Hollands Braziel het werk van de Gereformeerde Kerken.

Al zeven jaar voor de komst van Johan Maurits (1637) had de gereformeerde Antwerpse vlootpredikant Johannes Baers zich in Brazilië gevestigd. Hij gaf leiding aan een garnizoenskerk van officieren en soldaten.

Toen later met de schepen van de West-Indische Compagnie (WIC) ook "sieckentroosters" (evangelisten), ambtenaren, handelaren, planters en boeren meekwamen, veranderde de garnizoenskerk in een koloniale kerk. Er ontstonden toen ook nieuwe gemeenten, en de plaatselijke kerken begonnen oog te krijgen voor het lot van de indianen, waardoor de kerk zendingskerk werd. Later werd een zelfstandige indiaanse gemeente gesticht, die van Ita-Pecerika. Dat was de eerste inheemse kerk. Toen echter de Hollandse kolonie in 1654 gedwongen werd zich over te geven, moest de zegenrijke arbeid van de Gereformeerde Kerken worden stopgezet. De kerk kwam en ging met de vlag.

Virtueel docent

Als er één man is die kan vertellen over de kerkgeschiedenis van Hollands Braziel, dan is dat wel dr. Francisco Schalkwijk uit Apeldoorn. Hij begon zijn loopbaan als predikant van de Gereformeerde Kerken in Hoek in 1954. In 1959 werd hij afgestaan aan de Nederlandse Protestantse Kerk in Sao Paulo voor het missionaire werk. In 1972 werd dr. Schalkwijk benoemd tot hoogleraar zendingsgeschiedenis aan het Theologisch Seminarie van de Presbyteriaanse Kerk in Recife, waarvan hij tien jaar rector was.

Dr. Schalkwijk is sinds 1 maart 1989 met emeritaat, maar hij is nog steeds actief als gastdocent zendingsgeschiedenis voor de opleiding van zestig zendelingen. Dat doet hij niet meer frontaal voor de collegebanken, maar als virtueel docent via de computer. Een gesprek met hem over de rol van de kerken in Hollands Braziel.

U hebt in 1983 een dissertatie geschreven over de Gereformeerde Kerken ten tijde van Hollands Braziel (1630-1654). Wat was voor u destijds de aanleiding om uw proefschrift over dit onderwerp te schrijven?

"Toen ik in 1972 college gaf aan het Theologisch Seminarie in Recife vroeg een van mijn studenten: "Zeg pastor Francisco, wilt u ons eens wat vertellen over Johan Maurits van Nassau?" "Daar weet ik eigenlijk maar weinig van", was mijn antwoord.

Maar het was -en achteraf kan ik zeggen dat dat werkelijk zo was- alsof de Heere zei: "Daar moet u aandacht aan geven." Zo heb ik dat tenminste gevoeld, want je staat met één been in de Hollandse en met het andere been in de Braziliaanse cultuur en je bent verplicht je studenten een goed antwoord te geven.

Zo ben ik in 1972 met mijn studie begonnen. Ik had er geen idee van dat dit in 1983 nog eens een dissertatie zou worden. Toen ik eenmaal bezig was, merkte ik dat mijn werk voorzag in een grote lacune. Er waren wel studies van professor José De Mello, maar het religieuze aspect van de Hollandse kolonie was tot nu toe nooit uitputtend bestudeerd."

Kunt u omschrijven wat de protestantse kerken voor de kolonie Nieuw Holland hebben betekend?

"Het was een tijd waarin het geloof nog centraal stond in de maatschappij, het was gewoon niet weg te denken. Toen de eerste Hollandse kolonisten kwamen, plantten zij daar ook de Gereformeerde Kerk. Dat was bij het begin van de Nadere Reformatie. Verschillende van de predikanten die daar hebben gewerkt, waren leerlingen van Voetius geweest en stonden onder invloed van het beginnende puritanisme van Perkins en Amesius."

Heiliging

"Toen in 1636 de classis Brazilië was ingesteld, deed de kerk een serieuze poging om de levenswandel van het predikantenkorps te verbeteren. Er werd ook meer aandacht besteed aan de sociale verhoudingen in de kolonie. Dat was in een bezet gebied als Hollands Braziel zeker niet gemakkelijk. Het was overigens in de zeventiende eeuw een unicum dat de gereformeerde kerken overzee over een eigen classis beschikten, die zelfstandig functioneerde, onafhankelijk van de Hollandse moederkerk."

Een van de grote namen die in de koloniale periode de kerken in Braziel gediend hebben, was ds. Joachim Soler. Hij was geboren in het koninkrijk Valencia, opgegroeid als augustijner monnik, maar werd bekeerd tot het calvinisme. Hoe kwam hij daartoe?

"Dat weet ik niet precies. Deze Soler was een Spanjaard. Er werden in die tijd wel eens reformatorische traktaten in Spanje uitgegeven. Als augustijner monnik moet hij op de een of andere manier via zijn orde reformatorische denkbeelden zijn tegengekomen. Waarschijnlijk is hij om zijn geloof uit Spanje zijn weggegaan; misschien is hij zelfs gevlucht, want hij heeft later een hele tijd gewerkt als predikant van de hugenoten in Normandië.

Op een gegeven moment kreeg hij contact met ds. André Rivet, voorganger van de Waalse kerk in Den Haag en hoogleraar theologie in Leiden. Rivet had contacten met de kerken overzee, en toen is deze Soler beroepen voor het zendingswerk in Pernambuco."

Deze ds. Soler maakte ook kennis met Johan Maurits van Nassau. Hij sprak lovend over de gouverneur, die een zieke soldaat beter verzorgde dan zichzelf. Anderzijds waarschuwde hij hem ernstig voor zedenverwildering.

"Ja, die zedenverwildering was buitensporig. Die was er al voordat de Hollanders zich in Braziel vestigden, onder de Portugezen. In het overvolle Recife heerste de opvatting dat beneden de evenaar alles geoorloofd was. Gelukkig heeft Johan Maurits snel en efficiënt ingegrepen."

Wat uit de Braziliaanse tijd van Johan Maurits opvalt, is dat hij, die in hart en nieren calvinist was, zo tolerant is geweest voor de Joden en de rooms-katholieken. Hij nodigde bijvoorbeeld de monnik Calado uit om in zijn paleis achter gesloten deuren de mis te bedienen. Hoe verklaart u deze houding?

"Johan Maurits was enerzijds zelfbewust calvinistisch christen. Maar anderzijds behoorde hij tot de staatslieden die erkenden dat je verschillende geloofsrichtingen gelijk moet behandelen. Er heerste dus geloofsvrijheid in de kolonie."

Wrijving

"In het begin al werd die geloofsvrijheid gepropageerd door de West-Indische Compagnie. Met deze tolerante houding werd er ruimte gegeven aan eigen geloofsbeleving. Zo konden de Portugese suikerondernemers, die een rooms-katholieke overtuiging hadden, vastgehouden worden in de streek.

Deze geloofsvrijheid is de welvaart van de kolonie ongetwijfeld ten goede gekomen. Er waren namelijk al veel ondernemers weggetrokken naar Bahia.

Ook de Joden genoten geloofsvrijheid. In de tijd van Johan Maurits hebben zij vier synagogen mogen bouwen.

Maar vooral heeft Johan Maurits het zendingswerk van de Gereformeerde Kerk gesteund. En dat was nu juist in een land als Brazilië heel moeilijk, waar deze kerk officieel de staatskerk was geworden, terwijl het land doordrenkt was van roomse invloeden. De rooms-katholieken moesten zich aanpassen, wat uiteraard niet van harte ging. Sterker nog: er was een voortwoekerende wrijving met de protestanten. Dat is ongetwijfeld een van de diepere oorzaken is geworden van de verdrijving van de Hollanders."

Hoe bezien de Brazilianen Johan Maurits?

"Nog altijd waarderen ze hem als een groot man. Veel mensen laten hun zonen Mauricio noemen. Hij is dus nog steeds zeef geliefd bij de bevolking.

In de oude synagoge van Pernambuco spreken de Joden met waardering over wat de gouverneur voor hen gedaan heeft. In Recife woonden destijds wel 1500 Joden. Dit waren sefardische Joden die uit Portugal kwamen. Zij hadden in Hollands Braziel door hun sleutelposities in de handel enorme mogelijkheden.

Het bijzondere was dat zij zowel de taal van de Hollanders als van de Portugezen spraken. Een keerzijde was wel dat zij ook een groot aandeel hadden in de slavenhandel."

Ds. DapperBij de oprichting van de WIC waren de bewindvoerders nog pertinent tegen slavenhandel. Is Johan Maurits hierin later van koers veranderd?

"Ik denk dat Johan Maurits niet een andere koers heeft gevaren dan de WIC. Maar de WIC volgde een andere koers dan de Antwerpse koopman Usselincx zich had voorgesteld en dat is heel jammer geweest.

Usselincx wilde namelijk volksplantingen vestigen en per se geen slavernij instellen. In dat opzicht heeft de WIC altijd een ander beleid gevoerd. Slavernij hoorde er gewoon bij.

Al voordat Johan Maurits kwam, in de Portugese periode dus, was er sprake van slavendienst op de plantages. Dat Brazilië zo floreerde kwam mede doordat men steeds weer slaven aanvoerde. De indianen waren voor dit werk niet geschikt. Toen de Hollanders in 1637 kwamen, was er al een goed georganiseerde slavenmaatschappij.

Door de komst van Johan Maurits kwam er rust in de kolonie, floreerden de suikerplantages en waren er nog meer slaven nodig. Een van de 54 predikanten die in Hollands Braziel gestaan hebben, ds. Dapper uit Recife, stelde het centrale gezag de dappere vraag of het wel christelijk was om slaven uit Afrika te importeren. Johan Maurits nam hier kennis van en vond dat Brazilië zonder slaven niet te runnen was.

Wel moet hieraan toegevoegd worden dat de graaf van Nassau allerlei maatregelen trof om het bestaan van de negerslaven humaner te maken, zoals het afschaffen van de doodstraf, van lijfstraffen en van brandmerken. In dat opzicht hadden de slaven het beter dan tijdens het Portugese bewind.

Predikanten als ds. Dapper hebben als sociale klokkenluiders veel gedaan om mishandelingen en misdragingen van de Nederlandse planters ten opzichte van indianen en negers tegen te gaan."

Evangelische indianen

"Verder lieten de Europese ondernemers hun slaven vrij in de keuze van hun godsdienst. Een rooms-katholieke slaaf hoefde dus niet een gereformeerde godsdienstoefening bij te wonen.

De bekende ds. David Doreslaer, die in Recife en Paraíba als zendeling heeft gewerkt, schreef een catechismus in de Tupi-taal voor de indianen. Deze catechismus werd in Enkhuizen gedrukt. Later werd deze catechismus zelfs drietalig: Tupi, Portugees en Nederlands. Bij de Portugese herovering van 1645 lagen ze nog in de boekhandel."

Zijn de kerken na de aftocht van Johan Maurits zegenrijk geweest, en zijn daar nog sporen van terug te vinden?

"Zodra de kolonisten onderdanen werden van de Iberische vlag, kon de protestantse kerk niet langer functioneren; dat was gewoon uitgesloten. Kooplieden en planters mochten onderling wel samenkomsten houden, maar ze mochten niemand uitnodigen.

Na de overgave in 1654 kon in feite niemand achterblijven, tenzij die naar het binnenland vluchtte. Veel indianen die de toezegging hadden gekregen dat er een algemeen pardon voor hen zou worden uitgevaardigd, geloofden dit niet.

Zij vluchtten daarom naar Sierra de Ibiapaba in de staat Ceará, 750 kilometer ten noordwesten van Recife, waar ze contact onderhielden met Nederland-se schepen die de kust aande-den. Daar woonde op een gegeven moment een enorme groep evangelische indianen. Deze werden bezocht door zendeling Vieira. Hij zei verbaasd: "Het is hier als een Genève van het binnenland."

Verschillende van deze indianen konden de Bijbel lezen en de Tien Geboden uit het hoofd opzeggen en ze kenden de catechismus van ds. Doreslaer. Ze waren zelfs westers gekleed en hadden een voor die tijd hoge cultuur ontwikkeld."

Dr. Schalkwijk benadrukt dat er van die kerkelijke zending uit die tijd eigenlijk geen sporen meer over zijn. De Belgische historicus Hoornaert stelt dat na de uitzetting van de Hollanders in 1654 de indianenstammen van Noordoost-Brazilië nog generaties lang een diepgewortelde calvinistische geloofsovertuiging hebben bewaard.

Gekuist

De Portugezen hebben na hun herovering het land "gekuist" van protestantse invloeden, vertelt dr. Schalkwijk met spijt. "Zelfs de grafzerken in de kerken van Recife moesten worden verwijderd. De Nederlandse autoriteiten hadden om politieke redenen nauwelijks de mogelijkheid om de reformatorische indianen van Brazilië te hulp te komen. Iedereen wist en aanvaardde in de praktijk dat de Portugezen geen protestanten als onderdaa n tolereerden.

In zijn memoires schreef de Portugese kapitein Pedro de Andrade dat "de immuniteit van de Roomse Kerk niet op de indianen van toepassing is, omdat ze ketters en publieke tirannen zijn." Het werd een keuzekwestie: óf rooms worden of de kop eraf. Daarom werden tussen 1680 en 1700 in een ware genocide ettelijke duizenden indianen afgeslacht tijdens de beruchte "Barbarenoorlog".

Onder de roomse Portugese vlag van de zeventiende eeuw was er voor de protestantse indianen geen plaats meer in Brazilië, zelfs niet in hun eigen vaderland."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 augustus 2003

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

De kerk kwam en ging met de vlag

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 augustus 2003

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken