Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Elk kind heeft een gouden randje

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Elk kind heeft een gouden randje

7 minuten leestijd

Tineke Ouwendorp-de Visser raakt niet gauw uitgepraat over de belevenissen van haar voormalige beroep: leerkracht op een school voor speciaal onderwijs. Na twee uur praten diept ze nog de ene anekdote na de andere op. Is het niet over haar oud-collegas, dan wel over de leerlingen. „Elk kind heeft wel een gouden randje.

Haar leeftijd mag niet in de krant, zegt Tineke Ouwendorp als eerste in een van de vele ruimten van de Ds. D. A. Detmarschool in Ede. „Ik zei tegen de leerlingen altijd: Jullie mogen alles van me weten, behalve mijn leeftijd. Dat is privé.” Ze handhaaft haar opstelling. „Als een knipoog naar de kinderen.”

Ouwendorp koos niet voor het speciaal onderwijs, ze werd gevraagd. „Een leerkracht van de Eben-Haëzerschool in Barneveld, G. Klein, was daar in de jaren 70 een hulpklasje met zorgleerlingen begonnen. Daar groeide de Rebohothschool in Ede uit, een school voor speciaal onderwijs. Klein vroeg me daar te komen werken.”

De eerste zeven jaar was Ouwendorp er logopediste. Vanwege ziekte van een leerkracht kwam ze, onverwachts en onvoorbereid, voor een klas met moeilijk lerende kinderen – met een IQ van 60 tot 80. „Per ongeluk loste ik de eerste aanvaring goed op. Ieder kind moest twee boombladeren tekenen. Eén meisje leverde een mooi blad in, maar had weinig zin in het tweede. Ze zette een paar strepen op het vel en leverde ook dat in. Ik reageerde: „Mooi is anders, maar je hebt je aan je opdracht gehouden.” Mijn antwoord verbaasde haar. Ik heb daarna nooit problemen met haar gehad. Later las ik in het dossier dat ze heel moeilijk in de omgang was.”

Grootste fout

Dé grote fout in haar onderwijsloopbaan, zoals ze het zelf noemt, maakte Ouwendorp toen ze nog leerkracht was op een gewone basisschool in Delft. „In klas 2, nu groep 4, kwam een jongen die zou worden getest voor het buitengewoon lager onderwijs. Hij wilde niets en was dwars. Ik spande me niet voor hem in; hij zou toch weggaan. Tijdens het intakegesprek zei de directeur van de blo-school: „Wij nemen ’m niet. Deze jongen heeft totaal geen werkhouding. Hij kan nog geen potlood vasthouden en nog geen woord lezen.” „Hoe leren ze hier dan lezen?” vroeg ik hem. „Gewoon, met de ouderwetse aap-noot-mies.”

De volgende dag heb ik aap-noot-mies van de schoolzolder gehaald en de jongen naast mijn bureau gezet. „Rob, we gaan nu lezen.” Hij leerde lezen en ging heel hard vooruit. Bij een reünie van de school zei Rob als eerste tegen mij: „Juf, ú hebt mij leren lezen.””

Wat was nu haar grote fout? „Dat ik geen hoge verwachtingen van hem had. Rob behoorde tot de leerlingen met de minste mogelijkheden in die klas. Maar voor hem was het belangrijk om te weten dat ik in hem geloofde en dat hij het waard was dat ik persoonlijke aandacht aan hem besteedde. Dat hij wist: Ik ben het waard dat de juf aan mij werkt.”

Belangrijkste leerdoel

Leren lezen werd daarna Ouwendorps belangrijkste leerdoel. Ze schudt de voorbeelden uit haar mouw over leerlingen die met lezen vooruitgingen. „Ze mochten van mij altijd zelf een boek uitzoeken – ik ben tegenstander van groepslezen. Een dyslectische leerling bracht de Kameleon mee van huis. En hij zat maar moeizaam te spellen. Toen ik hem vroeg wat hij ervan vond, zei hij: „Heel mooi.””

Het bezig zijn met leerlingen die moeite hadden met lezen, bracht Ouwendorp tot schrijfactiviteiten. Eerst bracht ze het niveau van de Jip-en-Jannekeboekjes terug van AVI 5 naar AVI 1, met uitsluitend woorden van één lettergreep. Later schreef ze zelf vier kinderboekjes, waaronder ”Gert en zijn geit” en ”Waar is Arieke?”

Catechismus

Lezen was niet het enige wat Ouwendorp haar leerlingen bijbracht. „Ik liet hen ook de verschillende belangrijke zondagen uit de Heidelbergse Catechismus uit hun hoofd leren: zoals 1, 2, 3, 4, 7, 23 en 33, maar ook Jesaja 53. Over de catechismus wordt gepreekt, dus het is nuttig. Een leerlinge zei tegen me: „Het lijkt wel of het leren er makkelijker door wordt.””

Het uit het hoofd leren had ook een voordeel: de leerlingen kregen zelfvertrouwen. „Bij een jongen thuis mopperden wat broers dat ze zondag 1 moesten leren. Hij zei: „Die ken ik ook.” „Jij, leer jij dat daar in Ede? Zeg ’m dan eens op.” En daar begon hij: „Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?” Zijn broers zwegen.”

Dat zelfvertrouwen vindt Ouwendorp belangrijk. Ze is daarom geen grote voorstander van het huidige systeem van passend onderwijs. Daarin blijven kinderen met leerproblemen zo veel mogelijk op de gewone basisscholen om daar extra aandacht te krijgen op hun eigen niveau. „Klein zei ooit: „Beter gewoon in het speciaal onderwijs, dan speciaal in het gewoon onderwijs.” Als een kind naar het regulier onderwijs kan, moet je het niet laten, maar voor veel leerlingen geldt dat ze in het speciaal onderwijs beter zitten.”

Een mooi voorbeeld is voor Ouwendorp een meisje dat thuiskwam van haar eerste dag in het speciaal onderwijs. „Ze zei: „Mama, ik ben niet meer de grootste van de klas en ook niet meer de domste.” Een van m’n stagiairs vroeg een keer: „Wie is de beste in de klas?” Ik vroeg het de klas en Jan zei: „Juf, in wat?” Elk kind heeft een gouden randje.”

Humor

Ouwendorp genoot erg van de humor van de leerlingen. „Een tijdlang liet ik een lom-klas tegen mijn mlk-klas voetballen. Een keer klopt een lom-leerling aan en vroeg of we weer gingen voetballen. Ik zei: „Mijn klas heeft het nu niet verdiend. De volgende keer gaan we wel mee.” De jongen doet de deur dicht, klopt weer en vraagt: „Juf, gaan we voetballen? Dit was ”de volgende keer”. Dus ik zei: „Jongens, we gaan voetballen.””

De oud-leerkracht wijst erop dat verscheidene van haar leerlingen mooie dingen hebben bereikt. Een tweeling uit Amersfoort heeft een goedlopende rijdende viskraam. „In een reportage van RTV Utrecht en in Terdege vertellen ze dat ze niet makkelijk konden leren. Ondertussen hebben ze dit voor elkaar gekregen. Die jongens hebben gewoon handelsbloed!”

Behalve met leerlingen beleefde de Stroese oud-leerkracht ook plezier met collega’s. „Ik zeg altijd: Collega’s vormen de andere helft van mijn werkplezier. De deur gaat open. „Sorry ,To”, zo klinkt Ouwendorps koosnaam. Deze: „Heb je de ruimte nodig? Dan zoeken we wat anders.”

”To” memoreert een bestuursbezoek. Een collega die dacht dat het al voorbij was, zwaaide de deur open en riep: „En, hoe ging het?” Waarop Ouwendorp naar de achterkant van het lokaal wees. „Ze zijn er nog.” „We hebben er later hard om gelachen.”

Koortje

Ouwendorp betreurt de toegenomen werkdruk in het onderwijs. „Vroeger hadden we met de collega’s een koortje dat op maandag oefende. Door allerlei vergaderingen en gesprekken is daar geen tijd meer voor. Er heerst een enorme bureaucratie: handelingsplannen, groepsplannen. Vroeger deelde de directeur mee: We gaan daar en dan op schoolreis. Nu is ook daar een commissie voor.”

Een kleuter komt binnen en pakt een grote opblaasbal. „Ik ga deze pakken.” „In welke groep zit jij?” „In groep B.”

Twee jaar geleden ging Ouwendorp met vervroegd pensioen. Ze bleef echter betrokken bij de reformatorische school voor speciaal onderwijs in Ede, inmiddels Ds. D. A. Detmarschool geheten. „Ik neem nog twee keer per jaar bij alle mlk-kinderen de leestoetsen af en bij ziekte val ik in.”

Daarnaast heeft ze haar logopediepraktijk. Bij het afscheid maakt Ouwendorp een praatje met oud-collega Nella van den Bosch. Deze concludeert: „Wat hebben we een mooi beroep.”

Dit is het tweede deel in een serie waarin gepensioneerde onderwijsmensen terugblikken op hun loopbaan. >>rd.nl/oudgedienden


Loopbaan Ouwendorp- de Visser

Tineke de Visser wordt in Delft geboren. Daar groeit ze ook op. Ze doorloopt de pa op de Driestar in Gouda en wordt drie jaar lang onderwijzeres op de vanouds hervormde Wilhelmus van Nassouweschool in Delft. Tegelijk volgt ze een deeltijdopleiding logopedie in Den Haag.

Van 1974 tot 1999 is ze logopedist voor de lagere scholen in de gemeente Barneveld, en daarnaast van 1974 tot 1986 ook op De Rozelaar in Barneveld, een dagverblijf voor ouderen met een verstandelijke beperking.

In 1984 gaat ze ook werken aan de Rehobothschool in Ede, een school voor speciaal basisonderwijs; eerst als logopediste en vanaf 1991 als onderwijzeres. Ook schrijft ze vier kinderboekjes. In 2013 gaat ze vervroegd met pensioen.

Dit is het tweede deel in een serie waarin gepensioneerde onderwijsmensen terugblikken op hun loopbaan.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 28 juli 2015

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

Elk kind heeft een gouden randje

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 28 juli 2015

Reformatorisch Dagblad | 14 Pagina's

PDF Bekijken