Bekijk het origineel

De preek staat meer en meer onder druk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De preek staat meer en meer onder druk

Dr. Ciska Stark promoveert op prediking als Woord van God in protestantse traditie

9 minuten leestijd

De preek in de protestantse kerken in Nederland staat onder druk. "Omdat alles in de kerkdienst binnen een goed uur klaar moet zijn, en omdat de avonddienst vaak is weggevallen, blijft er in de praktijk amper vijftien minuten over voor een preek", zegt dr. Ciska Stark. Ze promoveerde deze week op een praktisch-theologisch onderzoek naar de preek als Woord van God. "Mijn boek is te zien als een pleidooi voor een eerherstel van de preek. De waarde van de preek heeft zich in de protestantse traditie duidelijk bewezen."

De promovendus stelt duidelijk dat zij in de lijn van de protestantse traditie de preek ziet als het Woord van God. "Hier ligt echter wel een spanningsveld. De preek is niet op een magische wijze te beschouwen als een woord dat direct vereenzelvigd mag worden met het Woord van God zelf. Maar het is ook niet een willekeurig mensenwoord. De prediking draagt wel het beloftekarakter dat de preek door de werking van de Geest het Woord va n God vertegenwoordigt en vertolkt. Daarom zet ik uiteen dat de Heilige Geest de eigenlijke bemiddelaar is van het Woord van God. Zonder de Geest kan de preek geen vrucht dragen. Alle communicatieve theorieën kunnen ingezet worden en moet je serieus nemen, maar nooit ten koste van de waarborg dat de Geest het geloof van de gemeente wekt en bewerkt."

Dr. Stark zegt dat in de preek de spanning tussen God en de hoorder moet "vonken." "Het Woord daalt neer in onze werkelijkheid. Wat er in de prediking gebeurt, is van groot belang, ook voor de wereld. Er gebeurt in de prediking werkelijk iets met ons. Het Woord is echter tegelijkertijd een kwetsbaar woord, breekbaar en aangevochten in deze wereld. Het woord van de prediker is soms ook misbruikt met de pretentie Gods Woord te zijn, en heeft daarom mensen soms geweldig vernederd en beschadigd. Daarom herken ik mij ook in wat Calvijn zegt over de gemeente: het Woord is aan de gemeente gegeven, de kerkdienst is voor hem de samenkomst van de gemeente. Dat wil zeggen: de gemeente is een kritische gesprekspartner voor de prediker. Over het algemeen is er weinig sprake van een constructief klimaat waarbinnen het gesprek rondom de prediking een plaats heeft. Kritiek op de prediking wordt vaak gezien als kritiek op de predikant. Ik probeer zelf altijd voor kritiek open te staan en daar waar het mij lukt, leer ik ervan. Het verdiept mijn prediking. Als je je openstelt voor kritiek, voorkom je ook dat men achter je rug om kritiek uit."

De preek staat bij veel gemeenteleden ter discussie. Is het niet vaak een gewoonte om over preken te klagen?

"Er is vaak kritiek op de preek in de trant van: het was vanmorgen weer niets, of: het duurde te lang, of wat dan ook. Dat is oppervlakkige en vaak ook luie kritiek. Maar het weerspiegelt ergens toch ook dat mensen ten diepste niet vinden wat zij zoeken: ze hebben zich voor het aangezicht van God gesteld en verwachten een heilzaam Woord te ontvangen. In de praktijk kun je er niet omheen dat de spanningsboog van mensen de afgelopen decennia behoorlijk veranderd is. Geoefende kerkgangers zijn heel wat gewend, maar voor de meeste mensen is twintig minuten luisteren naar een preek al te moeilijk. In onze Protestantse Kerk wordt veel uit een leesrooster gepreekt, maar zo'n leesrooster is van oorsprong gebaseerd op de liturgie van het dagelijks leven, op een dagelijkse omgang met de Schrift. Die huisliturgie bestaat echter nauwelijks meer. Waar wordt nog drie keer aan tafel uit de Bijbel gelezen? Je bent al blij als mensen dat één keer per dag doen. Als voorgangers moeten we met dit soort dingen rekening houden, niet te veel continuïteit veronderstellen, en in de preek zorgen voor het aanbrengen van meer variatie. Dat laat ik ook zien in mijn onderzoek: er zijn meerdere vormen mogelijk waarin het Woord van God tot zijn recht kan komen. Er is binnen veel protestantse gemeenten vaak te weinig rust om veel aandacht aan de preek te geven. Voor alle groepen moet er wat zijn, voor de kinderen, voor de ouderen, er zijn de bloemen en de projecten, en dan blijft er soms amper een kwartier over voor de prediking, waarin dan alles aan elkaar gepraat moet worden. Dat legt een druk op de vrije verkondiging van Gods Woord."

Voorgangers weten weinig over het effect van de preek bij hun hoorders, concludeert u in uw onderzoek. Is preken een eenzaam avontuur?

"Het is een theologisch gegeven dat de prediker een eenzame positie inneemt. Hij heeft soms overleg met zijn collega's over een tekst waarover hij wil preken, maar overleg met de gemeente is er niet. Er is wel eens preekbespreking, maar dat is meestal nabespreking. Er zou ook iets van een voorbespreking kunnen zijn. Dat komt niet in mindering op de eigen verantwoordelijkheid van de predikant, maar daar ligt zijn verantwoordelijkheid óók! Het belangrijkste doel van de kerkganger is het ontmoeten van God. De kerkganger verwacht troost, bemoediging, ondersteuning en opbouw van zijn geloof. Hij verwacht iets van een persoonlijke ervaring van de Geest van God. Hij komt in de kerk om het aangezicht van God te zoeken, niet voor een kletspraatje of wat willekeurige kanttekeningen bij de lezing."

U zegt in uw boek dat u uitgaat van een gelovige gemeente. Maar betekent dat dat alle gemeenteleden gelovig zijn? Is het niet ook nodig dat kerkgangers niet alleen bevestigd worden, maar ook geconfronteerd met hun leven, met hun zonden en gebreken?

"Dat laatste wil ik ook onderstrepen, maar hoe doe je dat? In de Willow Creek-beweging zie je wel eens dat men onderscheid maakt tussen diensten voor belangstellenden, die vooral een evangeliserend karakter hebben, en diensten voor de eigen leden. In protestantse gemeenten wordt dat onderscheid niet gemaakt; daar is het niet de gewoonte om naar geloofskwalificaties te onderscheiden. Wel moet je spreken naar de verschillende situaties van mensen. De predikant mag best confronterend preken, maar als dat gebeurt met de gedachte van "de zweep erover", heeft het geen enkel effect. Als het de predikant, soms onbewust, te doen is om de preek te misbruiken om kritiek uit te oefenen op vermeende misstanden, dan hebben gemeenteleden dat haarscherp in de gaten. Een dergelijk optreden van de predikant komt niet voort uit dienstbaarheid. Je kunt pas kritiek op de ander uitoefenen vanuit de gedachte dat je je ten diepste aanvaard mag weten als een mens voor God, levend van Zijn genade. Dat geldt voor predikant en kerkganger. Dan durf je je ook open te stellen voor een Woord dat je soms tegen de haren instrijkt."

Verlegenheid

Voorgangers vinden de preek als woordverkondiging soms minder wezenlijk voor de eredienst dan kerkgangers, concludeert dr. Stark in haar onderzoek. Inderdaad, verrassend, zegt ze. "Je ziet onder invloed van de liturgische oriëntatie een bepaalde neiging om de eredienst als een soort sacrament te beschouwen, zoals dat in de Middeleeuwen het geval was. Als je maar in de kerk komt, het Woord hoort en de gebeden doet, dan zit het wel goed. Het voorgeschreven karakter van een leesrooster kan iets magisch krijgen. Het Woord van God vraagt er echter om niet alleen gelezen, maar ook toegepast en uitgelegd te worden, om betrokken te worden op de dagelijkse werkelijkheid. Daarom is de prediking zo onmisbaar. Ik ben soms best bezorgd over sommige hoogliturgische invloeden in onze kerken. Als er ergens een doordeweekse "viering" is, dan wordt er vaak een stille meditatie ingelast. Ik vind dat verlegenheid, eigenlijk armoede."

U schrijft dat de prediking de levendige verkondiging van Gods Woord is. Hoe stelt u zich dat voor: een uitgeschreven preek, of een preek waarin ruimte is voor de werking van de Geest?

"De prediking is een levend iets, gebaseerd op: "Spreek Heer, want uw knecht hoort." Of liever gezegd: de gemeente hoort. Mijn boek is te beschouwen als een pleidooi voor een eerherstel van de preek, omdat die in de protestantse traditie zijn waarde heeft bewezen. We zijn er niet als we de oplossing zoeken in alleen maar nieuwe vormen en powerpointpresentaties . Als we mogen geloven dat het Pinksteren is geweest, geloven we ook dat God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest onder ons aanwezig willen zijn in de prediking en dat de prediking niet krachteloos is. Ik ga ervan uit dat de Heilige Geest evengoed wil werken door datgene wat de predikant vrijdagavond in de computer intikt, als door wat hij op zondag als ingeving krijgt. Alleen, de preek mag geen leespreek worden. Aan de andere kant: predikanten die geheel uit het hoofd preken, zeggen vaak hetzelfde. Dat blijkt uit onderzoek. Bij het preken moet je ook openstaan voor wat er ter plekke gebeurt. Als ik alleen maar een preek voorlees, kan de gemeente niet meedenken. Je mag de preek best lezen, als je maar ook daadwerkelijk beleeft wat je leest. Memoriseren van de preek komt weinig voor. De meeste predikanten schrijven de preek helemaal uit, Waar dat niet gebeurt, heeft het meestal ook te maken met een kwestie van drukte en tijdsgebrek. Je kunt van een predikant niet verwachten twee keer per zondag een preek te leveren als hij het doordeweeks veel te druk heeft. Toch beklemtoon ik het belang van een zorgvuldige, goed voorbereide preek, die ruimte laat voor wat er tijdens de preek in ontmoeting tussen God en mensen gebeurt."

KADER

Dr. Stark is docent liturgiek en homiletiek (predikkunde) aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit in Amsterdam, coördinator van de predikantsopleiding aldaar voor de Protestantse Kerk in Nederland, en ook van de opleiding waar het seminarie van de Hersteld Hervormde Kerk (HHK) onder valt. Voor deze identiteitsgevoelige vakken heeft het Hersteld Hervormd Seminarie eigen docenten aangesteld (voor de homiletiek is dat drs. R. van Kooten uit Soest). Dr. Stark is zelf predikante binnen de Protestantse Kerk. Ze heeft, omdat ze docent is, op dit moment geen eigen gemeente. Wel houdt ze zich volop bezig met het analyseren en bespreken van preken van studenten.

In haar proefschrift ("Proeven van de preek. Een praktisch-theologisch onderzoek naar de preek als Woord van God", uitg. Boekencentrum, Zoetermeer) geeft ze een uitvoerig historisch overzicht van de visie op de preek als verkonding van het Woord van God. Ze begint bij het spreken van God in de joodse traditie en het Nieuwe Testament en start daarna een uitgebreide zoektocht in de vroegchristelijke en middeleeuwse traditie, de tijd van de Reformatie (waarbij vooral Luther en Calvijn uitvoerig aan de orde komen). Verder onderzoekt ze de gereformeerde belijdenisgeschriften, de Verlichting en de neocalvinisten (Kuyper, Bavinck, Hoekstra), waarna ze uitkomt bij personen en stromingen in de twintigste eeuw. Het tweede deel van haar onderzoek behelst een analyse van de preekpraktijk van negentien kerken in de breedte van de Protestantse Kerk (zowel gereformeerd als hervormd, inclusief twee gemeenten van gereformeerdebondssignatuur). De pinksterkerkdienst van 31 mei 1998 in deze negentien kerken is het voorwerp van onderzoek. De voorgangers en kerkgangers in deze gemeenten zijn ondervraagd aan de hand van vragenlijsten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 2005

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

De preek staat meer en meer onder druk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 2005

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken