Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onkundige farao's in rechterlijke macht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onkundige farao's in rechterlijke macht

Juristen bekritiseren vonnis over stopzetten subsidiëring SGP

8 minuten leestijd

Kan de SGP in de toekomst weer overheidssubsidie tegemoetzien? Als het aan diverse juristen ligt wel. Een bloemlezing.

In september 2005 sprak de Haagse rechtbank uit dat de rijksoverheid de SGP niet langer mag subsidiëren omdat de partij vrouwen niet hetzelfde behandelt als mannen. De rechter oordeelde dat het VN-Vrouwenverdrag van de rijksoverheid vordert dat zij ongelijke behandeling van mannen en vrouwen bij politieke partijen actief moet tegengaan. Subsidie verstrekken aan een partij waarvan vrouwen geen lid kunnen zijn, past daar volgens de rechter niet bij.

De uitspraak maakte heel wat tongen los, ook van rechtsgeleerden. In de juridische vakliteratuur spuiden verschillende deskundigen hun gram.

In het Bulletin van het Nederlands Juristencomité voor de Mensenrechten fileert mr. dr. M. de Blois, universitair docent en onderzoeker aan de faculteit rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht, het vonnis. "Over u, voor u en zonder u", zo luidt een van zijn conclusies. Hij heeft drie bezwaren tegen de rechterlijke uitspraak.

Zijn eerste grief is dat de rechter het Proefprocessenfonds Clara Wichmann accepteert als instantie die ongelijke behandeling van vrouwen in de politiek moet tegengaan. Volgens De Blois heeft het proefprocessenfonds helemaal geen belang in deze kwestie.

Verder vindt de Utrechtse jurist het een misser van de eerste orde dat de rechter uitspreekt dat "eenieder" belang heeft bij het leven in een maatschappij waarin discriminatie op grond van geslacht is verboden. Vallen daar dan niet de SGP-vrouwen onder? zo vraagt hij. "Of moeten we ervan uitgaan dat de rechtbank hier beter weet wat in hun belang is dan zijzelf?"

Zijn tweede punt van kritiek gaat over de selectie van kandidaten door politieke partijen. Volgens de rechtsgeleerde is het helemaal niet vreemd dat de SGP eisen stelt. Dat doen andere partijen ook. Die kijken naar regionale herkomst, maatschappelijke ervaring en dergelijke. Daarmee komen ze ook niet in strijd met antidiscriminatieregels. "De SGP heeft als bijzonderheid dat vrouwen geen kandidaat gesteld kunnen worden, overigens op godsdienstige gronden."

Als derde bezwaar noemt De Blois dat de rechter geen inhoudelijke weging heeft gemaakt tussen de klassieke vrijheidsrechten van godsdienst, vergadering en meningsuiting enerzijds en het discriminatieverbod anderzijds. De rechter heeft aan het verdrag een rechtstreekse werking toegekend, waardoor de rechtbank niet toekwam aan een inhoudelijke afweging van grondrechten. Onterecht, zo vindt de jurist. De rechtbank is er juist voor om grondrechten tegen elkaar af te wegen.

Dubieus

De Blois zou beschuldigd kunnen worden van enige partijdigheid - hij is oudste van een baptistengemeente in Doorn. Maar zijn conclusies worden in grote lijnen ook gedeeld door Marjolein Busstra en Jochum Vrielink, assistenten aan universiteiten in Groningen en Leuven (B). Zij schrijven in het Tijdschrift voor Mensenrechten dat ze "geen persoonlijke sympathie koesteren voor de SGP en al helemaal niet voor haar vrouwenstandpunt."

Busstra en Vrielink spitsen hun kritiek toe op de hiërarchie in grondrechten die de rechter "op dubieuze gronden" invoert. Het is geen nieuws dat er spanning bestaat tussen het discrimatieverbod en de klassieke grondrechten. Dat er van die afweging in het vonnis weinig of niets is terug te vinden, noemen de scribenten "merkwaardig."

De rechter interpreteert het VN-Vrouwenverdrag volgens de juristen verkeerd als ze stelt dat het bestrijden van discriminatie van vrouwen op geen enkele manier afgewogen mag worden tegen andere grondrechten. Als dat zo zou zijn, dan "lijkt het aannemelijk dat zij (de VN, GV) een veel duidelijkere formulering voor artikel 7 zouden hebben gekozen, waaruit dit onomstotelijk zou blijken."

Bovendien, zo benadrukken de twee, is het VN-Vrouwenverdrag slechts deuitwerking van één artikel uit een algemeen VN-verdrag over rechten van de mens. "Van een definitieve vastlegging (in het Vrouwenverdrag, GV) van een voortaan altijd geldende verhouding tussen het recht van vrouwen en andere grondrechten, lijkt geen sprake."

Ook in het blad Administratieve Beslissingen, een blad met jurisprudentie, nemen twee juristen, M. J. Kanne en R. Nehmelman, het op voor de SGP. Zij komen in hun artikel al snel tot de conclusie dat het VN-Vrouwenverdrag geen rechtstreeks bindend verdrag is met een resultaatsverplichting. Het gaat om "een instructienorm." Die mag dus nooit leiden tot het afpakken van de subsidie. Dit is de eerste fout die de rechtbank maakt.

De tweede misser is de verplichting die de rechtbank de overheid oplegt om het passief kiesrecht voor vrouwen bij politieke partijen af te dwingen. Volgens Kanne en Nehmelman klopt deze aanname uit het Vrouwenverdrag niet. De landen die het verdrag ondertekenden, moeten politieke partijen slechts "aanmoedigen" tot het nemen van maatregelen om mannen en vrouwen gelijk te behandelen.

In de derde plaats hekelen de juristen de uitspraak van de rechter dat discriminatie op grond van geslacht in een democratische samenleving niet getolereerd mag worden. "Vertaald naar deze casus komt dit motief van de rechtbank neer op de gedachte dat de Staat alleen politieke partijen mag ondersteunen die volledig aan het gelijkheidsbeginsel voldoen. Met dit standpunt wordt afbreuk gedaan aan het pluriforme politieke aanbod dat een levensvoorwaarde is voor een volwaardige democratie", zo stellen Kanne en Nehmelman. Ze noemen de uitspraak samenvattend "staatsrechtelijk onhoudbaar."

Geestelijke vrijheid

De Blois gaat als enige nog een stapje verder dan alleen louter juridische argumenten. Hij maakt in zijn artikel enkele afsluitende rechtsfilosofische kanttekeningen bij het vonnis. Hij constateert daarin dat de rechter bij de SGP-uitspraak te weinig oog heeft voor het historische element van de geestelijke vrijheid, dat in de Nederlandse geschiedenis zo'n wezenlijke rol speelde. Die geestelijke vrijheid leidde tot de vorming van de klassieke vrijheidsrechten, zoals van godsdienst en van vereniging. Door de verlichting kwamen de moderne grondrechten op: gelijke behandelingen emancipatie. De Blois vindt dat de rechter te weinig oog heeft voor oude grondrechten en gelijkheid tegen de zin van mensen afdwingt.

Hij sluit af met een treurige conclusie: "Het ontbreken bij zeer velen van ook maar enige affiniteit of bekendheid met de achtergrond van het beginsel van de geestelijke vrijheid speelt hierbij een rol. Er zijn ook binnen de rechterlijke macht steeds meer Farao's die de Jozef van de aloude geestelijke vrijheid niet meer gekend hebben."


Het vrouwenfeuilleton van de SGP

Het gerechtshof in Den Haag behandelt maandag het hoger beroep tegen de stopzetting van overheidssubsidie aan de Staatkundig Gereformeerde Partij. Wat gebeurde er in de achterliggende jaren in dit vervolgverhaal?

De SGP is verwikkeld in twee juridische procedures: een civielrechtelijke en een bestuursrechtelijke. De partij zit daarin omdat een aantal vrouwenorganisaties onder leiding van het Proefprocessenfonds Clara Wichmann in 2003 twee rechtszaken aanspant bij de civiele oftewel burgerlijke rechter in Den Haag. De eerste zaak is gericht tegen de SGP en de tweede tegen de Staat der Nederlanden.

Het proces tegen de SGP heeft tot doel de partij te verplichten vrouwen toe te laten als volwaardig lid. Het proces tegen de staat moet ertoe leiden dat de rijksoverheid de subsidiekraan voor de staatkundig gereformeerden dichtdraait.

In het eerste proces boeken de Clara's niet het gewenste resultaat, in het tweede wel. De rechter spreekt in september 2005 uit dat het Proefprocessenfonds Clara Wichmann niet-ontvankelijk is als het erom gaat de SGP te dwingen vrouwen toe te laten. Het instituut is geen belanghebbende. De rechter oordeelt -in het tweede proces- wel dat de staat in gebreke is gebleven bij het tegengaan van vrouwendiscriminatie bij de SGP. De rechter verplicht de minister van Binnenlandse Zaken ertoe met onmiddellijke ingang de subsidie aan de SGP stop te zetten.

De bewindsman is het niet eens met het oordeel van de rechter en gaat bij het gerechtshof in Den Haag in hoger beroep. Formeel zou de SGP geen partij zijn in dit proces, maar omdat ze wel een directe belanghebbende is, mag ze zich aansluiten. Dit proces dient maandag.

Het Clara Wichmann Instituut legt zich niet neer bij de uitspraak van de Haagse rechtbank dat zij geen belanghebbenden zijn in de zaak waarbij de SGP verplicht moet worden vrouwen toe te laten en gaan ook in hoger beroep bij het gerechtshof. Wanneer dit proces dient, is nog niet duidelijk. Mogelijk gaat het helemaal niet door. Dat heeft zeer waarschijnlijk mede te maken met het besluit van de SGP in juni vorig jaar om vrouwen toe te laten als lid van kiesverenigingen.

Los van deze rechtsgang bij de burgerlijke rechter loopt er een bestuursrechtelijke procedure. De SGP tekent in 2006 bezwaar aan tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken om de partij niet langer de jaarlijkse subsidie, die ongeveer 800.000 euro bedraagt, toe te kennen. De bestuursrechter wijst het bezwaar van de SGP af, waarna de partij in beroep gaat bij de afdeling rechtspraak van de Raad van State. Dat proces dient op 24 september 2007. De rechters zouden proberen binnen zes weken uitspraak te doen. Die termijn loopt maandag af.

Het hoger beroep bij de civiele rechter dat maandag wordt behandeld, betekent niet het einde van de rechtsgang. Nadat het gerechtshof uitspraak heeft gedaan -en daar gaat waarschijnlijk wel een halfjaar overheen- kunnen de partijen nog in beroep bij de Hoge Raad en daarna bij het Europees Hof van Justitie.

Het einde van het feuilleton is dus nog lang niet in zicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 november 2007

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

Onkundige farao's in rechterlijke macht

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 november 2007

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

PDF Bekijken