Bekijk het origineel

Het briefje van vijfentwintig

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het briefje van vijfentwintig

Ds. Zandt uitte ongenoegen over "zuiver Roomse voorstelling" op bankbiljet

6 minuten leestijd

Ze zijn er niet meer, de bankbiljetten van 25 gulden. Nederland heeft zijn vertrouwde gulden verwisseld voor de euro. De gulden, die in 1378 in Holland werd ingevoerd, was een veel langer leven beschoren dan zijn voorganger, de florijn uit 1252. In 1814 kwam het eerste bankbiljet. Maar laten we niet denken dat alle briefjes door iedereen gewaardeerd werden.

Het is oktober 1953. Ds. P. Zandt heeft in de Tweede Kamer zojuist zijn ongenoegen geuit over een bankbiljet van 25 gulden, gedateerd 1 juli 1949. De heftige kritiek van de SGP-afgevaardigde ging over de voorstelling op het bankbiljet. Niet over de beeltenis van koning Salomo, die prominent staat afgebeeld. Natuurlijk ook niet over de tekst uit de Statenvertaling, weergegeven in de taal van 1637: "Daer is een die uytstroyt, den welcken nogh meer toegedaen wort; ende een die meer inhoudt dan recht is, maer 't is tot gebreck. Spr. 11:24." Nee, het ging de SGP'er over een kleine afbeelding links van het hoofd van deze wijze koning: een man op een paard, zijn zwaard in zijn rechterhand en een arme man geknield naast hem. Die ruiter heeft een stralenkrans rond zijn hoofd: Rome!

De SGP-voorman sprak: "Onder de dusgenaamde christelijke coalitiekabinetten is er geen enkele waarlijk christelijke wet tot stand gekomen. Daarentegen heeft zij de verroomsing van ons land sterk in de hand gewerkt, dewijl zoveel Christelijk-Historischen als Anti-Revolutionnairen in flagrante strijd met hun eigen belijdenisgeschriften Rome als Christelijk bij ons volk hebben aangediend, daarbij de waarschuwingen van de zijde der SGP in de wind slaande (). Ook wilden zij er niet van horen, dat Rome steeds dezelfde is gebleven, die de dood gezworen heeft aan de Reformatie, en deze als een vermaledijde ketterij, ja als een pest, veroordeelt en er niet voor terugdeinst om de Protestanten, waar zij er de macht toe heeft, te vervolgen en te onderdrukken."

Liever Calvijn

Deze woorden zijn een inleiding op de kritiek op het bankbiljet. De ruiter is niemand anders dan bisschop Martinus van Tours, overleden in 397, de meest vereerde heilige in West-Europa. Zijn voorspraak wordt ingeroepen om tegen onheil te beveiligen. "Hij draagt geen hoed, maar zijn hoofd is omgeven met een stralenkrans, waarbij op de achtergrond een kathedraal met vier kruisen is geplaatst. Het is dus een zuiver Roomse voorstelling op een openbaar Nederlands bankbiljet."

Deze bisschop snijdt zijn eigen kleed doormidden om de helft ervan te schenken aan de arme man naast hem. "Wil men de milddadigheid bij ons volk aanprijzen, men had de beeltenis van Calvijn daarop kunnen aanbrengen, die heel zijn vermogen en inkomen aan de arme en vervolgde geloofsgenoten heeft gegeven, zodat hij bij zijn sterven nog geen 400 francs naliet", aldus ds. Zandt.

Ds. Zandt deed enkele suggesties voor een betere afbeelding aan de hand: Hus op de brandstapel, Luther op de Rijksdag te Worms en, om wat dichter bij huis te blijven, Jan de Bakker op de houtmijt in Den Haag. "Het is uit principiële, alsook uit practische overwegingen, dat wij de regering verzoeken, dat zij dit bankbiljet ten spoedigste zal intrekken en niet op deze wijze met roomse propaganda zal worden doorgegaan. Men kan dit verzoek ook wel weer brandmerken als anti-papisme, maar duizenden en nog eens duizenden met ons in het land zullen toch begeren, ook al zijn zij niet Staatkundig Gereformeerd, dat de bankbiljetten geen aanstotelijk karakter zullen dragen en dat zij niet voor eigen propaganda zullen dienen"

Een gewichtige zaak

Niemand van de andere afgevaardigden deelde dit standpunt. Slechts één kamerlid, Van de Wetering, was van mening dat bankbiljetten het portret van Hare Majesteit horen te dragen. Maar géén afkeurend woord over Martinus van Tours.

In zijn repliekrede ging de SGP'er opnieuw op deze kwestie in. Hij wees op de oudchristelijke kerk, die beelden verbood, zoals op het concilie van Konstantinopel, waar 338 bisschoppen de aanwezigheid van heiligenbeelden tot in de huizen toe verbood. Krijgen we straks "de beeltenis van de één of andere Paus of van Marx?"

Hij vervolgde dat gewezen roomsen diep verontwaardigd waren dat men van staatswege deze bankbiljetten had ingevoerd, mensen die de verering van verstorven heiligen als zonde hadden leren kennen en met de beeldendienst gebroken hadden. "Hier komt geen lachen aan te pas, daar deze aangelegenheid veel te ernstig is. Het geldt hier een gewichtige zaak, namelijk de beelden- en heiligenverering, welke Rome voorstaat, maar de Protestanten sterk afkeuren. Wanneer men dit in acht neemt, is het zeer begrijpelijk, dat de Protestanten zich aan het betreffende bankbiljet grotelijks ergeren."

Schot in de roos

In het partijorgaan De Banier van 12 november 1953 worden de leden opgewekt om de redevoering van ds. Zandt over dit onderwerp te bestellen, "nu er nog grote belangstelling over de besproken onderwerpen bestaat en men wachte er niet mede, tot deze weer aan het verflauwen is." Deze "lijvige brochure is tegen de spotgoedkope prijs van 5 centen per exemplaar te bestellen." Giften bleven welkom; zelfs briefjes van 25.

De postbode had handenvol werk om de vele reacties bij ds. Zandt te bezorgen. "Nog dagelijks komen er bij hem, vooral van rooms-katholieke zijde, brieven in, waarvan er vele met hoon en smaad vervuld zijn, hetgeen er wel op wijst, dat Ds. Zandt, sprekende over dat bankbiljet, in de roos geschoten heeft." Eén brief had als adressering zelfs "Aan de zeer onchristelijke Ds. Zandt". "Dit zegt ons al heel overtuigend, hoever het door de roomse invloed en macht al in ons vanouds geuzenland gekomen is."

Deze kwestie bleef de gemoederen bezighouden. Dagblad De Rotterdammer van 21 november 1953 citeerde de lutherse prof. dr. W. J. Kooiman. Deze hoogleraar had bezwaar tegen het gebruik van de "archaïstische spelling" van de bijbeltekst op het bankbiljet. Liever had hij deze tekst gezien in de Lutherse Vertaling, in de Nieuwe Vertaling of in de (vrijzinnige) Leidse Vertaling. Aan de suggestie van ds. Zandt om Luther af te beelden ging hij overigens voorbij.

Postzegels

Een soortgelijke discussie deed zich voor in oktober 1961. Bij de Algemene beschouwingen over de rijksbegroting uitte ir. C. N. van Dis bezwaar tegen afbeeldingen op een serie kinderpostzegels 1961 met "Specifiek rooms-katholieke feestdagen zoals Driekoningen, Palmpasen en Sint Maarten" (dezelfde Martinus van Tours, JM). "Als de regering dit maar laat voortgaan, kan men na verloop van tijd postzegels krijgen met beeltenissen die Maria en andere Santen en Santinnen moeten voorstellen." Van Dis vroeg dringend de regering te bevorderen dat deze postzegels niet in circulatie zullen komen. De tijd dat Voetius op de postzegels stond (1936), leek voorgoed voorbij.

Den Haag, 1953

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 2003

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Het briefje van vijfentwintig

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 2003

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken