Bekijk het origineel

Hollands voorsprong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hollands voorsprong

Standaardwerk verbindt welvaart provincie aan ondernemingsdrang en agressiviteit bevolking

8 minuten leestijd

Het genre van de provinciale geschiedschrijving heeft zich de laatste decennia in een grote populariteit mogen verheugen. Zo verschenen geschiedenissen van Limburg (1960-1967), Gelderland (1966-1976), Friesland (1968 en opnieuw in 1998), Overijssel (1970), Groningen (1976), Drenthe (1985), Noord-Brabant (1996-1997) en Utrecht (1997). De Hollandse provincies hadden dus tot voor kort een achterstand in dit opzicht in vergelijking met de rest van het huidige Nederland.

Dit is opmerkelijk gezien het economische, politieke en culturele overwicht dat deze gewesten lange tijd in de vaderlandse geschiedenis hebben gehad. Geen wonder dat buitenlanders Holland vaak als synoniem voor Nederland gebruiken. Deze overlap van nationale en Hollandse identiteit speelt ook de provinciale gevoelens van de Noord- en Zuid-Hollanders parten. De inwoners van Hollandse zeegewesten zouden zich veel meer dan elders identificeren met de nationale staat en de eigen stad of regio, eerder dan met het eigen gewest. Misschien is dit laatste wel een verklaring voor de historiografische achterstand: een gewestelijke geschiedenis van Holland is niet zo vanzelfsprekend en veel meer een cultureel 'statement' dan andere gewestelijke historiografie.

Maar deze achterstand is nu ingehaald. Holland -dat wil zeggen: de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland- heeft een nieuwe geschiedenis. In drie dikke delen, waarvan deel drie zelfs bestaat uit twee afzonderlijke subdelen a en b, hebben hooggekwalificeerde teams van vooral historici, maar ook archeologen, kunsthistorici, geografen en een antropoloog de Hollandse geschiedenis opnieuw beschreven en in beeld gebracht.

Deel I (323 blz.) beschrijft de Hollandse geschiedenis van de vroege Middeleeuwen tot het jaar 1572, deel II (527 blz.) behandelt Holland ten tijde van de Republiek over de jaren 1572 tot 1795, de delen IIIa en IIIb (samen goed voor 729 blz.) beschrijven Holland in de periode van 1795 tot 2000. De eindredactie van deze indrukwekkende delen is gevoerd door Thimo de Nijs en Eelco Beukers en de boeken verschenen, onder auspiciën van de Stichting Geschiedschrijving Holland, in rap tempo achter elkaar over een periode van 2002 en 2003. Aan de delen werkten 37 auteurs mee, van wie De Nijs er zelf ook een is.

Dwingt de omvang van deze onderneming alleen al respect af, de vormgeving van de boeken door uitgeverij Verloren, mogelijk gemaakt door zeer vele royale fondsen, is ronduit schitterend, de typografie is aantrekkelijk en toegankelijk, het beeldmateriaal van uitzonderlijk hoge kwaliteit; elk deel is bovendien voorzien van een uitstekende beredeneerde bibliografie en een personen- en plaatsenregister. Kortom: een nieuw standaardwerk waarop redactie en auteurs trots mogen zijn.

Grote frisse mannen

Wat nu maakt Holland en zijn geschiedenis zo bijzonder? "Hollant is een kleyn landtschap, maar vol van groote ende treffelycke saecken, hebbende veel goede steden, schoone dorpen, grootte frissche mannen ende vrouwen. Daer is overvloedt van vee, groote rijkdommen ende macht" - zo werd Holland in 1567, in de vertaling van Kiliaan gekenschetst door de Florentijnse koopman Lodovico Guicciardini (1521-1589) in zijn "Descrittione di tutti Paesi bassi".

Het citaat dateert uit de periode die de delen I en II van de "Geschiedenis van Holland" scheidt en het markeert in zijn kernachtigheid bijna alle thema's waarmee Holland zich in de late Middeleeuwen zou onderscheiden van de andere Nederlandse gewesten en waarmee het in de komende twee eeuwen zijn reputatie tot ver buiten de grenzen van de Republiek zou vestigen: het contrast tussen de geringe omvang van het land en zijn grote rijkdom en macht, de verstedelijkte samenleving, het bloeien de platteland met zijn omvangrijke veehouderij, en de bijna tomeloze energie van zijn inwoners, mannen zo goed als vrouwen.

Na de Opstand kwamen daar in de ogen van de buitenstaander uit de Republiek of van elders -maar vaak ook in het zelfbeeld van de Hollanders- nog enkele centrale thema's bij, zoals het economisch wonder van die nieuwe wereldmacht, de opmerkelijke en klaarblijkelijk gedoogde religieuze verscheidenheid in het gewest, en vooral de vrijheid die of het nu om het geloof dan wel om privileges, autonomie en zelfbestuur ging, de inzet van de Opstand was geweest.

De vroegmiddeleeuwse Hollanders hadden niet kunnen bevroeden dat hun zompige landje ooit tot zulke grote hoogten zou stijgen. Over de doorbraak van Holland en van de Hollandse economie bestaat sinds decennia enig debat onder middeleeuwse historici waarvan de lezer in het eerste deel van deze "Geschiedenis van Holland" kennis kan nemen. Tot in de dertiende eeuw, zo stelde de Leidse hoogleraar H. P. H. Jansen in zijn oratie van 1976, getiteld "Hollands voorsprong" en in het nieuwe overzichtswerk weer aangehaald, miste Holland nog al die kenmerken die in later tijden zo karakteristiek waren: steden, internationale handel, scheepvaart en exportnijverheid. Zeker in vergelijking met de Zuidelijke Nederlanden leek Holland 'achterlijk'. De dynamische opkomst van Holland in de veertiende en vijftiende eeuw werd lange tijd beschouwd als een perfecte illustratie van een veronderstelde sociale en economische wetmatigheid die bekend staat als de "wet van de versnellende achterstand", tegenhanger van de meer bekende "wet van de remmende voorsprong".

Legde Jansen het keerpunt waarop Hollands achterstand werd omgezet in een beslissende voorsprong in de veertiende eeuw, de auteurs van het eerste deel van deze Hollandse geschiedenis zien de omslagfase van achterstand naar voorsprong, uitmondend in een hegemonie (overwicht), al in de twaalfde en dertiende eeuw. Hoe het ook zij, het mirakel van de Republiek, met Holland onbetwist aan kop, was er niet minder om. Het tweede deel van deze "Geschiedenis van Holland" beschrijft zonder twijfel alle kernaspecten van wat Holland en de Hollandse identiteit bijzonder maakte en maakt.

Burgers

Twee factoren waren er verantwoordelijk voor dat Holland ondanks alles de Republiek bleef domineren. In de eerste plaats natuurlijk het gewicht van het gewest op alle terreinen: demografisch, economisch, financieel, politiek, cultureel. In de tweede plaats het stempel dat Holland intussen op de hele Republiek had gedrukt. De culturele norm was feitelijk een Hollandse norm, ondanks alle tegenkrachten buiten en soms zelfs binnen Holland. Assimilatie en compromis waren ook hier al politieke sleutelwoorden.

De verklaring voor die in Holland breed gedeelde burgerlijke grondhouding kan worden gevonden in het bij uitstek republikeinse organisatiemodel, dat zijn oorsprong vond in de stad en waaraan het Hollandse platteland ondergeschikt was. Het stadstaatmodel van de provincie Holland ten tijde van de Republiek verklaart enkele duurzame en invloedrijke trekken van de Hollandse samenleving als geheel.

Stadsgebonden activiteiten als handel, scheepvaart en nijverheid waren telkens beslissende factoren voor het politiek handelen, Hollanders verkozen de commercie boven alles. Burgers droegen de Hollandse cultuur en Hollanders werden bestuurd door de hoge burgerij, de regentenfamilies, en niet door de adel. Ter bescherming van de stedelijke samenleving hechtte Holland van oudsher aan een goed sociaal vangnet voor zieken, zwakken, armen en sociaal onaangepasten, gefinancierd door overheid, religieuze instellingen of particulieren. Geletterdheid en wetenschap gingen hand in hand met een bloeiende burgerlijke handelscultuur en de trots van de Hollanders lag niet bij hun vorst maar bij hun land en steden. De symbolen die de Hollanders voor hun gewesten kozen, illustreren dit: de Hollandse tuin, de leeuw en de koe.

Windmolen

Vormen de steden sinds de late Middeleeuwen in veel opzichten het meest kenmerkende element van de Hollandse samenleving, de voorwerpen, afbeeldingen en gebruiken die tegenwoordig het zogenaamd typisch Hollandse symboliseren, hebben in veel gevallen juist bijzonder weinig te maken met het stedelijke. De windmolen, de tulp en de Volendammer op klompen zijn ontleend aan de cultuur van boeren en vissers, maar staan in het moderne Europa tegelijk symbool voor een van de meest verstedelijkte gebieden van West-Europa, de Randstad.

In de negentiende eeuw hebben beschouwers uit binnen- en buitenland het typisch Hollandse, dat wil zeggen het pure en onbedorven Holland, nog niet verknoeid door industrie en moderniteit, gezocht aan de Noordzee- en Zuiderzeekust. Inmiddels zijn deze oude symbolen voor het Hollandse gewest door het nationale toegeëigend en worden tulpen, klederdrachten en klompen vaak ongegeneerd ingezet voor de promotie van Nederland (!) in het buitenland. Ook het Binnenhof en de Ridderzaal, ooit het centrum van hofcultuur van het middeleeuwse graafschap Holland, symboliseren niet langer het gewest, maar de nationale staat. Net als ten tijde van de Republiek weten de gewesten Noord- en Zuid-Holland ook nu nog hun stempel te drukken op de nationale politiek en de nationale cultuur. Geen wonder dat de Hollanders nauwelijks de behoefte voelen hun eigen identiteit te benadrukken.

Holland heeft dat niet nodig, want het kent sinds vele eeuwen een voorsprong in Hollandse eigenheid. Uiteindelijk zoeken de auteurs de wortels daarvoor in de Hollandse delta en het weinige gegeven land, dat de inwoners door grote ondernemingsdrang, initiatief en ook met de nodige agressiviteit in de Gouden Eeuw wisten op te stuwen tot de Europese top. Hollands achterstand werd een voorsprong, nu dankzij de gegeven externe omstandigheden: de ligging met de rug tegen de zee, de groeiende bevolking, de bloeiende handel.

Na lezing van deze prachtige nieuwe "Geschiedenis van Holland" zijn we weer onder de indruk van de kansen die de bewoners van deze gewesten telkens hebben gegrepen en van de organisatie van hun stedelijke maatschappij. Het bijzondere van Holland lag en ligt in de initiatiefrijke geest en creatieve cultuur van haar inwoners, in alle tijden.

N.a.v. "Geschiedenis van Holland" (drie delen in vier banden), red. Thimo de Nijs en Eelco Beukers; uitg. Verloren, Hilversum, 2002-2003; ISBN set 9065507000; ca. 1500 blz.; 90,-; prijs per deel 25 euro (excl. verzendkosten).

Mw. dr. C. P. H. M. Tilmans is als historicus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 september 2003

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Hollands voorsprong

Bekijk de hele uitgave van woensdag 3 september 2003

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken