Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Luthers ”reformatorische Wende”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Luthers ”reformatorische Wende”

11 minuten leestijd

Het is nog steeds geen uitgemaakte zaak op welk ogenblik precies de monnik Maarten Luther zijn reformatorische ontdekking deed die de basis vormde van zijn 95 stellingen van 31 oktober 1517.

Die bijzondere ervaring kreeg Luther niet in het pauselijke Rome – in welke verdorven stad hij zich in 1511 bevond. Waarschijnlijk was hij toen al wel bezig met zijn bezinning op de vragen rond gerechtigheid en genade, maar in 1514 begon een en ander pas goed door te werken. En dan gewoon in Wittenberg, een stadje in het keurvorstendom Saksen, aan de rand van de beschaafde wereld. Kon daar iets goeds vandaan komen?

Sommige onderzoekers van deze ”reformatorische Wende” pleiten voor een vroege datering (1512/1514), anderen kiezen voor een late, zelfs na 1517. Het maakt wel verschil. Immers, heeft die ontdekking geleid tot de kerkhervorming, of is het juist zo dat het nieuwe inzicht een vrucht was van de Reformatie?

Turmerlebnis

De aandacht voor Luthers ”Wende” richt zich meestal op zijn zogeheten Turmerlebnis, de belevenis in de torenkamer in het augustijner klooster van Wittenberg. Daar deed hij min of meer onverwacht de ontdekking van een bevrijdende uitleg van Romeinen 1:17: „De rechtvaardige zal door het geloof leven.” Luther vertelde later dat hij toen door Gods genade de poort naar het paradijs zag opengaan! Als we dit gebeuren willen relateren aan Luthers universitaire behandeling van Paulus’ brief aan de Romeinen, dan zal het ergens in 1515 hebben plaatsgehad. Maar een jaar eerder begon er al wat te dagen.

Los van de eindeloze discussie over de datering, willen we vooral inhoudelijk aandacht schenken aan het prille begin van die Wende. Wat ging er aan die Turmerlebnis vooraf? Hoe en wanneer begon Luther zich kritisch af te vragen wat gerechtigheid en rechtvaardiging nu precies betekenden? Het werd immers het startpunt van een fundamentele ommekeer, waardoor Luther de kerk mocht leren alleen in het spoor van de Bijbel te gaan: ”sola Scriptura” en ”sola gratia”. Die ontdekking mag bij Luther als plotseling te boek staan, ze maakt wel deel uit van een ingrijpend en langdurig denkproces.

Psalmen

Nadat Luther in 1512 gepromoveerd was tot doctor in de theologie (onder promotor prof. Andreas Karlstadt) werd hij benoemd tot hoogleraar. Maar hij wachtte nog tot het wintersemester van 1513/1514 met zijn universitair onderricht aan de Leucorea, zoals de universiteit van Wittenberg toen heette. Wellicht heeft hij gewacht op zijn officiële aanstelling door de generaal van de orde van de augustijner eremieten waar Luther toe behoorde.

Zijn eerste reeks van ”Vorlesungen” ging over de psalmen. In plaats van een scholastieke uitleg kregen de studenten een nieuw inzicht aangereikt in de diepere zin van de oudtestamentische liederen. Luther betrok ze vaak op Christus – hij zag ze als gebeden van Hem. Hier merken we al iets van het ”solus Christus”, alleen door Christus kon men het Oude Testament ten diepste verstaan. In deze samenhang moet de ”reformatorische Wende” zijn begonnen. Daarna –dus na de zomer van 1515– hield Luther zijn colleges over de brief aan de Romeinen en daarop aansluitend over de brieven aan de Galaten en de Hebreeën.

Gerechtigheid

Nog in het augustijnenklooster van Erfurt moet Luther –in 1509/1510– al een moment hebben gekend waarop hij zich in verband met een lezing over Psalm 51 moest verdiepen in de betekenis van het woord ”gerechtigheid”. Hoewel er weinig concrete mededelingen over bekend zijn, kan men toch vermoeden dat er toen al een klein alarmbelletje heeft gerinkeld in zijn studeervertrek.

In 1514 kreeg Luther een vaste aanstelling om als priester voor te gaan in de stadskerk van Wittenberg, de St.-Marienkirche – in Nederland zou men zeggen: Onze-Lieve-Vrouwenkerk. Het gebouw, dat bekend is om de twee aan elkaar gekoppelde kerktorens, dateert uit de late middeleeuwen. Deze kerk zou door Luthers preken uitgroeien tot de moederkerk van de Reformatie.

De preken van Luther trokken veel aandacht en steeds meer kerkgangers wilden hem graag horen. Met Kerst 1514 preekte hij over het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie, de bekende proloog (vers 1 tot 14a), waarin de apostel schrijft over het Woord dat God was en bij God was en alles had geschapen. Het was nu vlees geworden en was onder de mensen komen wonen: Jezus Christus.

Luthers theologie wordt weleens Woordtheologie genoemd – de veelomvattende inhoud zou van beslissende betekenis worden voor zijn onderwijs in kerk en universiteit.

Vernieuwde creatuur

In de preek over Johannes 1 stelt Luther de intrigerende vraag: Waarom stelt Johannes hier Jezus voor als Woord? De reformator wijst hier op de overeenkomst met Genesis 1 en stelt dat God als Schepper in Zijn Zoon scheppend actief is. Het Woord is tegelijk daad. De schepping is echter ontaard door de zonde en nu komt God weer in actie door het Woord: Hij sticht een nieuwe levensgemeenschap door Christus die zal uitmonden in een vernieuwde creatuur van absoluut pure gerechtigheid en heiligheid. Dat alles is een daad van genade van God die zich openbaart in Christus. Wie in Hem gelooft, ziet Gods daden en mag zeker zijn van het nieuwe leven in Christus, nu en straks.

Deze indeling maakt duidelijk –en daar werkt Luther in zijn preek op aan– dat er sprake is van een drievoudige Christusgeboorte. Ten eerste die van eeuwigheid. Christus is van eeuwigheid Gods Zoon en door Hem kwam de schepping tot stand. Ten tweede die in de tijd: door zijn geboorte uit de maagd Maria werd Hij Mensenzoon om de mensheid te redden en bleef Hij Gods Zoon. En in de derde plaats die in de mens: daardoor komt Christus in het hart van de gelovige wonen door Zijn Geest en belooft Hij de gelovigen deelgenoot te maken –in de weg van geloof– van Zijn zegenrijke herscheppingswerk. Kortom: niet het menselijke woord is beslissend voor het leven nu en in de eeuwigheid, maar Christus, Die het vleesgeworden Woord van God werd en in Wie onze herschepping tot het eeuwige leven gegarandeerd is. Belofte en geloof staan hier dus vlak naast elkaar; ze zijn in Christus (!) onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

De lezingen over de psalmen bereidde Luther altijd voor in de ”Turm”, zijn torenkamer in het augustijnenklooster. Daar hanteerde hij de oude Vulgatatekst, die zo was afgedrukt dat er zowel tussen de versregels als aan de rand van de tekst een behoorlijke ruimte was gelaten voor aantekeningen. Ook gebruikte Luther de vertaling van de Franse taalgeleerde Faber Stapulensis (1455-1536), maar volgde wel een nieuwe methode in zijn exegese. Luther plaatste bij niet minder dan 48 psalmen de belangrijke notitie: Het onderwerp van deze liederen is Christus. Dat had geen uitlegger vóór Luther ooit gedaan: de psalmen typeren als verkondiging van Christus. Er begon een nieuw, helder licht te schijnen.

Prangende vraag

Het woord gerechtigheid vormt een centraal begrip in de ontwikkeling van de theologie van Luther. Hij was opgegroeid en opgeleid bij een scholastiek begrip van Gods gerechtigheid. Dat had heel het denken van de kerk in de middeleeuwen beheerst. Het rooms-katholieke pastoraat was erdoor gestempeld. God werd gezien als in Zichzelf rechtvaardig, vol van gerechtigheid. Zo was het ook in de Bijbel terug te vinden.

Daar zat Luthers probleem ook niet. Het begon bij hem te knellen bij de prangende vraag: Hoe staat de rechtvaardige God tegenover de mens? En dan niet de mens zoals God hem had geschapen (in ware gerechtigheid en heiligheid), maar zoals die zich tegen God had gekeerd en in zonde was gevallen. Hier was ook maar één antwoord mogelijk: Gods rechtvaardigheid eiste dat deze mens werd gestraft; zo’n mens kon niet voor God bestaan. Hoogstens kon hij zich door boetedoening en goede werken voor God iets verbeteren. Maar hoe onberispelijk hij ook leefde, aan de straf van God zou hij niet ontkomen.

En Christus dan? Hij lijkt in dit verhaal niet voor te komen. Toch wel, Christus is ook God en Hij is de Rechter Die de levenden en de doden zal oordelen. Hij staat aan de kant van zijn Vader. En dus is Zijn gerechtigheid feitelijk niets anders dan Gods straffend oordeel voor de eeuwigheid. Maar hoe kan een mens dan ooit gered worden?

Dit aangrijpende vooruitzicht hield Luther flink bezig; hij beleefde zijn theologische inzichten altijd heel persoonlijk, heel existentieel. Hij kon er nachten van wakker liggen en er wanhopig bij worden. Was hij daarvoor dan het klooster ingegaan? Had de bliksem hem in 1505 niet beter dodelijk kunnen treffen? Had hij zich dan voor niets gekastijd en zich van allerlei aards genot afgekeerd? Wat was het allemaal waard geweest? Luther kwam helemaal vast te zitten. Hij zocht naar vastheid in zijn eigengerechtigheid.

Onberispelijke monnik

In 1545 –aan het eind van zijn leven– keek Luther hierop terug: „Ik haatte die woorden ”gerechtigheid van God”, die ik wijsgerig had leren opvatten als de zogenaamde formele of actieve gerechtigheid. De betekenis is dan dat God rechtvaardig is en dat Hij zondaren en onrechtvaardigen straft. Maar ik gevoelde, dat ik voor God een zondaar was, ook al leefde ik als een onberispelijke monnik. Ik zei bij mijzelf: Alsof het nog niet voldoende is dat de arme zondaren door de wet van de Tien Geboden door alle mogelijke ellende getroffen worden. Moet God nu ook nog door het Evangelie Zijn gerechtigheid en Zijn toorn tegen ons keren?

Ik verlangde er intens naar te weten wat Paulus bedoelde. Totdat ik door Gods barmhartigheid, terwijl ik er dagen en nachten over peinsde, lette op de verbinding van de woorden, namelijk Gods gerechtigheid wordt daarin geopenbaard, zoals geschreven staat: De rechtvaardige leeft door de gave van God, namelijk uit het geloof. Dat is de betekenis, dat de passieve gerechtigheid van God door het Evangelie wordt geopenbaard. Dat is de gerechtigheid waarmee de barmhartige God ons door het geloof rechtvaardigt.”

Rechter én Redder

Luther leerde vanuit de psalmen dat de mens moest afzien van de eigengerechtigheid en mocht leven van de door God geschonken gerechtigheid. Het moet zo worden: Adam (de oude mens) moet ondergaan en Christus alleen de overhand behouden. Dat alles heeft Luther eerst zelf mogen leren bij zijn studie over de uitleg van de psalmen. Verschillende liederen getuigen van Gods gerechtigheid. Psalm 31 laat de zondaar zien die uitroept: „Op U, o Heere, betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid, help mij door Uw gerechtigheid” (vers 2). En ook erkent de zondaar: „Mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd” (vers 11).

In Psalm 32:2 zingt David: „Welzalig is de mens dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent.” En in vers 5: „Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.” Vergeven is hier zoveel als wegdoen, voor altijd! En daarom kan de vrijgesprokene ook anderen oproepen: „Verblijdt u in de Heere en verheugt u, gij rechtvaardigen, en zingt vrolijk, alle gij oprechten van hart” (vs. 11).

En Psalm 51 spreekt op een heel open manier over boetedoening, zonde en genade, over rechtvaardiging en de ware dienst aan God. En evenzo spreekt Psalm 71 in heldere bewoordingen over bevrijding door Gods gerechtigheid.

En dan stelt Luther de grote vraag hoe dat alles mogelijk is geworden. Zijn antwoord: Hier spreekt Christus Zelf. Hij is onze Rechter én Redder. En zo mag de mens hier heel duidelijk leren zien dat deze rechtvaardiging en bevrijding alleen maar plaatsvinden vanwege de door Christus geschonken gerechtigheid. Luther sprak wel van een vreemde gerechtigheid, die van buiten kwam, van de Verlosser, voor zondaren die in zichzelf geen spoortje gerechtigheid bezaten.

Langdurig denkproces

Luthers werkwijze overziend kunnen we stellen dat zijn behandeling van de psalmen de weg heeft gebaand naar zijn nieuwe verstaan van Romeinen 1:17 (en ook van Romeinen 3:21-24). Misschien beter gezegd: zijn beide activiteiten (preken en doceren) ondersteunden elkaar op een voortreffelijke manier.

Luther kreeg als docent en prediker in een langdurig denkproces via een christologische uitleg van een groot aantal psalmen goed zicht op de ware betekenis van Gods gerechtigheid. Dat was naast de straffende vooral (meestal) de schenkende gerechtigheid: Gods genade in Christus. Luther moest oude roomse, scholastieke beletsels opruimen. En toen ontdekte hij het Woord: de kracht waarmee Christus –als het vleesgeworden Woord– het door Hem verworven heil liefdevol overbrengt op zondaren die al hun heil dan ook van Hem alleen verwachten.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 28 oktober 2014

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Luthers ”reformatorische Wende”

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 28 oktober 2014

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken