Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Cyprianus streed voor eenheid van kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Cyprianus streed voor eenheid van kerk

Theologie

10 minuten leestijd

De eenheid van de kerk is een groot goed. Maar tot welke prijs? En hoe om te gaan met afvalligen die weer naar de kerk wilden terugkeren? De kerkvader Cyprianus worstelde om de zuiverheid van de kerk. Afscheiding verfoeide hij, maar overdoop stond hij voor omdat de doop van ketters niet geldig was.

Cyprianus behoort tot de prominentste kerkvaders in het Latijnse Westen. Hij was bisschop van Carthago van 248 tot zijn dood in 258. In die hoedanigheid bekleedde hij ook het voorzitterschap van de vergaderingen van alle bisschoppen in Noord-Afrika. Hij was een invloedrijke figuur die met tal van bisschoppen in de toenmalige kerk in correspondentie stond.

Het was een bewogen tijd waarin hij leefde. De kerk leed onder verschillende vlagen van vervolging, onder meer tijdens het bewind van keizer Decius, die in 249/250 in een decreet de bewoners ertoe verplichtte respect te betuigen aan de Romeinse goden en de keizer. Het decreet hield in het brengen van een verplichte offer aan de keizer. Christenen konden vervolging echter met geld afkopen door een briefje (”libellus”) te ondertekenen waardoor zij niet aan de verplichtingen hoefden deel te nemen. Sommigen wisten zich aan het brengen van een dierenoffer te onttrekken door een wierookoffer te brengen. Zij werden ”turificati”, wierookofferaars, genoemd. Zowel de ”sacrificati” (zij die geofferd hadden) als de ”libellatici” (die de verplichting afgekocht hadden met een certificaat) werden aangeduid als de gevallenen (”lapsi”).

De groep die niet deze weg koos, de belijders (de ”confessores”), kreeg te maken met gevangenschap, verbeurdverklaring van bezittingen en in veel gevallen de marteldood. Uit de brieven van Cyprianus, nu voor het eerst in het Nederlands vertaald, blijkt dat de groep van de martelaren (”martures”) een bijzondere status had in de Vroege Kerk. Cyprianus spreekt van „een bevoorrechte positie bij God”: zij konden bij God voorbede doen ten behoeve van de gelovigen. Dat kon gebeuren door berouwvolle afvalligen een zogeheten ”libellus pacis” te geven, een certificaat waarin aan hen de vrede (”pax”) van de kerk werd toegezegd. Het was een schriftelijke verklaring waarin vergiffenis voor hun misstap gegeven werd en op grond daarvan toegang tot de communie werd gegeven. Er ontstond zelfs een handel in deze martelaarsverklaringen.

Weg terug

Rode draad in de brieven van de kerkvader is de vraag wat te doen met hen die hun geloof hadden verloochend en weer in de schoot van de kerk wilden terugkeren. Mochten zij zonder schuldbelijdenis weer deelnemen aan de eucharistie? Cyprianus was van mening dat de ”lapsi” pas na langdurige boetedoening weer in de gemeenschap van de kerk mochten worden opgenomen, bovendien na overleg met medebisschoppen. Hij had echter te maken met belijders en martelaren die de bisschop negeerden en eigenmachtig een ”libellus pacis” toezegden.

Cyprianus zat ingeklemd tussen kerkleiders die gevallenen helemaal niet wilden toelaten (de strenge partij, onder leiding van Novatianus) en zij die hen zonder meer hen toelieten (Felicissimus). Novatianus en zijn volgelingen noemden zich de ”zuiveren”. Hij liet zich tot bisschop van Rome benoemen, zodat de scheuring in de kerk van Rome een feit was.

Ook in Carthago leidde deze zaak tot een splitsing. Des te pijnlijker omdat Cyprianus op dat moment afwezig was vanwege zijn vrijwillige ballingschap. Hij dook onder om tijdens de vervolging de leiding voor zijn gemeente beter voort te kunnen zetten (al kreeg hij interne kritiek op deze stap). De novatianen kreeg veel aanhang in het oostelijk deel van het Romeinse Rijk, maar ook in Carthago, Afrika en het Westen hadden zij hun volgelingen.

Cyprianus was aanvankelijk onbuigzaam maar nam later een milder en tegemoetkomender standpunt in. Hij voelde zich verantwoordelijk voor zijn kudde. Te harde voorwaarden zou mensen verhinderen om weer lid van de kerk te worden, waardoor zij zonder hoop in de wereld ten onder zouden gaan.

Eenheid

Op de achtergrond speelde de positie van de bisschop als garantie van de eenheid. Waar de bisschop is, is de kerk, was het adagium van Cyprianus. Hij stelde „dat de bisschop in de Kerk is en de Kerk in de bisschop, en dat wie niet met de bisschop is niet in de Kerk is.” Hij zag de kerk als een eenheid die gedragen wordt door de eensgezindheid van haar gezamenlijke bisschoppen. „God is één, Christus is één; er is één Kerk en er is één zetel die door het woord van de Heer op Petrus is gegrondvest.”

Dat laatste klinkt rooms, maar in Cyprianus’ tijd was er nog geen sprake van een paus als een absolute en onfeilbare kerkvorst. De bisschop van Rome was toen de ”primus inter pares”, de eerste onder de gelijken, maar niet meer. Cyprianus citeert regelmatig de bekende Petratekst uit Mattheüs, maar schroomt niet om regelmatig de bisschop van Rome te kritiseren als het gaat om opvattingen waar hij het niet mee eens is (zoals de visie op de afvalligen en de doop door ketters). Wel is hij van mening dat Petrus als bisschop van Rome de oorsprong van de eenheid van de kerk is. Petrus is de man op wie de kerk is gebouwd. Maar zijn bevoegdheid om te binden en ontbinden geldt voor Cyprianus álle discipelen.

Cyprianus fulmineert tegen afscheiding. „De katholieke Kerk is één en onscheurbaar en ondeelbaar.” Wie zich van de kerk afscheidt, verdort en sterft af, omdat hij zich buiten de bron en de wortel bevindt. Hij neemt afstand van de beloften van de kerk en verstrooit de kerk van de Christus. „Denkt u dat iemand zich in geloof staande kan houden en leven wanneer hij zich afscheidt van de Kerk en zich elders een woonplaats en een aparte woning sticht?”

God heeft de opdracht gegeven om „eendrachtig en eensgezind te zijn.” Hij ziet de tweespalt in de kerk als teken van de naderende eindtijd. God, Christus, de Kerk zijn „door de lijm van eendracht tot de hechte eenheid van één totaal lichaam” samengevoegd. Wie zich buiten de kerk begeeft, maakt zijn eigen belijdenis betekenisloos, want de belijdenis, het sacrament, komt alleen binnen de kerk tot zijn recht.

Cyprianus gaat daarin ver. „Wie niet in Christus’ Kerk is, is geen christen.” Wie behouden wil worden, moet de in kerk samenkomen. „Wie de Kerk niet als moeder heeft, kan God niet meer als vader hebben.” Hij neemt de tekst: „Ik en de Vader zijn één” en „En er zal één kudde zijn en één herder” letterlijk. Vergeving van zonden kan slechts in de kerk gegeven worden.

Doop

Novatianus en zijn aanhangers werden uit de kerk gezet, maar de kwestie van de terugkeer van de afvalligen bleef verdeeldheid zaaien, zoals op het punt van de doop. Moesten afvalligen weer gedoopt worden of kon worden volstaan met handoplegging tot verdeemoediging? Het vraagstuk van de zogeheten ”ketterdoop” diende zich aan.

Cyprianus en het (vijfde) concilie van Carthago in 255 waren van mening dat ketters en scheurmakers groeperingen buiten de kerk waren. Buiten de kerk toegediende sacramenten hadden geen waarde, dus moesten berouwvolle afvalligen opnieuw gedoopt worden wilden ze tot de kerk behoren. Ze zijn volgens Cyprianus gewoon heidenen: ze kunnen wel de geldige woorden uitgesproken hebben, maar de inhoud wijkt af van de leer der kerk. Alle elementen over kerk, doop en waarheid rijgen zich aaneen tot één ferme uitspraak: „Er is één doop en er is één Heilige Geest en er is één Kerk, die door Christus onze Heer is gegrondvest op Petrus als oorsprong en bevestiging van haar eenheid.”

Cyprianus kwam hiermee in conflict met de bisschop van Rome, Stephanus. Deze stelde dat de doop altijd geldig was wanneer hij onder de voorgeschreven condities was bediend. Hij had daarbij de traditie achter zich: de doop is geen officiële kerkelijke bevestiging van het geloof van de gedoopte, maar een officiële verklaring van de gedoopte dat hij voortaan als een gelovig christen wil leven.

Niet herdopen betekende voor Cyprianus echter het onderschrijven van de dwalingen van ketters en zou betekenen: hen prijsgeven aan de verdoemenis. Bovendien is de doop van hen buiten de kerk ongeldig. Zij bezitten de Geest niet en wie Die niet heeft (Cyprianus verbindt het doopwater met de Geest), mist de bevoegdheid tot dopen.

Bisschop Stephanus verbrak de gemeenschap met de kerken in Klein-Azië en Afrika en dreigde Cyprianus met excommunicatie. Na de dood van Stephanus nam onder diens opvolger Sixtus II (256-258) de heftigheid van de discussie af en werd het naast elkaar bestaan van de verschillende opvattingen over dopen en herdopen geaccepteerd.

Overigens leert Cyprianus duidelijk de kinderdoop. „Want zoals het niet een persoon is die door God wordt aangenomen, zo is het ook niet een leeftijd, want God betoont Zich voor allen een vader die de hemelse genade schenkt met een evenwichtig afgewogen verdeling.” Áls men iemand een doop zou weigeren, dan wel een volwassene die ernstige zonden heeft bedreven, maar die toch vergeving kan ontvangen als hij tot geloof komt. „Hoeveel temeer mag dan een zuigeling niet daarvan geweerd worden die, zo kort nog op de wereld, geen enkele zonde heeft bedreven.” Cyprianus verbindt er zelfs de conclusie aan dat gedoopte kinderen ook deel mogen nemen aan de eucharistie.

Cyprianus werd onder keizer Valerianus, die de christenen weer vervolgde, gevangengenomen en op 14 september 258 onthoofd. Zijn vasthoudendheid aangaande de overdoop is een tragische gebeurtenis in zijn leven geweest, omdat de kerk voor en na hem deze niet overnam.

Augustinus zou later de donatisten bestrijden die het gedachtegoed van Cyprianus over de doop onveranderd bewaarden. Augustinus stelde in zijn strijd tegen het donatisme (en de kerk in het Westen volgde hem daarin) dat de doop (overigens ook het avondmaal) onafhankelijk is van de waardigheid van degene die het ambt bekleedt. Cyprianus en kerken in Afrika, Syrië en Klein-Azië hielden eraan vast dat alleen de doop binnen de kerk geldigheid had.

Actualiteit

De actualiteit van dit boek is overduidelijk. Het denken van Cyprianus laat de klassieke spanning zien tussen enerzijds het vasthouden aan de eenheid van de kerk en anderzijds het omgaan met onvolmaakte en berouwvolle leden. Cyprianus hield vast aan de eenheid van de kerk. Hij maakte daarin ernst met de oproep van Christus om één te zijn. En al kunnen we niet eenheid realiseren, dan is eensgezindheid de opdracht. Daarom heeft de bundel een meesterlijke titel.

Cyprianus ging in de eenheid van de kerk te ver door de Geest te sterk te binden aan het zichtbare instituut van de katholieke Kerk. Dat bracht hem tot de overdoop. Het betrof dan wel de ketters, wat misschien nog te verdedigen is, maar Cyprianus ging verder door de doop buiten de kerk feitelijk ongeldig te verklaren. De westerse kerk is hem daarin terecht niet gevolgd.

Uit het boek van Cyprianus blijkt dat de kinderdoop een feit was in de Vroege Kerk. De kwestie van de overdoop heeft een onvermoede actualiteit gekregen in deze tijd door de invloed van evangelische stromingen. Kerkbreed is er echter steeds meer toenadering tussen de verschillende visies op de doop. Voorstanders van de kinderdoop zien steeds meer in dat de kinderdoop slechts een moment is in een proces van geloofsgroei, praktisering van de doop. Omgekeerd beseffen voorstanders van de volwassendoop dat God al eerder begonnen is dan op het moment van de geloofsbeslissing.

Waardevol is het werk met betrekking tot het toerusten tot een tijd van vervolging. We drukken dan de voetstappen van Christus. „De Zoon van God heeft geleden opdat Hij ons kinderen van God maakte, maar de zoon van een mens wil niet lijden opdat hij kind van God mag blijven!”

Cyprianus ziet ook het verval van de kerk ná de vervolgingen. Hij kritiseert de laksheid, de wereldgezindheid, het jagen naar bezit en rijkdom, het ‘versieren’ van de eigen lichamen en het ontheiligen daarmee de eucharistie. Wie ziet niet parallellen met deze tijd? De kerkvader verwoordt een geloofsleven dat beproefd is door de vervolgingen van die tijd. Misschien ligt daarin wel zijn belangrijkste betekenis.

Eenheid en eensgezindheid. 81 brieven en 2 traktaten, vertaald uit het Latijn en toegelicht door Chris Tazelaar; uitg. Damon, Budel, 2013; ISBN 978 94 6036 076 3; 614 blz.; € 59,90.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 december 2013

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Cyprianus streed voor eenheid van kerk

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 december 2013

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken