Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Boekbespreking

11 minuten leestijd

N.a.v. Ruud Koole, De opkomst van de moderne kaderpartij. Veranderende partijorganisatie in Nederland 1960-1990, diss. RU Leiden (le druk; Het Spectrum Utrecht 1992) 472 blz. Prijs ƒ 49,90.

In september 1992 stond in de Volkskrant een foto van Maarten van Traa (Kamerlid voor de PvdA) als koffieverkoper in de trein. Hij probeerde met gewone mensen in gesprek te komen over de politiek en over de PvdA. Dit was een niet alledaagse vertoning om het proces van vervreemding tussen de burger en de politiek tegen te gaan. De burger heeft een houding van apathie aangenomen, omdat de politiek een gespecialiseerd en voor hem dus onbegrijpelijk bedrijf is geworden. Op 5 december bracht PvdA-fractieleider Thijs Wöltgens dit beeld in De Volkskrant treffend onder woorden bij de presentatie van zijn boek Lof van de politiek. Het is in de politiek 'zoals bij het catenaccio, het soort voetbal in Italië waarbij het alleen op de taktiek aankwam. De wedstrijden eindigden allemaal in een bloedeloze 0-0, dus liepen de stadions leeg'.

Neergang van politieke partijen?

Het is niet erg moeilijk een treurig beeld te schetsen van de betekenis die politieke partijen voor de mensen hebben. Het is een dankbaar onderwerp voor criticasters als J.W. Oerlemans en Bart Tromp om hun ongenoegen te uiten over de (te) grote kloof tussen kiezer en gekozenen in de Nederland. De burgers hebben hun buik vol van politici en partijbonzen die de dienst uitmaken. The party's over! De Leidse politicoloog Ruud Koole, die op 16 september 1992 in het Academiegebouw aan het Leidse Rapenburg een proefschrift verdedigde over de Nederlandse politieke cultuur, vindt hun kritiek zwaar overdreven. Hij beaamt dat de PvdA er slecht aan toe is, maar volgens hem betekent dat nog niet dat andere politieke partijen delen in de socialistische malaise. 'Het zal wel te maken hebben met de sociaal-democratische bril waarmee veel onderzoekers naar partijen kijken', oordeelt dr. R.A. Koole. Hij relativeert verder. Tegenwoordig klagen de mensen steen en been over de politiek en over de kwaliteit van 's lands politici. Maar forse kritiek op de politiek is niet nieuw. Daarom biedt de huidige golf van ongenoegen en onbehagen onvoldoende grond om te kunnen spreken van een neergang van de politieke partijen. Ruud Koole haalt met instemming de sociaal-democraat W.A. Bonger aan, die al in de jaren dertig zei dat kritiek op het functioneren van de politiek en haar politici vaak samenhing met een idealisering van het verleden. Het is een mythe dat vroeger alles beter was dan tegenwoordig. Dit inzicht geeft aan Koole de ruimte om in zijn studie naar de organisatie van partijen in Nederland tot een opzienbarende conclusie te komen: de politieke partij is springlevend! Als mensen dat niet inzien komt dat, omdat ze politieke partijen teveel afmeten naar de functies die ze vroeger hadden. Maar de politieke partijen zijn veranderd en ze veranderen nog steeds, net zoals de mensen en de hele samenleving. Daarom: partijen 'zijn tijdgebonden verschijnselen', maar 'democratische stelsels zonder politieke partijen zijn in de praktijk moeilijk voorstelbaar'. Ruud Koole beschrijft in zijn boek de historische ontwikkeling van de Nederlandse politieke partijen tot 1990, maar hij, komt dankzij een empirische benadering ook tot een duiding van het type politieke partijen waarmee we tegenwoordig te maken hebben, namelijk met moderne kaderpartijen. Vandaar dat het boek De opkomst van de moderne kaderpartij. Veranderende partijorganisatie in Nederland 1960-1990 als titel heeft meegekregen.

Moderne kaderpartij
Wat wordt bedoeld met de term 'moderne kaderpartij'? Daarvoor moeten we iets weten van de geschiedenis van de Nederlandse politieke partijen. Het begon in de negentiende eeuw met een parlement waarin een kleine elite van notabele burgers zitting had. Deze notabelen maakten geen deel uit van een georganiseerd politiek verband, maar vertegenwoordigen op individuele basis een beperkt aantal burgers die het kiesrecht bezaten. Er kon wel een onderlinge band bestaan tussen deze 'volksvertegenwoordigers'. Zo had G. Groen van Prinsterer, die in 1840 Kamerlid werd, een club van antirevolutionaire heren gevormd. Achteraf kunnen we zeggen, dat deze parlementariërs 'generaals zonder leger' waren. Dat veranderde, toen in het laatste kwart van de vorige eeuw de 'klokkenist der kleine luyden', Abraham Kuyper, op het politieke toneel verscheen. Hij was de eerste in Nederland die een georganiseerde politieke partij introduceerde en de aanhang ervoor rekruteerde uit brede lagen van de bevolking. Zon ontwikkelde de politieke organisatie zich grofweg van 'kaderpartijen' tot 'massapartijen'. Na de Tweede Wereldoorlog zijn een paar maatschappelijke ontwikkelingen van belang geweest voor de grote politieke partijen, namelijk de toenemende welvaart, de secularisatie en de opkomst van moderne communicatiemiddelen als de televisie. Deze zaken hebben in de periode van 1960 tot 1990 geleid tot een nieuw type partij: de 'moderne kaderpartij'. Modern, omdat ze zich onderscheidt van de negentiende-eeuwse kaderpartij door interne partijdemocratie. Kaderpartij, omdat ze door het sterk afgenomen ledenaantal geen massapartij meer genoemd kan worden. De moderne kaderpartij ziet er als volgt uit:
* verhouding top-basis: overwicht van de partijtop (waar de fractie politiekinhoudelijk domineert), maar met een duidelijke verantwoordingsplicht jegens het partijkader;
* leden: lage organisatiegraad, maar leden blijven belangrijk voor inkomsten, als kandidatenreservoir en om het partij-apparaat draaiende te houden;
* kiezers: sterke gerichtheid op kiezers, werving ongeacht sociale klasse en godsdienst, maar niet onder het gehele electoraat, campagne rond issues en de politieke leider;
* organisatiestructuur: gerichtheid op de integratie van de massa, niet omdat de massa zich nog laat inkapselen maar vanwege de interne partijdemocratie;
* financiën: inkomsten vooral afkomstig van de leden en van de overheid.

Bezinning

De Nederlandse partijen verkeren - niet voor de eerste en ook niet voor de laatste keer - in een overgangsfase. Ze hebben het moeilijk met zichzelf en met hun relatie tot de bevolking. Een overgangsfase dus, die voor zwartkijkers misschien wel het karakter van een crisis heeft. Het lijkt wel of Koole de publicatie van zijn boek zorgvuldig gepland heeft, omdat het precies verschijnt in een tijd waarin de politiek en de politieke partijen zich, zichtbaar voor elke burger, bezinnen op hun functioneren. Want het gist in de politiek. Op dit moment meer en anders dan een paar jaar terug. Toen stond de PvdA op de drempel van de sterfkamer en hield het CDA, ondersteund door de VVD, als een zelfgenoegzame oude patriarch de deur naar politieke vernieuwing op slot. Daardoor was het rapport van de commissie- Deetman over staatkundige vernieuwingen uit voorjaar 1991 voorbestemd om in een diepe lade te verdwijnen. Maar de wereld heeft intussen niet stilgestaan. Het is vooral te danken aan de commotie rond de referenda in Denemarken en Frankrijk over het Verdrag van Maastricht, dat de politici in Nederland zijn geschrokken. Met het lage opkomstpercentage van 60 procent bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1990 nog in het achterhoofd, was politieke vernieuwing plotseling een hot item waar niemand meer omheen kon. CD A-fractieleider L.C. Brinkman nam in de algemene politieke beschouwingen van 1992 zelfs het voortouw in de discussie. Hij bepleitte in zijn Rotterdamse Burgerzaal-lezing het referendum als een mogelijk politiek middel om tussen de verkiezingen door de mening van de burgers te peilen. En hij sprong op het paradepaardje van D66 door de kwestie van de gekozen burgemeester op de politieke agenda te plaatsen. Dat leverde heel wat positieve reacties op, ook op gemeentelijk niveau. Burgemeester C.H. Goekoop (VVD) van Leiden bijvoorbeeld wil, overeenkomstig de wens van zijn gemeenteraad, graag een bijdrage leveren aan de discussie over dit thema door en plein public het debat aan te gaan met de in Leiden woonachtige Brinkman. Het heeft er veel van weg dat het CDA samen op weg gaat met andere partijen om de Nederlandse politieke cultuur een nieuwe impuls te geven. De tegenwoordige politieke vernieuwingsvoorstellen zijn volgens de Leidse hoogleraar dr. J.Th.J. van den Berg (in Trouw van 17 oktober 1992) 'geen voorbijgaande modegril' en worden in het CDA evenmin gezien als 'een poging tot moord op de christen-democratie'. Zijn conclusie is dan ook dat de algemene politieke beschouwingen van herfst 1992 goede vruchten hebben afgeworpen. Ook de PvdA timmert weer geducht aan de weg, door toedoen van het voorzittersduo Felix Rottenberg en Ruud Vreeman. Deze mannen proberen allerlei nieuwe dingen uit om de kiezer te bereiken. Maar hun pogingen zijn natuurlijk tot mislukken gedoemd als de PvdA geen heldere standpunten inneemt. Daarom proberen ze de partij een duidelijk gezicht te geven en de meningen van de individuele Kamerleden naar het voorbeeld van hun christendemocratische vakbroeders te stroomlijnen. Zoals het ging tijdens de WAO-crisis van zomer 1991, toen ieder het zijne er van zei en voor zijn beurt sprak, zo moet het volgens hen niet. Ze zijn beter te spreken over de bijdrage die vanuit de PvdA wordt geleverd aan het huidige minderheden- en illegalendebat.

Gematigde polarisatie

Koole geeft in zijn boek niet slechts een analyse van voorbije periodes. Hij legt ook een aantal eigen ideeën op tafel, waarmee de Nederlandse politieke partijen in de toekomst hun winst kunnen doen. Koole doet zo een duit in het zakje van de nationale bezinning. Hij constateert in de tweede helft van de jaren tachtig een trend van ideologische convergentie. Partijen groeiden naar elkaar toe en hun onderlinge verschillen waren voor de kiezers steeds minder duidelijk. Vanuit dat gezichtspunt voert Koole een pleidooi voor een gematigde vorm van polarisatie. Daardoor kan voorkomen worden dat de politieke onvrede zich kanaliseert via extreme partijen of bewegingen. Verder constateert Koole een trend, dat de grote Nederlandse partijen zich meer identificeren met de overheid dan met de burger. Koole noemt ze zelfs 'semi-staatsinstellingen'. Misschien zijn de partijen teveel verwend door subsidies van het Rijk. Koole stelt voor om deze subsidies te koppelen aan het aantal leden in plaats van aan het aantal Kamerzetels. Voorts, de meeste Tweede Kamerleden zijn even bureaucratische types als de ambtenaren op de ministeries. De Haagse politiek is een inteelt-wereldje, waarin vrijwel geen plaats is voor buitenbeentjes. Dat zou doorbroken moeten worden. Dat kan met kandidaten die nog niet met het bureaucratische virus besmet zijn. En verder kan de kiezende burger meer invloed gegeven worden door een groter gewicht toe te kennen aan de voorkeurstem. Dat sluit aan bij de trend van algemene personifiëring in de politiek. Die ontwikkeling heeft weliswaar zijn schaduwzijden, vindt Koole, maar ze is ook een probaat middel om de politieke belangstelling van de burger te wekken en de politicus zich te laten bewijzen in confrontaties met een mondig publiek. Bij al deze veranderingen in de strategie en presentatie van politieke partijen moet, volgens Koole, een hoogwaardige interne partijdemocratie voorop blijven staan.

Waardering

De waarde van dit boek van Ruud Koole wordt bepaald door een aantal dingen. Ik wil er drie noemen die naar mijn mening belangrijk zijn. Koole geeft een systematisch beeld van de organisatie van de grootste nederlandse partijen, maar vervalt niet in de fout zijn gegevens te statisch te maken door ze als het ware buiten de historie te plaatsen. Hij verweeft zijn gegevens op een aardige manier met historische ontwikkelingen. Zo verschaft hij de lezer inzicht in de hoofdlijnen van de politieke ontwikkelingen in Nederland. Verder dwingt hij bewondering af door de goede compositie van zijn werk. De evenwichtigheid van zijn betoog komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Koole heeft twaalf jaar over zijn proefschrift gedaan. In die twaalf jaar heeft hij naar eigen zeggen 'meer partijvergaderingen meegemaakt, dan menig partijlid'. Bovendien steunt hij op een schat aan onderzoekservaring, die hij heeft opgedaan in de acht jaar dat hij hoofd was van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen. Inhoudelijk gezien is dit boek van Koole van belang, omdat hij in zijn evaluatie komt tot een actuele bijdrage aan de huidige discussies. Hij laat zien dat de criticasters veel te gemakkelijk afgeven op het Nederlandse partij stel stel. Het fundamentele inzicht dat partijorganisaties nooit stilstaan in hun ontwikkeling, relativeert het standpunt dat de partijen in Nederland hun functie als intermediair tussen burger en overheid hebben verkwanseld. Partijen hebben wel moeite om telkens adekwaat in te springen op nieuwe ontwikkelingen, maar die is inherent aan iedere organisatie die middenin de samenleving staat. Koole besluit zijn proefschrift dan ook met de woorden: 'De problemen die er in hun functioneren zeker zijn, moeten zij kunnen oplossen zonder te verworden tot ondemocratische, volledig van de maatschappij geïsoleerde en door technocraten overheerste semistaatsinstellingen. Daar is veel inzet, inzicht en politieke wil voor nodig, maar het is niet onmogelijk.'


Leiden                                                                                                                                                     C.Chr. Sol

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1993

Radix | 44 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1993

Radix | 44 Pagina's

PDF Bekijken