Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bavincks bijdrage aan de studie van de islam in gereformeerde kring1

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bavincks bijdrage aan de studie van de islam in gereformeerde kring1

12 minuten leestijd

Nadat Abraham Kuyper in 1905 ambteloos burger geworden was, maakte hij een negen maanden durende reis naar de landen rondom de Middellandse Zee, in het bijzonder naar het Heilige Land en de plaatsen waar de apostelen van Jezus hadden gepredikt. In zijn reisverslag, het bekende werk Om de Oude Wereldzee (van 1907 en 1908) nam Kuyper een apart hoofdstuk op met de titel Het raadsel van den Islam (dl. 2, pp. 1-51). 'De Islam', aldus Kuyper, 'gelijk deze in de zevende eeuw schier als een meteoor in Arabië plotseling opglansde, en uit Mekka zijn wonderen zegetocht begon, is psychologisch vooral, een der moeilijkst te verklaren verschijnselen in de wereldhistorie en heeft nog steeds het raadselachtig karakter van zijn verschijning nooit ten volle ontsluierd' (p.7). Was de islam in de zevende eeuw alleen bij 'afgodendienaars' zoals in Arabië en Perzië aangeslagen, Kuyper had er wellicht vrede mee kunnen hebben. 'Het raadsel daarentegen waarvoor de snelle opkomst van den Islam ons plaatst is, dat hij zich op bijna geheel gekerstende natiën wierp, en dat hij bij deze hooger staande volken het zoo veel hooger staande Christendom, na korte worsteling, soms bijna spoorloos deed verdwijnen' (p. 11 infra). Na erop gewezen te hebben dat de verwoesting door de islam van de Kerk in het Oosten niet alleen onder Gods toelating, maar ook onder zijn bestel was geschied, komt Kuyper tot de conclusie dat dit de gerechte straf Gods is geweest voor de ontrouw van de Kerk die geïnfecteerd was door allerlei heidens-filosofische stelsels en het onchristelijke instituut van de 'caesaropapie', ingevoerd door Constantijn de Grote, had toegelaten en verder ontwikkeld. De islam wordt door Kuyper als een godsdienst getypeerd die de 'neiging van hoogheid en zinnelijkheid in het menselijk hart' streelt (p. 48). Kuyper illustreert deze stelling onder andere aan de hand van de sexuele moraal van de islam. 'Wie ook maar even', aldus Kuyper, 'de zedelijke normen van het Christendom naast die van den Islam legt, voelt aanstonds het verschil en Mohammed's minderheid' (pp. 8-9). In zijn visie is de islam ook een godsdienst met gemis aan geestelijke diepte: 'Het kent geen wedergeboorte, het kent geen diepere opvatting van zonde, het mist elk soteriologisch karakter dat verder dan vormelijke verzoeking reikt'.

Kuyper's beoordeling van de islam is primair een projectie van de christelijk-theologische leer over de oorsprong van het kwaad, de theodicee. De islam is binnen deze projectie de belichaming van het mysterie of raadsel van het kwaad, door God toegelaten om de christenen op de proef te stellen. Met deze christelijk-dogmatische benadering van de islam staat Kuyper in een lange traditie, die teruggaat tot de vroegste christelijke apologetische en polemische geschriften tegen de islam, van de late zevende eeuw. Kuyper's benadering van de islam was onder zijn volgelingen, vooral in gereformeerde zendingskringen, zeer gezaghebbend. Men leze bijvoorbeeld het artikel van Ds. D. Pol in het gereformeerde standaardwerk, de Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandse Volk over de 'Vijf zuilen van de Islam'. Kuyper's benadering van de islam was echter niet de enige die onder de 'kleyne luyden' en hun geestelijke leiders in zwang was. Naast Kuyper stond in gereformeerde kring namelijk Herman Bavinck, die in zijn vierdelige Gereformeerde Dogmatiek een veel gedocumenteerder oordeel over de islam gaf; daarbij baseerde hij zich onder meer op godsdiensthistorische studies van Leidse oriëntalisten als Dozy, Snouck Hurgronje en Wensinck. Natuurlijk wordt ook bij Bavinck het christendom wel als de hoogste godsdienst, als de 'vervulling' van de andere godsdiensten geschetst, maar een denigrerend of op loze veronderstellingen gebaseerd oordeel treft men bij de zorgvuldige Bavinck niet aan. Men vergelijke bijvoorbeeld zijn opmerking (dl. I, blz. 330): 'De godsdienststichters zoals Mohammed, werden (vroeger-K) eenvoudig voor bedriegers, vijanden Gods, handlangers des duivels gehouden. Maar sedert die godsdiensten nauwkeuriger bekend zijn geworden, is deze verklaring onhoudbaar gebleken; zij was beide met de historie en met de psychologie in strijd'. Deze passage kan gelezen worden als rechtstreekse kritiek op de diabolisering van de islam zoals we die onder andere bij Abraham Kuyper aantreffen. Bavinck heeft zich in geschrifte slechts sporadisch over de islam uitgelaten. Toch wil ik hier, bij de presentatie van de gedrukte uitgave van zijn briefwisseling met Christiaan Snouck Hurgronje, de stelling verdedigen dat hij als geen ander de voorwaarden heeft geschapen waaronder zich binnen gereformeerde kring een historischfilologische studie van de islam kon ontwikkelen. Tot die voorwaarden behoorden allereerst zijn opleiding tot kandidaat in de semitische letteren in Leiden, in het kader van welke opleiding hij niet alleen historische teksten in de Arabische taal las, maar ook de in zijn tijd gezaghebbende werken op het terrein van de islamitische cultuurgeschiedenis bestudeerde, zoals die van Von Kremer, Sprenger en Weil. De tweede factor was ongetwijfeld zijn nauwe, levenslange vriendschap met Snouck Hurgronje, en de gedachtewisseling die hij met deze belangrijkste Nederlandse islamkenner van zijn tijd onderhield, ander andere over diens islampublicaties. Als derde en laatste voorwaarde voor Bavinck's rol als wegbereider van historische islamstudiën in gereformeerde kring, geldt uiteraard de gezaghebbende positie die hij als theoloog in gereformeerde kringen bekleedde, naast Abraham Kuyper, eerst in Kampen en later in Amsterdam aan de Vrije Universiteit. De gereformeerde traditie van islamstudiën waarvoor Bavinck de weg bereidde richtte zich met name op de studie van de islamitische geloofsleer of dogmatiek. Hierin onderscheidde zich deze richting van de traditie van Snouck Hurgronje, waarbinnen heel nadrukkelijk aan de Wet van de islam (de 'fiqh') het primaat werd toegekend. De geloofsleer of theologie van de islam werd door Snouck van wezenlijk geringer belang geacht dan de zogenaamde islamitische 'plichtenleer'. Duidelijke aanzetten voor een andere waardering van de islamitische geloofsleer zijn in verschillende brieven van Bavinck aan Snouck te vinden. Zo bestreed hij in zijn brief van 7 mei 1886 de stelling in Snouck's bekende Gids-artikel over de islam 'dat men van geen leer van Mohammed mag spreken, maar alleen van zijn godsdienst'. 'Ik heb me in bescheidenheid afgevraagd', aldus Bavinck, 'of dat juist is, of die tegenstelling (geen leer, maar godsdienst) bij Mohammed gelden kan. Hij vormde zich toch -hoe veel gebrek aan systeem in eigenlijken zin erin moge geweest zijn- eene 'religieuse wereldbeschouwing'; de eenheid Gods trad toch altijd bij hem op den voorgrond (259), hij had bepaalde voorstellingen van Gods gerechtigheid (ibidem), van zekere wetten die moesten nageleefd worden (261), van toekomstig gericht, paradijs en hel (262), van zijn zending en profetische roeping (263), van bepaalde vormen van eeredienst (266 enz.) - wat alles tezamen toch wel eene Meer' genoemd mag worden, tenzij ge Meer' opvat in den zin van een samenhangend en ten einde toe doorgedacht stel van overtuigingen; maar dan ware ook de naam godsdienstige wereldbeschouwing, waarvan gij spreekt, niet juist'. Bavinck vat vervolgens zijn opmerking als volgt samen: 'Ging Mohammeds doel geheel en al op in eene 'ethische' hervorming -daargelaten natuurlijk de waarde van dat ethische-, in het opwekken tot een beter leven met het oog op een toekomstig gericht, waarop gij naar mij voorkomt al den nadruk vallen laat; of bedoelde hij toch waarlijk ook een hervorming van de religieuse gebruiken, voorstellingen enz. die destijds bestonden, eene hervorming der leer?'2 Met andere woorden: tegenover de benadrukking van de praktisch-ethische kant van Mohammed door de liberaal-ethische Snouck Hurgronje vroeg de orthodox-gereformeerde Bavinck primair aandacht voor Mohammeds religieus-leerstellige kant. Eenzelfde verschil in beoordeling van de fundamentele betekenis van het islamitische geloof ligt ten grondslag aan Bavincks bezwaren tegen Snoucks 'associatiepolitiek', die kort samengevat hierop neerkwam dat een geleidelijke aansluiting van de Indonesische bevolking bij de Europese cultuur de angel zou kunnen ontnemen aan bepaalde, gevaarlijk geachte islamitische opvattingen omtrent djihad (heilige oorlog), kalifaat (het hoogste leiderschap in de islam) en panislamisme (het streven om alle moslims ter wereld politiek, vooral tegen westerse overheersing, te verenigen). 'Ik voor mij begrijp niet', aldus Bavinck in zijn brief van 19 januari 1913, 'dat gij van de associatie verzwakking verwacht van de panislam-gedachte, want deze is in de eerste plaats niet politiek, maar religieus van aard, ze hangt ten innigste samen met het mohammedaansche geloof1 Verzwakking van die gedachte is dus alleen mogelijk, indien en voorzoover dat geloof zelf terrein verliest, en voor een andere religieuse gedachte plaats maakt'. Hierna volgt Bavinck's pleidooi voor de zending en voor christelijke naast neutrale scholen in Indië. Dat de wetenschappelijke studie van de islam aan de Vrije Universiteit aanving met een dissertatie over de islamitische geloofsleer die grotendeels door Bavinck was begeleid, maar waarvan het concrete onderwerp door Snouck Hurgronje was aangedragen, ligt geheel in de lijn van de discussies tussen Bavinck en Snouck en is te zien als een vrucht van hun vriendschap. F.L. Bakker verdedigde aan de Vrije Universiteit zijn proefschrift, De verhouding tusschen de almacht Gods en de zedelijke verantwoordelijkheid van den mensch in den islam na Bavincks overlijden, in 1922. De eerste stelling bij deze dissertatie, waarin direct uit islamitische theologische bronnen in het Arabisch werd geput, luidde: 'Het Mohammedaansche kadarbegrip en het Gereformeerde predestinatiebegrip verschillen principieel'. Bakker had zijn kennis van het Arabisch in Leiden opgedaan. In het voorwoord gedenkt hij 'wijlen Professor Bavinck, die mijn Promotor zou zijn geweest, indien God hem het leven had gespaard. De invloed dien hij door zijn onvergetelijke colleges op mij heeft uitgeoefend, is niet in woorden te schetsen. Hij is het ook geweest, die mij aangeraden heeft dit vak van studie te kiezen, die mij den weg geopend heeft, om dit proefschrift te schrijven en die mij bij alle moeilijkheden, die zich in het begin daarbij voordeden, heeft bijgestaan met zijn raad'. Daarnaast dankt hij Snouck: 'Gij zijt het geweest, die mijn aandacht gevestigd hebt op het onderwerp mijner dissertatie. (...) De moeite, die Gij U hebt willen getroosten, om mijn manuscript geheel door te lezen, zoodat ik Uw waardevolle opmerkingen daarin kon verwerken, zullen bij mij steeds in zeer dankbare herinnering blijven'. De lijn Bavinck-Bakker werd voortgezet door de belangrijkste gereformeerde semitist-islamoloog, D.S. Attema. Deze studeerde Semitische Taal- en Letterkunde in Leiden voor de Tweede Wereldoorlog, met name bij Wensinck die, in tegenstelling tot Snouck, wèl bijzondere aandacht aan de islamitische geloofsleer besteedde. (Hij was onder meer de auteur van het bekende boek over de over de vroege islamitische geloofsbelijdenissen, The Muslim Creed). Attema promoveerde in Amsterdam op een studie naar De Mohammedaansche opvattingen omtrent het tijdstip van den jongsten dag en zijne voortekenen. Ook in talrijke andere geschriften, zoals zijn herhaaldelijk herdrukte boek over De Koran. Zijn ontstaan en inhoud, en zijn af- scheidsrede uit 1977 over De theologie van Mohammed Abduh stonden met name de islamitische geloofsopvattingen centraal. Studie van de islamitische dogmatiek bekleedde in het curriculum van de Vrije Universiteit dat door hemzelf tijdens zijn professoraat verzorgd werd, een centrale plaats, overigens naast de studie van de islamitische Wet en mystiek, en van de Koran en de profetische Traditieliteratuur als bronnen van de islam. Zijn hoofdvakstudenten werden niet alleen over het omvangrijke Glaubenslehren des Islam van Herman Stieglecker getentamineerd, maar lazen onder zijn leiding ook met name de theologische gedeelten van Al-Ghazzali's hoofdwerk over de Herleving van de Wetenschappen van de Godsdienst (Ihya'culüm al-din). Attema's invloed is tot de huidige dag in gereformeerde kring via verschillende prominente leerlingen duidelijk aanwezig, al is de gereformeerde traditie van historisch-filologische islamstudiën aan de VU, die door Bavinck werd voorbereid, door Bakker werd ingezet en door Attema werd uitgebouwd, thans reeds geruime tijd beëindigd. De merkwaardige dualiteit van een zuiver christelijk-theologische, min of meer evangelistische benadering van de islam a la Abraham Kuyper enerzijds, naast een grondiger en soberder benadering van de islam in de lijn van Herman Bavinck anderzijds, treft men ook wel in andere confessionele kringen van 20ste eeuws Nederland aan, bijvoorbeeld in de Nederlands-Hervormde. In gereformeerde kring lijken de christelijk-dogmatische en historisch-filologische benadering van de islam in de regel gescheiden naast elkaar te hebben bestaan. In Nederlands-Hervormde kringen konden beide tradities echter, haast alsof zij niet principieel conflicteerden, met een zeker gemak in één persoon worden verenigd, zoals uit de werken van de Leidse zendingstheoloog en islamoloog Hendrik Kraemer (onder andere leerling van Snouck Hurgronje) duidelijk blijkt. Snouck Hurgronje zelf kan bezwaarlijk ten gunste van een hervormde traditie van zuiver historisch-filologische islamstudie worden aangevoerd, daar hij, hoewel hij als docent jarenlang vrijwillig meewerkte aan de opleiding van hervormde zendelingen, volledig was gedeconfessionaliseerd. Men doet hem meer recht door hem, in verband met zijn Leidse, liberaal-theologische achtergrond en zijn agnosticisme en scepticisme, te plaatsen in de buurt van het ultra-vrijzinnige protestantisme, ook omdat zijn invloed in Nederland buiten protestantse kringen beperkt bleef. De hier gesignaleerde, overwegend gescheiden dualiteit in gereformeerde kring van christelijk-theologische en historisch-filologische islamstudiën hangt historisch zeker met verschillende factoren samen. Daartoe zijn niet alleen te rekenen de zeer verschillende karakters van Abraham Kuyper en Herman Bavinck, maar ook hun verschillende Schriftbeschouwing, hun verschillende houding ten opzichte van de historische Bijbelkritiek en de vergelijkende godsdienstwetenschappen, en, tenslotte, het feit dat elk van beiden de exponent waren van één van de twee belangrijkste stromingen binnen de Gereformeerde Kerk die in de uiteenlopende historische gebeurtenissen van Doleantie en Afscheiding hun oorsprong vonden. Voor Kuyper, de bevlogen charismaticus, de theocraat, de man van de persoonlijke bekering, de bestrijder van vergelijkende godsdienstwetenschappen, was de Bijbelse boodschap voldoende om de islam in zijn essentie te kennen en te veroordelen. Voor Bavinck, de bezonken studeerkamergeleerde, de systematicus die in zijn proefschrift vergelijkend godsdienstwetenschappelijke stellingen had opgenomen en in Leiden Arabisch had bestudeerd, bleef, ook naast een strenge orthodox-gereformeerde geloofsleer, een historisch-filologische benadering van niet-christelijke godsdiensten zoals de islam, even vanzelfsprekend als noodzakelijk.


Dr. P.S. van Koningsveld (1943) is hoogleraar Godsdienstgeschiedenis van de Islam in West-Europa en voorzitter van de Vakgroep Godsdienstgeschiedenis en Vergelijkende Godsdienstwetenschap van de Faculteit der Godgeleerdheid te Leiden. Adres: Nieuwe Rijn 55 D, 2312 JH Leiden.



Noten:
1. Toespraak gehouden bij de presentatie van de gedrukte editie van de briefwisseling Bavinck-Snouck Hurgronje in Leiden op 23 maart 1999.
2 De cursivering is van mij, K
3. Cursivering van mij, K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1999

Radix | 64 Pagina's

Bavincks bijdrage aan de studie van de islam in gereformeerde kring1

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1999

Radix | 64 Pagina's

PDF Bekijken