Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Cyprianus’ troostbrief in tijd van epidemie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Cyprianus’ troostbrief in tijd van epidemie

6 minuten leestijd

De pest bereikt Carthago in het jaar 252 na Christus. Mensen krijgen pijn aan de ogen, koorts en dysenterie. Velen sterven. Hun lichamen liggen soms onbegraven in de stad. De levenden zijn ontredderd. Ze hebben geliefden verloren. Ook is er de angst dat de ziekte hen zal treffen.

Cyprianus schrijft in deze situatie een boekje met de titel ”Over de sterfelijkheid” (”De mortalitate”). In dit boekje –dat gerekend wordt tot de vroegchristelijke troostliteratuur– gaat hij in op pastorale vragen en noden van gemeenteleden. De huidige omstandigheden zijn anders dan die van Cyprianus. Het coronavirus en de pest mogen we niet gelijkstellen aan elkaar. Toch kan het goed zijn te luisteren naar Cyprianus’ troostbrief.

Eerst kort iets over de schrijver. Cyprianus wordt tussen 200 en 210 geboren in Carthago, een stad in het huidige Tunesië. Hij is afkomstig uit een rijke heidense familie en volgt een opleiding tot redenaar. Rond het jaar 245 komt hij tot bekering. Slechts enkele jaren later wordt hij gekozen tot bisschop van de gemeente in zijn geboortestad. Tot het moment dat Cyprianus in 258 de marteldood sterft, dient hij de kerk van Carthago als herder en leraar.

De tien jaren waarin Cyprianus zijn bisschopsambt uitoefent, zijn bewogen jaren. Dat heeft niet alleen te maken met twee ernstige christenvervolgingen, maar ook met de uitbraak van de pest.

In het boekje dat Cyprianus bij deze gebeurtenis schrijft, wil hij zijn gemeenteleden bemoedigen. Heel bijzonder heeft hij de wankelmoedige gelovigen op het oog. Met woorden van vermaning en vertroosting –„uit de overweging van de Heilige Schrift geput”– richt hij zich tot hen.

Het eerste wat Cyprianus in zijn kleine boekje doet, is de Schrift leggen naast de actuele gebeurtenissen. In dat verband wijst hij erop dat „pestilentiën” door Christus Zelf voorzegd zijn als tekenen van Zijn naderende wederkomst. Nu komen deze voorzeggingen uit. Daaruit blijkt dat de Heere regeert. Het betekent ook dat de belofte van Christus’ wederkomst vervuld zal worden. Gods Kerk mag bij de tekenen der tijden het hoofd opheffen: haar verlossing is nabij!

Bevreesd

Intussen weet Cyprianus wel dat niet bij alle ware gelovigen dit blij vooruitzicht levendig is. Ook Gods kinderen kunnen zo bevreesd zijn voor de dood. Cyprianus opent dan opnieuw de Schrift en leest met deze vrezende gelovigen het gedeelte over Simeon. Om hun duidelijk te maken wat het geloof vermag, als het op Christus mag zien. Dan horen we Simeon zeggen: „Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.”

Indringend herinnert Cyprianus de gelovigen aan het feit dat zij op aarde vreemdelingen zijn: „Laten wij voortdurend bedenken, lieve broeders, dat wij aan de wereld verzaakt hebben en dat wij in afwachting hier nog enkel verblijven als reizigers en vreemdelingen.” Het aardse leven is voor de gelovige een strijdperk: „Ons is immers een harde en onophoudelijke strijd beschoren: is de hebzucht neergeslagen, dan pleegt de begeerlijkheid opstand. Is deze onderdrukt, dan volgt de ijdelheid. En is de ijdelheid tot niets teruggebracht, dan toornt de haat, dan steigert de hoogmoed. De nijd vernielt alle verstandhouding tussen de mensen, de jaloersheid verbreekt de vriendschapsbanden.” Sterven, zo wil de pastor van Carthago ermee zeggen, is toch voor Gods kind ook voorgoed afsterven van de zonde en het beërven van de eeuwige rust? „Wie spoedt zich dan niet naar de plaats waar betere dingen ons wenken?”

Genade

Nog een andere vraag stelt Cyprianus aan de orde: Waar is Gods leiding in dit alles? Waarom worden de christenen, die toch ook al zwaar hebben geleden onder de vervolgingen, niet gevrijwaard van de pest? Ze ondergaan voor het oog precies hetzelfde als de ongelovigen! Cyprianus wijst er dan op, dat er bij rampen uiterlijk gezien geen enkel verschil is tussen christenen en heidenen: „Wanneer puntige rotsen het schip verbrijzelen, zal voor alle opvarenden zonder uitzondering de schipbreuk gemeenschappelijk zijn.”

Toch is er een verschil. In de tegenspoed beproeft de Heere Zijn kinderen namelijk. Als de grote Goudsmid brengt Hij hen in de smeltkroes om Zijn eigen werk naar boven te brengen. Opnieuw opent Cyprianus de Schrift. Hij wijst op Abraham die beproefd werd toen hij zijn zoon Izak moest offeren. Op Paulus die bad of hij verlost mocht worden van de doorn in zijn vlees. Het is in de weg van beproeving, dat de Heere het waarmaakt: „Mijn genade is u genoeg.” „De golven zullen het schip niet aan stukken slaan, maar voorwaarts dragen.”

Intussen weet Cyprianus van het feit dat er twee wegen zijn, en twee bestemmingen: „Deze sterfte, die voor al Christus’ vijanden de bitterste ramp is, is voor Gods dienaren de heilzame reis naar huis.” Dringend waarschuwt de bisschop van Carthago: „Laat hij de dood vrezen, die niet herboren werd uit water en Geest en de slaaf zal worden van het helse vuur. Laat hij de dood vrezen, die niet vrijgekocht werd door Christus’ lijden en kruis. Laat hij de dood vrezen, voor wie het uitstellen ervan uitstel is van straf en smarten.”

Cyprianus heeft gewezen op de roepstem in de epidemie van zijn dagen. Ook zijn leermeester Tertullianus deed dat bij ernstige gebeurtenissen, zelfs in zijn apologetische geschriften. We lezen overigens ook dat de roepstem in Cyprianus’ tijd iets uitwerkte: „Door deze sterfte en deze verschrikkelijke tijden worden de lauwe christenen aangewakkerd, de kleinmoedigen opgewekt, de afvalligen aangezet om terug te keren, de heidenen gedwongen om het geloof te omhelzen.”

Wat zou het een zegen zijn als de gebeurtenissen van onze tijd iets vergelijkbaars uitwerken!

Bijstaan

Ten slotte: Hoe moet de houding van christenen zijn tegenover de zieken in deze omstandigheden? Daarover schrijft Cyprianus kort, maar heel praktisch: de epidemie van zijn dagen zal duidelijk maken „of de gezonden de zieken bijstaan, of familieleden en bloedverwanten elkaar liefhebben in de vreze des Heeren, of de artsen hun zieken niet ontvluchten, of de hebzuchtigen hun onverzadigbare verlangen naar woeker en stelen tenminste onder de schrik voor de dood aan banden weten te leggen.”

Vanaf volgende week vrijdag belicht dr. H. Florijn op de kerkpagina wekelijks een ‘themapreek’ uit het verleden.

 

 

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 2020

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Cyprianus’ troostbrief in tijd van epidemie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 2020

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken