Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Alleen bidden als de directeur binnenkomt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Alleen bidden als de directeur binnenkomt

Leerkrachten denken vaak weinig na over uitwerking identiteit christelijke school

5 minuten leestijd

De identiteit van een school staat of valt met de man of vrouw voor de klas. Dat is een stelling die in recente debatten rond (de bedreiging van) artikel 23 van de Grondwet nog weer eens nadrukkelijk naar voren kwam. In het christelijk onderwijs zijn de personeelsleden echter vaak verlegen met de grondslag van hun school, concluderen twee Utrechtse onderzoekers.

Theoloog/onderwijskundige prof. dr. C. Bakker en wijsgerig pedagoge drs. E. M. Rigg deden onderzoek naar de motivatie van de pedagogische en didactische keuzes die leerkrachten in het protestants-christelijk en het rooms-katholiek onderwijs maken. De onderwijsgevenden brengen hun eigen levensbeschouwelijke achtergrond mee. Ze hebben daarnaast te maken met de formele identiteit van de school én niet zelden ook met een steeds gemengdere leerlingenpopulatie. Hoe gaan ze daarmee om?

Onderwijsgevenden blijken de christelijke identiteit van hun school vaak nogal smal op te vatten: hun eerste gedachten gaan uit naar godsdienstonderwijs, dagopeningen, vieringen en dergelijke expliciete uitingen. Dat de identiteit met álle aspecten van het onderwijs, zowel onderwijskundig als organisatorisch, te maken heeft, willen ze wel aannemen, maar ze noemen het zelf niet direct. Degenen die het begrip identiteit wel breder zien, hechten soms juist minder aan die concrete uitingen. Eén leerkracht uit deze groep bekende tijdens de interviews die Bakker en Rigg afnamen bijvoorbeeld dat ze de schooldag alleen met gebed beëindigt als de directeur net binnenloopt.

Abstract

Door deel te nemen aan dit onderzoek moesten de leerkrachten nadenken over de formele identiteit van hun school. Dat bleek voor velen geen alledaagse ervaring. Ze vinden de identiteit vaag en kunnen die moeilijk verwoorden. Teamleden spreken er onderling ook weinig over. Ze konden sommige waaromvragen tijdens de interviews niet beantwoorden, omdat ze er nog nooit over hadden nagedacht. De vormgeving van het vak godsdienst en het zingen van christelijke liederen hebben dan een hoog vanzelfsprekendheidsgehalte: dat doe je gewoon en daar denk je verder niet over na. Bij identiteitsgevoelige kwesties worden dan ook vaak pragmatische ad-hocbeslissingen genomen, die er vooral op gericht zijn het brandje snel te blussen.

De notie "christelijke identiteit" blijkt voor veel personeelsleden abstract en heeft voor hen weinig te maken met de schoolpraktijk. Zelf zijn de leraren in hun alledaagse handelen natuurlijk volop bezig de identiteit van de school vorm te geven. Ook het onderling beraadslagen over een "missie" en "visie" van de school, het samenstellen van de schoolgids, het inrichten van het schoolgebouw en het opzetten van een brede school zijn vormen van identiteitsontwikkeling. Leerkrachten koppelen dat vaak echter niet aan de formele grondslag, zo blijkt uit het onderzoek.

Negatief zijn ze niet over die grondslag, maar de betekenis die ze eraan geven varieert van "een buitenkantje" met wat plichtplegingen tot de ruimte voor een gesprek met leerlingen over "het lijntje naar boven" en dat "vonkje dat ergens vanbinnen moet zijn."

Men vindt de identiteit wel waardevol, maar tegelijkertijd is ze een probleem, omdat de leerkracht steeds het gevoel heeft dat de identiteit onvoldoende uit de verf komt en dat hij er nog iets mee moet. Maar wat? Ook heerst het gevoel dat het met de christelijke identiteit bergafwaarts gaat. Eraan werken lijkt vechten tegen de bierkaai. Tegelijkertijd heeft men toch het gevoel dat de school niet van kleur mag verschieten.

Het bestuur prikkelt hen ook niet om de identiteit handen en voeten te geven. Rigg en Bakker noemen dat opvallend, omdat besturen meer dan enige andere geleding waarde aan de identiteit hechten. Wellicht dat de directeur wel vaak met het bestuur over de identiteit praat -dat hebben ze niet onderzocht-, de doorsnee leerkracht doet dat in elk geval niet.

Gemengd

Christelijke scholen hebben gemiddeld steeds meer leerlingen die niet of nauwelijks christelijk zijn. Dat blijkt voor de leerkrachten echter nauwelijks een spanningsveld op te leveren. Hoe komt dat? vragen Bakker en Rigg zich af. Kinderen die niet christelijk worden opgevoed, maar wel christelijk onderwijs ontvangen, daar wringt toch iets? Doordat de leerkrachten echter weinig over de formele identiteit van de christelijke school hebben nagedacht, zien ze ook nauwelijks een spanningsveld tussen die identiteit en het feit dat veel ouders en leerlingen weinig met die levensbeschouwelijke grondslag hebben.

De leerkrachten zien de islamitische leerlingen overigens als een veel groter probleem dan de kinderen uit geseculariseerde gezinnen. De hindoekinderen worden vaak niet echt als een probleem ervaren, omdat ze als bescheidener en minder fanatiek dan moslims beschouwd worden.

Meerderheid

Bakker en Rigg geven zelf de begrenzing van de door hen onderzochte groep leerkrachten aan: er waren geen mensen bij die het exclusieve karakter van de christelijke geloofsovertuiging claimden en geen van allen waren ze ook voor restricties in het toelatingsbeleid. In de meeste conclusies van het onderzoek zullen de reformatorische scholen zich dan ook niet echt herkennen. Om dat zo te houden, zouden juist zij hun winst kunnen doen met de aanbeveling van de beide onderzoekers om alle personeelsleden te betrekken bij de concrete uitwerking van de identiteit.

De conclusies van het onderzoek van de Utrechtse wetenschappers verklaren wellicht voor een deel waardoor het bijzonder onderwijs moeiteloos zijn dominante positie (alleen al in het basisonderwijs is 70 procent van de scholen niet openbaar) handhaaft in een tijd waarin de ontkerkelijking razendsnel om zich heen grijpt. Ze legitimeren tegelijkertijd de vraag wat er dan nog zo bijzonder is aan een groot deel van het bijzonder onderwijs waardoor een afzonderlijk bestaan gerechtvaardigd wordt. Een vraag die in de discussie rond de handhaving van ons huidige unieke onderwijsstelsel een geducht en gevreesd wapen kan zijn. Als de identiteit van een school niet staat met de mannen en vrouwen voor de klas, valt zij ermee.

N. a. v. "De persoon van de leerkracht. Tussen christelijke schoolidentiteit en leerlingendiversiteit", door Cok Bakker en Elizabeth Rigg; uitg. Meinema, Zoetermeer, 2004; ISBN 90-211-3984-7; 219 blz.; 19,50.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 2004

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Alleen bidden als de directeur binnenkomt

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 2004

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken