Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Beroepingswerk: minnen en plussen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Beroepingswerk: minnen en plussen

8 minuten leestijd

Het zijn niet altijd Bijbelteksten die bij een beroep de doorslag geven. Dat stelt ds. P. den Butter in een reactie op de serie over beroepingswerk in deze krant. Vandaag het slot, waarin drie predikanten spreken over de geestelijke en de praktische kanten van een beroep.

In het beroepingswerk lijkt de wet van Darwin te gelden: de sterkste predikant overwint, stelt ds. Den Butter. Hij heeft er, net als ds. M. Golverdingen en ds. A. J. Mensink, geen eenduidige verklaring voor waarom sommige predikanten veel en andere geen beroepen krijgen. De eisen die aan een voorganger gesteld worden, lijken zwaarder te worden. „Een gemeente is mondig, en dat is goed, maar ze is ook mobiel”, stelt ds. Mensink. „Kerkgangers hebben het soms na twee of drie maanden alweer gezien met een predikant. Door deze trend gaan kerkenraden op zoek naar predikanten die bindend kunnen werken, zowel in de prediking als in het pastoraat.”

Gaat het bij het spreken over beroepingswerk ook niet te veel over de predikanten, ten koste van de gemeenten? Volgens ds. Den Butter wel. „Vaak wil de gemeente waar een dominee aan verbonden is het naadje van de kous weten over de roeping”, zegt ds. Den Butter. „Dan zie je vaak teksten voorbijkomen die slaan op de predikant, en niet op de voortgang van de gemeente die hij dient. Bijbelteksten worden nogal eens uit hun verband gehaald. Bijvoorbeeld: „Voegt u bij deze wagen.” Heeft de Heere dan zo weinig teksten tot Zijn beschikking om te spreken?”

Het hoeven niet altijd Bijbelteksten te zijn van waaruit een predikant duidelijkheid krijgt, stellen ook de andere predikanten. Ds. Golverdingen: „Het gaat erom te luisteren naar de Koning die spreekt. Als dat niet duidelijk wordt, zei mijn leermeester ds. K. de Gier altijd: „Bij mist niet uitvaren.” Als God spreekt, hoeft de gemeente niet in het duister te tasten en mag zij ook op de hoogte worden gebracht van de manier waarop Hij gesproken heeft. Ikzelf deed dit altijd in een korte mondelinge boodschap vanaf de kansel.” Ds. Mensink: „De Heere is overigens wel geheel vrij in de wijze waarop Hij Zijn weg aan ons bekendmaakt.”

Ds. Den Butter: „Volgens mij spreekt de Heere ook door Zijn voorzienigheid. Vragen die zich dan voordoen zijn: Hoe lang is een gemeente al vacant? Hoe staat de gemeente die je dient ervoor? Hoe is de situatie in je gezin? De manier waarop de Heere spreekt, is aan Hem.”

Gezin

De gezinssituatie van een predikant kan extra druk op hem uitoefenen in het beroepingswerk. De drie voorgangers realiseren zich dat de verantwoordelijkheid voor het gezin als het goed is altijd meespeelt in de beslissingen. „Toch heb ik ervaren dat de Heere machtig is om van onze minnen plussen te maken”, vertelt ds. Mensink. „Toen wij van Emst naar Driesum verhuisden, maakten wij ons zorgen over het onderwijs voor de kinderen. Achteraf bleek dat het onderwijs in Friesland voor een van onze kinderen juist een heel positief effect had. De Heere maakte het goed.”

Ook ds. Golverdingen heeft dit ervaren. Niet altijd waren de kinderen even enthousiast, „maar het verhuizen heeft geen schade aangericht bij de kinderen.” In sommige gevallen moet een predikant terughoudend zijn om te verhuizen, aldus ds. Golverdingen. „Bijvoorbeeld als een van de kinderen autistisch is en niet tegen grote veranderingen kan. De Heilige Geest is een Geest van orde, dat werkt door in de gezinnen.”

Volgens ds. Den Butter wordt er door kerkenraden vaak eenzijdig naar een te beroepen predikant gekeken. „Vaak worden gaven in pastoraat en catechese minder in de gaten gehouden dan preektalenten. Dan kan het voorkomen dat na verloop van tijd blijkt dat de gemeente en de predikant met elkaar verongelukken. Dit zijn uiterst pijnlijke situaties.”

Ds. Golverdingen haakt hierop in: „De manier waarop er beroepen wordt, verschilt per kerkverband. Dat is de reden waarom er bij het ene beroep meer nadruk ligt op de prediking en bij het andere meer op de goede contactuele eigenschappen van een predikant. Toch blijft de prediking op nummer één staan. Een dominee die sociaal niet sterk is, hoeft geen slechte prediker te zijn. Een minder begaafd spreker met veel gaven in het pastoraat brengt op zijn beurt ook weer een goed gerucht voort.”

„Kerkenraden kijken inderdaad vaak veel te beperkt naar predikanten”, reageert ds. Mensink op ds. Den Butter. „Je kunt als kerkenraad heel gemakkelijk een profiel opstellen met criteria waaraan de nieuwe voorganger moet voldoen, maar het gaat er vooral om dat de ambtsdragers weten wat de gemeente nodig heeft. Ikzelf stel daarom altijd een vragenlijst op met aandachtspunten van allerlei aard. Niet over wat voor vloerbedekking de pastorie moet krijgen, maar: Welke belangrijke thema’s komen de komende jaren aan de orde? Wat verwacht de gemeente van haar dominee? En wat van het predikantsgezin? Is er ruimte voor buitenplaatselijke activiteiten? Dit kan allemaal meespelen in de overweging van het beroep.”

Pijn

Niet iedere predikant krijgt na vier jaar beroepen en mede hierdoor komt het voor dat een predikant altijd blijft in de gemeente waar hij begon. „Er was vroeger in de Nederlandse Hervormde Kerk kerkrechtelijk ruimte voor om te ruilen van standplaats”, zegt ds. Mensink. „Dit moest met instemming van beide predikanten en hun kerkenraden gebeuren. Ik ken hier echter geen voorbeelden van.”

Zou een ander systeem, waarbij er vanuit de landelijke kerk standplaatsen worden aangewezen, niet beter werken? „Nee”, stelt ds. Golverdingen resoluut. „De Heere maakt je gewillig om te gaan, en dat komt in het huidige systeem het beste tot zijn recht. Al zie je dat de Heere een aanstelling in plaats van een beroep ook wil zegenen, denk maar aan J. C. Ryle in de Anglicaanse Kerk.”

„Volgens mij zouden gemeenten een andere gang van zaken ook niet accepteren”, zegt ds. Mensink. „Maar in noodgevallen zou het wel goed zijn als een aanstelling meer van bovenaf gestuurd kan worden.”

Het komt ook voor dat kandidaten helemaal geen beroep krijgen. Dan zou je soms willen dat er meer sturing vanuit het landelijke kerkverband mogelijk was, bedenkt ds. Den Butter zich. „De vraag rijst dan ook of deze kandidaten wel door de Heere geroepen zijn. Een roeping wordt namelijk bevestigd als een gemeente beroept. Ik denk in dit geval aan David, die de tempel wilde bouwen. De Heere staat het hem niet toe, maar het is goed dat het in zijn hart geweest is. Soms spelen er onzuivere motieven mee in het verlangen naar het ambt. Dan lijkt de kandidaat alleen maar die preekstoel voor zich te zien. Maar het ambt heeft ook andere kanten.

De twee criteria waaraan een kandidaat in onze gemeenten getoetst wordt, zijn de goede uitleg van de tekst en het geestelijk gehalte van de preek. Daarnaast is het goed als er gelet wordt op de begaafdheid van de spreker, of er oogcontact is met de gemeenteleden en of hij de kinderen en de jongeren aanspreekt.”

De andere kanten van het ambt mogen wat ds. Mensink betreft in de opleiding meer benadrukt worden. Een curatorium is er niet in de Protestantse Kerk in Nederland. „Maar er moet wel ”cura”, dat betekent ”zorg”, zijn. Als een kandidaat contactarm is, moet dit aan het begin van de opleiding al duidelijk zijn, zodat hij niet in de afrondende fase van zijn opleiding alsnog wordt afgewezen voor het ambt. Het predikantschap is ook op omgang met mensen gericht, dat moet een kandidaat ook zijn. Het is belangrijk dat de kerk haar toekomstige dienaren echt kent. Ook zou ik willen pleiten voor een langduriger vicariaat, de periode waarin een kandidaat stage loopt bij een predikant. Drie maanden zijn zo voorbij, terwijl je wel voor het leven wordt toegelaten tot het ambt.”

Dit is de achtste en laatste aflevering in een serie over beroepingswerk.

>>rd.nl/beroepingswerk

Ds. P. den Butter

Ds. Den Butter (74) werd in 1964 christelijk gereformeerd predikant te Gorinchem. Vervolgens was hij predikant te Bunschoten (1967), Toronto (Canada, 1975), Hamilton (Canada, 1978), Middelharnis (1982), Urk (1988), Driebergen (1990) en opnieuw Middelharnis (1996). In 2006 ging ds. Den Butter met emeritaat. Hij woont in Veenendaal.

Ds. M. Golverdingen

Ds. Golverdingen (70) werd predikant in de gereformeerde gemeente te ’s-Gravenzande (1979). Daarna stond hij in Utrecht (1984), Ridderkerk-Slikkerveer (1988), Groningen (1993), Gorinchem (1997), Boskoop (2001) en Waarde (2008). In juni 2011 ging ds. Golverdingen met emeritaat. Hij woont sindsdien in Dordrecht.

Ds. A. J. Mensink

Ds. Mensink (42) begon als predikant in de hervormde gemeente van Hei- en Boeicop (1996), daarna diende hij gemeenten van Emst (2000) en Driesum (2006). Op dit moment is hij predikant te Krimpen aan den IJssel. Op 24 mei wordt ds. Mensink voorzitter van de Gereformeerde Bond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 februari 2012

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Beroepingswerk: minnen en plussen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 februari 2012

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken