Bekijk het origineel

Op de vlucht voor wrede Duitsers

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Op de vlucht voor wrede Duitsers

Belgische vluchtelingen overspoelden Nederland na de val van Antwerpen

7 minuten leestijd

Nederland was tijdens de Eerste Wereldoorlog een neutraal eiland te midden van het oorlogsrumoer. Zowel vanuit België als vanuit Duitsland zochten vluchtelingen hun toevlucht in ons land. Her en der richtte de Nederlandse overheid 'asielzoekerscentra' in.

Duitsland viel België op 4 augustus 1914 binnen. Tienduizenden Belgen sloegen op de vlucht, beangstigd door de verhalen over de wreedheid van de Duitse veroveraars. Ze konden maar twee kanten op: naar Nederland of het Kanaal over naar Engeland.

Om de nood van de vluchtelingen te lenigen, werd al snel het Nederlands Comité tot steun aan Belgische en andere slachtoffers (kortweg: Amsterdams Comité) opgericht. Het was een particulier initiatief, maar later coördineerde de overheid het werk.

Het grootste aantal vluchtelingen kwam Nederland binnen na de beschieting en de val van Antwerpen op 10 oktober 1914. Op dat ogenblik waren er naar schatting een miljoen Belgen in ons land, onder wie meer dan 40.000 militairen. De regering verspreidde de burgervluchtelingen over het land, waarna provinciale vluchtelingencomités zich over hen ontfermden. De militairen werden ontwapend en geïnterneerd. Zo'n 7000 soldaten zagen echter kans in burgerkleren via Vlissingen naar Engeland te ontsnappen om daar opnieuw dienst te nemen. Zes generaals en 400 andere officieren kregen onderdak in Zwolle.

Tijdelijk onderdak

Reeds op 12 oktober begonnen de onderhandelingen tussen de Belgische overheid en de Duitse bezetter over de terugkeer van de burgerbevolking. De Nederlandse regering oefende zachte drang uit om zo veel mogelijk Belgen naar huis te laten gaan. In november 1914 waren er nog 323.600 vluchtelingen geregistreerd, in december nog 200.000 en vanaf mei 1915 bleef het aantal tot het eind van de oorlog constant: 105.000. België ontvluchten ging niet meer: de Duitsers grendelden de grens van Vaals tot Cadzand af met een 180 kilometer lange draadversperring. Honderden mensen kwamen om doordat dit 'IJzeren Gordijn' onder een spanning van 2000 volt stond.

De Nederlandse regering vond dat de opvang van vluchtelingen vooral een taak was voor de gewone burger. Er waren echter te weinig particulieren die vluchtelingen onderdak boden. Daarom kwamen er enkele tijdelijke kampen, terwijl tegelijkertijd de bouw van een permanent kamp in Nunspeet startte.

Tijdelijke kampen waren er in Bergen op Zoom (twee tentenkampen), Roosendaal (suikerfabriek Java voor 1600 personen), Hontenisse (een tenten- en barakkenkamp voor 4000 mensen), Baarle-Nassau (in de stationsgebouwen), Amsterdam (in loodsen langs het IJ), Scheveningen (in het Circus), Oldebroek (in de barakken van de artillerieschietschool), Veenhuizen (ongeveer 1500 burgers) en Tilburg (tentenkamp "Kijk in de Pot", waarvan de bewoners later werden overgeplaatst naar het in allerijl gebouwde barakkenkamp "Plein XIII"). Het woord "kamp" klonk wat negatief en daarom sprak de overheid liever over "(rijks)vluchtoord".

Gedurende de gehele oorlogsperiode was er in Tilburg een woonwagenkamp voor gevluchte Belgische woonwagenbewoners. In Veenhuizen waren ook 340 mannen ondergebracht die in Antwerpen tijdens het bombardement uit de gevangenis waren vrijgelaten. Zij zijn begin 1915 overgedragen aan de Duitse bezettingsautoriteiten.

Rijk en arm

Bij het onderbrengen van de vluchtelingen streefden de autoriteiten naar het type huisvesting dat paste bij de sociale status van de vluchteling. Vermogende Belgen mochten zich buiten de vluchtoorden vestigen. De overheid rangschikte de arme vluchtelingen in drie categorieën: A: gevaarlijke of ongewenste elementen, B: minder gewenste elementen, C: fatsoenlijke behoeftigen.

Van de definitieve kampen was vluchtoord Nunspeet bestemd voor 13.000 personen uit de categorieën A en B ("de heffe des volks"), met een door prikkeldraad omrasterde en bewaakte afdeling voor misdadige lieden. Vluchtoord Uden kon 10.000 vluchtelingen uit de groepen B en C bergen en in Gouda richtte het plaatselijke steuncomité een vluchtoord in voor 2000 personen.

Vluchtoord Ede moest als modelkamp dienen en was bedoeld voor categorie C. Dit kamp kon 10.000 personen bergen. Het werd voorjaar 1917 opgeheven, waarbij de nog aanwezige bewoners naar kamp Nunspeet gingen. Het Deense Dorp, een afdeling met verplaatsbare woningen, verhuisde mee naar Nunspeet en kreeg later een functie in België voor mensen die door de oorlog dakloos waren geworden.

In de praktijk kwam er van deze tweedeling in arme/niet fatsoenlijke en rijke/wel fatsoenlijke vluchtelingen niet veel terecht, maar door deze maatregelen gaven vele vluchtelingen er wel de voorkeur aan naar België terug te keren. Dit was ook de reden dat de maximale opnamecapaciteit van de vluchtoorden nooit volledig is benut. Het waren meest vrouwen, kinderen en bejaarden die er terechtkwamen: in Nunspeet op het hoogtepunt 7050 personen, in Ede maximaal 5400 en in Uden 7020.

Behalve barakken met woon- en slaapvertrekken waren er winkels, een kerk, een postkantoor en een ziekenzaal in elk kamp. In maart 1915 ontving de Nederlandse regering uit Denemarken een gift van 325.000 gulden. Daarmee richtte zij in Gouda, Ede en Uden werkplaatsen in, waar de Belgen verplaatsbare woningen fabriceerden. Die kwamen terecht in Ede, Uden, Scheveningen en Amsterdam, terwijl er 38 naar Zierikzee gingen voor Belgische vissers.

Deserteurs

De militairen vormden een verhaal apart. Nederland was als neutraal land verplicht hen te ontwapenen en te interneren. Reeds tijdens de eerste oorlogsdagen staken 52 Belgische en 179 Duitse militairen in Limburg de grens over. Ze werden samen ondergebracht in een leegstaande kazerne in Alkmaar. Samen! Dat was vragen om narigheid. Daarom werd voor de Duitsers kamp Bergen gebouwd en de Belgen gingen al snel naar kamp Gaasterland. Er vluchtten ook bijna 1600 Engelse militairen van de First Royal Naval Brigade naar Nederland. Zij waren bij Calais geland en zagen zich bij de verdediging van Antwerpen de terugweg afgesneden.

Amersfoort en Harderwijk moesten het leeuwendeel der geïnterneerden onderdak bieden. Omdat de kazernes te klein waren, ontstonden er onhoudbare toestanden. Daarom werd in beide plaatsen een tentenkamp ingericht.

De 125 Duitsers in Bergen hielden soms heftige twistgesprekken, doordat er nogal wat deserteurs bij zaten. In mei 1916 besloot de regering na zorgvuldig onderzoek 32 deserteurs vrij te laten. Het aantal geïnterneerden groeide door het stranden van vliegtuigen, marineschepen en onderzeeboten. In 1917 nam het aantal deserteurs dat naar Nederland vluchtte meer en meer toe. Er kwam daarom een apart deserteurskamp. In dat jaar werden 554 deserteurs in vrijheid gesteld.

Belgische, Britse en Franse officieren die weigerden op hun erewoord te beloven geen ontvluchtingspogingen te ondernemen, werden geïnterneerd in Urk of in fort Wierickerschans bij Bodegraven. Vanaf maart 1915 was er in het voormalig Depot van Discipline in Vlissingen een strafklasse ter afzondering van "tuchteloze elementen."

Gezinnen

Gehuwde geïnterneerden genoten speciale gunsten: hun gezinnen mochten zich in de omgeving van het kamp vestigen en de gevangenen kregen verlof hen regelmatig te bezoeken. Ten gevolge van de kamernood die daardoor ontstond, kwamen er klachten binnen over de hoge kamerhuren. Door de slechter wordende economische omstandigheden geraakten ook steeds meer vrouwen van geïnterneerden zonder inkomsten, waardoor opname in een vluchtoord steeds dreigend op de achtergrond aanwezig was. Om dit probleem op te lossen, werden bij Amersfoort, Harderwijk en Oldebroek en in het Gaasterland zeven gezinsdorpen gebouwd. Daar bevonden zich in mei 1918 maar liefst 6640 gezinnen.

Door tewerkstelling in Nederlandse bedrijven verlieten steeds meer geïnterneerden de kampen. Daarvoor werd slechts toestemming verleend als er geen Nederlandse arbeidskrachten beschikbaar waren. Er was echter dringend behoefte aan werknemers, omdat zeer veel Nederlandse jonge mannen waren gemobiliseerd. Hierdoor ontvolkten de interneringskampen, zodat er steeds meer oorden werden samengevoegd. Harderwijk was het laatste kamp dat overbleef.

In totaal zijn in Nederland geïnterneerd geweest: 33.105 Belgen (onder wie 406 officieren), 1751 Engelsen (139 officieren), 1461 Duitsers (68 officieren), 8 Fransen (5 officieren) en 4 Amerikanen. Op 11 november 1918 was de oorlog voorbij. Pas vanaf december konden de geïnterneerden repatriëren. De Nederlandse regering betaalde de treinreis van de vluchtelingen. Eindelijk konden ze naar huis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 2004

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Op de vlucht voor wrede Duitsers

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 2004

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken