Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Discriminerende godsdienstige uitlatingen en de Nederlandse rechtsorde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Discriminerende godsdienstige uitlatingen en de Nederlandse rechtsorde

Een analyse van de zaak-Van Dijke

35 minuten leestijd

1. Inleiding

“Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?”, vroeg Leen van Dijke zich af tijdens een interview met Nieuwe Revu (1996: nr. 27). Met deze vergelijking zorgde de toenmalige christelijke politicus voor veel commotie in de Nederlandse samenleving. Men reageerde geschokt. Was deze uitlating niet uitermate beledigend voor homoseksuelen? Werd een minderheidsgroepering hier niet op grove wijze gediscrimineerd en gekwetst? Getuigde deze uitspraak niet van een buitengewoon onverdraagzame houding? Een rechtszaak volgde.

De afloop van deze zogenaamde zaak-Van Dijke is u wellicht bekend. De rechter deed een zeer principiële uitspraak over de relatie tussen de vrijheid van meningsuiting, de godsdienstvrijheid en het discriminatieverbod. De uitspraak heeft gevolgen voor de mogelijkheid van religieuze minderheidsgroeperingen om hun overtuiging niet alleen te koesteren maar ook te uiten. Reikwijdte en beperkingen van het recht om je (ver)oordelende mening te uiten staan op het spel. Gaat de vrijheid van meningsuiting zo ver dat anderen op kwetsende wijze kunnen worden bekritiseerd? Is er in de Nederlandse rechtsorde ruimte voor het uiten van extreme, fundamentalistische opvattingen? Voor een antwoord op dergelijke vragen geeft de zaak-Van Dijke een belangrijke richting aan. Een richting die bovendien in latere zaken is bevestigd. Denk aan de zaak-El Moumni, waarin een imam zich in kwetsende bewoordingen uitliet over homoseksualiteit.

De opzet van dit artikel is als volgt. Eerst wordt nagegaan wat er aan de hand was in de zaak-Van Dijke. De feiten en rechterlijke uitspraken zullen uitgebreid aan bod komen (paragraaf 2). Om daarna tot een eigen oordeel over de zaak te kunnen komen, is enige kennis van het geldende recht noodzakelijk. In paragraaf 3 wordt onderzocht hoever de bescherming van de vrijheid van meningsuiting in de Nederlandse rechtsorde reikt. Die vrijheid blijkt groot te zijn, maar niet onbeperkt. Grenzen vindt de uitingsvrijheid bijvoorbeeld in de discriminerende belediging. In paragraaf 4 wordt bekeken wanneer precies sprake is van een dergelijke belediging. Daarna kan worden beoordeeld of Van Dijke zich wel of niet heeft schuldig gemaakt aan een strafbare belediging (paragraaf 5). Bij de beoordeling van de strafbaarheid speelt het godsdienstige karakter van de context van de uitlating een belangrijke rol. In paragraaf 6 staat de vraag centraal of Van Dijke’s uitlating zonder die specifieke context wel strafbaar zou zijn geweest. Met andere woorden: hebben gelovigen in vergelijking met anderen in onze samenleving soms meer ruimte om hun opvattingen te ventileren? Biedt de godsdienstvrijheid hier een extra bescherming? Afsluitend wordt de problematiek beschouwd tegen de achtergrond van het vraagstuk van de tolerantie.

2. De zaak-Van Dijke

2.1 De feiten

In het interview met Nieuwe Revu in 1996 wordt Van Dijke – destijds parlementariër voor de RPF – gevraagd naar diens mening omtrent het weren door de Evangelische Omroep van homoseksuelen. Van Dijke reageert daarop door allereerst te zeggen dat hij een onderscheid wenst te maken tussen homoseksuelen en homoseksuele praktijken. Hij vervolgt: “Ik verwerp fraudeurs ook niet compleet omdat ze fraude bedrijven. Wat ik bedoel is dit: je kunt best iemand aannemen die een keer in de fout is gegaan. Zolang die persoon maar de intentie heeft om dergelijke misstappen niet te herhalen”. De journalist constateert dat Van Dijke frauderen en homoseksualiteit op één lijn stelt en vraagt om opheldering. Van Dijke: “Wij christenen hebben een geweldig kwalijke eigenschap ontwikkeld: we brengen ten onrechte gradaties aan in Gods geboden. Alsof je erg en minder erg hebt. Maar waarom zou stelen (…) minder erg zijn dan zondigen tegen het zevende gebod? Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?”

Van Dijke wordt overtreding van art. 137c Wetboek van Strafrecht (Sr) tenlastegelegd: het zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen, te weten: homoseksuele mensen, wegens hun homoseksuele gerichtheid. Op 6 oktober 1998 oordeelt de rechtbank over de uitlatingen van Van Dijke.

2.2 De rechtbank2

De rechtbank veroordeelt Van Dijke. Volgens haar heeft Van Dijke uitlatingen gedaan die op zichzelf beschouwd beledigend zijn voor homoseksuelen. De context ontneemt de uitlating haar beledigende karakter niet, omdat er blijkens de hele tekst geen sprake is van een meer algemeen betoog inzake zijn geloof. De uitlating was geheel overbodig en onnodig grievend. Bovendien meent de rechtbank dat Van Dijke’s uitspraak niet wordt beschermd door de rechten op godsdienstvrijheid en vrije meningsuiting.

Het vonnis van de rechtbank heeft veel weerstand opgeroepen in de rechtsgeleerde wereld. Het oordeel is wel omschreven als een “politiek correct, maar juridisch ondeugdelijk vonnis”.3 Het hof komt dan ook tot een arrest met een geheel andere uitkomst.

2.3 Het hof 3

Het hof begint met het benadrukken van de context. Los daarvan zou de uitspraak “Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?” wel een strafbare belediging zijn geweest. De waardigheid van de betreffende groep zou dan miskend worden. Het hof merkt daarbij op dat het verschil tussen praktisediscriminerende rend en geaard niet van belang is vanwege de sterke verbondenheid van de praxis met de identiteit van de homoseksueel. Verwerping van de praxis betekent verwerping van de (bijzondere) identiteit. Bovendien heeft de wetgever in art. 137c Sr gekozen voor de term ‘gerichtheid’, wat wil zeggen gedrag en geaardheid.

Op zichzelf zou de uitlating van Van Dijke dus wel een strafbaar feit opleveren. De context waarin de uitlating gedaan is en de daaruit blijkende kennelijke bedoeling ontnemen echter de uitspraak het beledigende karakter. Uit de context blijkt immers dat het louter gaat om een illustratie van een geloofsovertuiging. Hij zegt immers dat hij op grond van zijn geloofsovertuiging homoseksuele praxis afwijst als zondig, namelijk als strijdig met een van de bijbelse geboden en dat hij het, eveneens op grond van die geloofsovertuiging onjuist vindt om in die geboden gradaties aan te brengen. Omdat het in deze context is, wordt de waardigheid van de praktiserende homoseksuelen niet aangetast. Gezien bovendien de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting stond het Van Dijke vrij zijn geloofsovertuiging uit te dragen, aldus het hof. Wel moet dat gebeuren binnen acceptabele proporties, wat in casu het geval was. Concluderend vindt het hof de uitlatingen van Van Dijke niet beledigend in de zin van art. 137c Sr en komt het tot een vrijspraak.

2.4 De hoge raad5

Op 9 januari 2001 laat de hoogste nationale rechter zich uit over de zaak. Hij komt tot een principiële uitspraak, die in de kern niet afwijkt van het oordeel van hof. De hoge raad is het met het hof eens dat de uitlatingen in hun context moeten worden beschouwd. Terecht heeft het hof de omstandigheid dat Van Dijke’s uitlatingen een uiting zijn van een geloofsovertuiging van belang geacht. Het hof is zo tot een juiste opvatting van de term beledigend gekomen. De hoge raad vervolgt dat Van Dijke met zijn vergelijking van homoseksuelen en dieven binnen de grenzen van het aanvaardbare is gebleven. Daardoor mist zijn uitlating een beledigend karakter. Bij het al dan niet aannemen van het beledigend karakter van – op zichzelf beschouwd kwetsende of grievende – uitlatingen kunnen de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting mede bepalend zijn. De hoge raad neemt daarbij in aanmerking dat de uitlatingen van Van Dijke kenbaar in direct verband stonden met de uiting van zijn geloofsopvatting en als zodanig voor hem van betekenis zijn in het maatschappelijk debat.

Hof en hoge raad komen allebei tot een voor Van Dijke positieve uitspraak. Om beter te kunnen begrijpen waarom beide instanties tot dit oordeel komen en of dit ook terecht is, zal het geldende recht moeten worden onderzocht. Eerst wordt nagegaan welke ruimte het recht op vrije meningsuiting biedt.

3. De vrijheid van meningsuiting

Iedere Nederlander heeft volgens de Grondwet het recht om zijn gedachten of gevoelens te openbaren (art. 7). Niemand heeft daar voorafgaand verlof voor nodig. Wel heeft iedereen bij de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting een verantwoordelijkheid volgens de wet. Dit wil zeggen, dat deze vrijheid beperkt kan worden middels een wet in formele zin, zoals het Wetboek van Strafrecht. Zo kan iemand in zijn uitingsvrijheid worden beperkt als hij zich beledigend uitlaat over bepaalde minderheidsgroeperingen (art. 137c Sr).

Naast de bepaling in onze nationale Grondwet is art. 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM) van belang. Deze internationale bepaling is voor onze rechtsorde zelfs belangrijker dan art. 7 Gw. Een nationale regeling omtrent de vrijheid van meningsuiting kan namelijk niet toegepast worden als deze toepassing onverenigbaar is met hetgeen het EVRM bepaalt.6 Om de discriminerende belediging van art. 137c Sr weer als voorbeeld te nemen: toepassing van deze beperking van de vrijheid van meningsuiting in een concreet geval vindt geen doorgang als deze toepassing strijdig is met art. 10 EVRM. De discriminerende belediging uit het Nederlandse Wetboek van Strafrecht als beperking van de vrijheid van meningsuiting moet voldoen aan dat wat het EVRM bepaalt over de (beperkingen van de) uitingsvrijheid.

De bescherming die het EVRM de vrijheid van meningsuiting biedt, is groot. Onder die vrijheid vallen volgens de uitleg van het Europese Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) ook in het publieke debat gedane uitlatingen die verontrustend, schokkend of grievend zijn.7 Zelfs wanneer een minder kwetsende vorm van uiten mogelijk is, wil dat nog niet zeggen dat de meer kwetsende variant niet onder de werkingssfeer van de bepaling valt. Met name waardeoordelen genieten veel bescherming, aangezien deze niet vatbaar zijn voor bewijs.

Oorzaak van de ruime werkingssfeer van het recht op vrije meningsuiting is de grote waarde die het EHRM hecht aan een open discussie. Voor een goede ontwikkeling van de publieke meningsvorming is het recht je mening te uiten onmisbaar. Het Hof noemt dit mensenrecht daarom een van de essentiële fundamenten van een democratische samenleving. De vrijheid van meningsuiting is één van de basisvoorwaarden voor de vooruitgang van de democratie en voor ieders persoonlijke ontplooiing.

Noties als pluralisme, openheid en tolerantie behoren volgens het EHRM in een democratische samenleving een prominente rol te spelen. Dit wil niet zeggen dat er geen grenzen aan het recht op vrije meningsuiting zijn. Wil de uitingsvrijheid beperkt worden, dan moet dit noodzakelijk in een democratische samenleving zijn (art. 10 lid 2 EVRM). Wat wordt hiermee bedoeld? Het EHRM geeft een specifieke, normatieve invulling aan het begrip ‘democratie’. Een ware democratie wordt volgens het EHRM gekenmerkt door verdraagzaamheid en verscheidenheid. De norm is een open samenleving waarin een stevig publiek debat kan plaatsvinden. Er moet een sfeer heersen waarin minderheden hun afwijkende opvattingen kunnen uiten, ook als deze de meerderheid misschien niet al te plezierig in de oren klinken. Van het beperken van de vrijheid van meningsuiting kan in een democratische samenleving zoals het EHRM die voor ogen heeft dan ook niet snel sprake zijn. Daarvoor moet sprake zijn van een dringende maatschappelijke behoefte.

De vrijheid van meningsuiting stuit op haar grenzen als er sprake is van opruiing, belediging, godslastering of obscene publicaties. Al in de jaren ’50 werd overwogen dat de uitingsvrijheid in een democratische samenleving onderworpen is aan regelingen die dergelijke uitingen tegengaan (ECRM 9-6-1959, 214/56). Als de uitingsvrijheid wordt beperkt, gebeurt dit meestal met het oog op de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Onder die rechten van anderen valt onder meer de bescherming van groepen (zoals gelovigen, etnische groeperingen, homoseksuelen) tegen belediging. Als dergelijke minderheidsgroeperingen worden beledigd, spreken we van discriminerende belediging.

4. De discriminerende belediging

Er moet aan een aantal eisen voldaan zijn wil er sprake zijn van een strafbare discriminerende belediging: iemand moet in zijn menselijke waardigheid zijn aangetast (4.1) en er moet opzettelijk zijn gehandeld (4.2). Bovendien moet één van de in de wet genoemde gronden in het geding zijn. In de zaak-van Dijke is dat de homoseksuele gerichtheid (4.3).

4.1 Aantasting van de menselijke waardigheid

Discriminatie kan op vele manieren gebeuren, onder meer door het doen van bepaalde uitlatingen. Racisme is wel het bekendste voorbeeld van een discriminerende meningsuiting. Iemand minderwaardig verklaren omdat hij of zij van een bepaald ras is, valt niet goed te keuren. Ons recht noemt naast ‘ras’ nog andere gronden op basis waarvan niet verbaal, schriftelijk of in beeld gediscrimineerd mag worden. Art. 137c Sr stelt strafbaar het zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging, of hun seksuele gerichtheid. Ook het verspreiden van publicaties met een dergelijke inhoud is verboden (art. 137e), alsmede het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (art. 137d). Deze bepalingen zijn uitwerkingen van het algemene discriminatieverbod, zoals geformuleerd in art. 1 van de Grondwet.

Wanneer is nu een discriminerende meningsuiting strafbaar? De Nederlandse regering heeft daarover het volgende opgemerkt: “Kritiek op opvattingen of gedragingen – in welke vorm ook – valt buiten het bereik van de strafbepaling” (TK 1969/1970, 9724, 6, 4). En: “Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen, die in de groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep horen, blijft buiten het bereik van de strafwet” (Hand. EK 1970/1971, 555). Er moet sprake zijn van krenking op punten waarop niet meer kan worden geargumenteerd en van aantasting van voor het menselijk bestaan fundamentele waarden (TK 1969/1970, 9724, 6, 4).

Het gaat erom dat de menselijke waardigheid van de medemens niet wordt aangetast. Pas als iemands menszijn op het spel staat, wordt een discriminerende meningsuiting strafbaar. Uitlatingen met betrekking tot overtuigingen en handelwijzen kunnen wel door de beugel van het strafrecht. Het kan gebeuren dat iemand gekwetst is door een negatief geladen opmerking over zijn gedrag of opvattingen, maar dit maakt de uitlating nog niet strafbaar.

Men kan zich afvragen of er ruimte moet worden toegestaan aan kwetsende uitlatingen. Is het niet veel beter als mensen zich een beetje inhouden en op hun woorden letten? Men moet toch rekening houden met (de gevoelens van) de ander in de samenleving? Is het mogelijk om eventuele scherpe kritiek op de medemens in vriendelijke bewoordingen te uiten? Met andere woorden, is het niet mogelijk om de (onnodig) kwetsende vorm van een uitlating te scheiden van de inhoud ervan?

Toepassing van een dergelijk onderscheid betekent dat alle meningen (inhouden) naar voren gebracht moeten kunnen worden, maar dat de wijze (de vorm) waarop dit gebeurt, niet aanstootgevend mag zijn. De kritiek moet op een fatsoenlijke manier gegeven worden. De vraag is echter of dit mogelijk is. Volgens de Amsterdamse rechtsfilosoof Rosier zal een qua inhoud beledigende gedachte reeds bij een op zichzelf niet zeer felle uiting van gevoel ook de vorm beledigend maken: “Onwelkome inhouden, dat wil zeggen: onpopulaire opvattingen over onpopulaire minderheden, zullen dan ook altijd eenvoudig bestreden kunnen worden onder het mom van het tegengaan van onnodig grievende vormen.”(2000: 8) Want hoe wordt bepaald wat een onnodig grievende vorm is? De verschillende partijen zullen daarover van mening verschillen. Wat de een onnodig grievend vindt, zal de ander als betamelijke kritiek kunnen opvatten. Een goed criterium is moeilijk te vinden, als het al te vinden is. De strafbaarheid van een uitlating kan daarom maar beter niet afhankelijk worden gemaakt van haar toon en stijl. Scherpe bewoordingen hebben soms een onontbeerlijke functie om bepaalde zaken overtuigend af te keuren.

Een duidelijk voorbeeld van deze samenhang van vorm en inhoud biedt de zaak-Simonis (hof Amsterdam 10-12-1987, NJCM-bulletin 1989, 305). Simonis had in een interview homoseksualiteit als afwijking van de natuurlijke scheppingsorde gekenschetst. De rechter vond de gedane uitlatingen echter niet onrechtmatig. Hij overwoog dat het een gevoelig onderwerp is, waardoor mensen snel gekwetst zullen zijn. De kardinaal had echter geen nodeloos grievende bewoordingen gebruikt. Problematisch was wel dat Simonis een relatie had gelegd tussen homofiele gedragingen en het werk van de duivel. Is dat nodeloos kwetsend of niet? Rosier: “Omdat in het dagelijks taalgebruik de hoedanigheid duivels alleen gebruikt wordt bij de meest ernstige gedragingen, kan men inderdaad geneigd zijn te stellen dat door het leggen van die relatie op onnodig grievende wijze uitdrukking wordt gegeven aan de overtuiging dat homoseksuele gedragingen ongeoorloofd zijn.”(1997: 122) Maar daarmee wordt nu juist het punt waar het om gaat door de rechter genegeerd: de orthodox christelijke leer komt inhoudelijk neer op de overtuiging dat homoseksuele handelingen tot bijzondere kwalijke gedragingen behoren. De relatie die met de duivel gelegd wordt, is de uitdrukking van een bepaalde inhoud en niet louter een (aan de inhoud toegevoegde) vorm.

Het lijkt gezien het bovenstaande niet verstandig om houvast te zoeken in het onderscheid tussen vorm en inhoud. Daar komt nog bij, dat gevoelens van gekwetstheid erg persoonlijk zijn. Het subjectieve element van de gekwetste zou een belangrijke rol gaan spelen bij de strafbaarstelling, wat schadelijk is voor de rechtszekerheid. Het zou een hachelijke zaak worden als de rechter de psyche van het slachtoffer zou moeten gaan beoordelen. Tenslotte zij opgemerkt dat de benadering van het EHRM ook geen steun biedt voor het onderscheiden tussen de (onnodig) grievende vorm en de inhoud van een uitlating.

Kortom, het criterium voor strafbaarheid van een discriminerende belediging dient te liggen bij de aantasting van de menselijke waardigheid. Daarvan is in ieder geval sprake wanneer bedreigingen, oproepen tot agressie of aanzetten tot haat, discriminatie of geweld in het spel zijn.

4.2 Opzet en context van de uitlating

Wil een beledigende uitlating strafbaar zijn dan is opzet vereist. Aangezien het echter lastig is om te bewijzen dat iemand de bedoeling had te beledigen, heeft de rechter als eis gesteld dat de verdachte het beledigende karakter van zijn uitlatingen redelijkerwijs had moeten begrijpen. Het maakt dus niet uit of de belediging beoogd was. Het gaat erom dat degene die de uitlating deed, wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat die uitlating voor anderen beledigend kon zijn (HR 16-6- 1953, NJ 1953, 618).

Bij het beoordelen of er al dan niet opzettelijk beledigd is, moet gekeken worden naar het gehele betoog. Uit de strekking daarvan kan blijken waar de intentie op gericht was. Illustratief hiervoor is het oordeel van het hof Arnhem in de zaak- De Bazuin (hof Arnhem 12-12-1984, NJ 1987, 534). In het Rooms-katholieke blad De Bazuin stond een kritisch artikel over de Joodse godsdienst geschreven met onder meer de volgende uitspraak: “Zulk een ‘religie’ verdient afgeschaft te worden”. Het hof vond de passage wel beledigend, maar van opzet was geen sprake. Er werd vanuit een eigen geloofsopvatting kritiek geleverd op een andere religie. Dat was de strekking, de intentie. Een ander voorbeeld biedt de zaak-Holman, waarin een Parool-columnist schreef dat hij iedere christenhond nog steeds een misdadiger vindt (hof Amsterdam 20-2-1996, Mediaforum 1996-4, p. B57). De rechter kwam tot vrijspraak, omdat er geen opzet tot beledigen aanwezig was, gezien de kennelijke strekking van het artikel om waarheidsmonopolies te relativeren.

Al met al speelt bij de beoordeling van de strafbaarheid de context van de uitlating een belangrijke rol. Na bestudering van de specifieke omstandigheden van een geval kan worden beoordeeld of iemand in zijn of haar menselijke waardigheid is aangetast.

4.3 Discriminerende belediging van homoseksuelen

Het bijzondere van art. 137c Sr is dat het betrekking heeft op het beledigen van groepen mensen. In de bepaling wordt een aantal gronden limitatief opgesomd. In het kader van de zaak-Van Dijke is de grond ‘de homoseksuele gerichtheid’ van belang.

Over de term gerichtheid is een hoop te doen geweest ten tijde van de behandeling van de wetswijziging. In eerst instantie werd het woord ‘geaardheid’ voorgesteld. Uiteindelijk werd toch voor de term ‘gerichtheid’ gekozen, omdat het zou gaan om bescherming van de manier waarop de geaardheid zich uit. Gerichtheid doelt dus op de praktijk van het seksuele leven.8 De kleine christelijke fracties verzetten zich fel tegen deze wetswijziging. Een gevolg daarvan zou namelijk kunnen zijn dat het verkondigen van de leer inzake de zondigheid van de homoseksuele praxis uiterst problematisch werd. Immers, zou het in het openbaar uitdragen van de opvatting dat homoseksualiteit zondig en onnatuurlijk is niet neerkomen op het zich beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun seksuele gerichtheid? De zaak-Van Dijke leert dat rechters daar niet vanzelfsprekend dezelfde mening over hebben.

5. Opnieuw de zaak-Van Dijke

5.1 Geen aantasting van de menselijke waardigheid en geen opzet

De wetgever pleitte in 1971 voor een terughoudende toepassing van art. 137c Sr. Alle, zelfs felle kritiek op opvattingen en gedragingen zou mogelijk blijven. Er zou alleen sprake zijn van een strafbare belediging als de menselijke waardigheid op het spel staat. Deed Van Dijke een uitlating waarin de menselijke waardigheid wordt ontkend? Deze vraag kan in het spoor van de rechter ontkennend worden beantwoord. Van Dijke bekritiseerde namelijk slechts gedrag. Het ging hem om praktiserend homoseksuelen. Hij trok geen conclusies ten aanzien van mensen en verklaarde niemand minderwaardig.

Dit blijkt uit de context van zijn uitlating. Van Dijke wilde met zijn uitlating duidelijk maken dat praktiserend homoseksuelen even zondig zijn als dieven. Beide groepen overtreden in hun handelen de wet van God, de Tien Geboden. En waar het nu werkelijk om ging in zijn betoog, was er op te wijzen dat zijn geloofsgenoten vaak menen dat het één erger is dan het ander. Dat is echter onjuist, beide zonden wegen even zwaar. Met het oog op dat doel maakte Van Dijke de vergelijking.

De intentie van Van Dijke wordt dus duidelijk uit de context: het gaat om een uiteenzetting van een bepaald onderdeel van zijn geloofsopvatting om zijn geloofsgenoten op een bepaalde misvatting hunnerzijds te wijzen. Van een onnodig grievende vorm is dus geen sprake. Hij heeft die vergelijkende vorm nodig om zijn medechristenen op hun hypocrisie omtrent het onderscheiden en waarderen van verschillende zonden te wijzen. Dat hij wellicht wat ongelukking is met het kiezen van voorbeelden is een ander onderwerp. In ieder geval had Van Dijke niet redelijkerwijs kunnen vermoeden dat zijn uitlating voor anderen beledigend kon zijn. Van opzet is dus gezien de context geen sprake.

Van Dijke deed met zijn uitlating geen oproep tot agressie. Dat was anders geweest wanneer de strekking van zijn uitspraak zou zijn geweest dat homo’s zondig en slecht zijn en daarom vervolgd en opgesloten dienen te worden. Dat zou van een ontoelaatbare intolerantie jegens een minderheidsgroepering in de Nederlandse samenleving hebben getuigd. Had de context een oproep tot agressie of een aanzetten tot discriminatie, haat of geweld te kennen gegeven, dan zou de uitlating wel strafbaar zijn geweest. Het tegengaan van agressie en geweld is juist een van de doelen van art. 137c-e Sr. Het moge echter helder zijn, dat de uitspraak van Van Dijke tot een geheel andere orde behoort. Hij bekritiseerde zijn eigen geloofsgenoten juist. Het viel dan ook niet te verwachten dat christenen na de uitlatingen van deze politieke voorman massaal de straat op zouden gaan om homo’s uit te jouwen of te bedreigen. Van opzet is gezien deze context geen sprake. Van Dijke had redelijkerwijs niet kunnen weten dat zijn uitlating voor anderen beledigend kon zijn.

Het is heel wel mogelijk dat Van Dijke met zijn vergelijking homoseksuele medemensen heeft gekwetst. Als dat zo is, dan is dat te betreuren en in morele zin afkeurenswaardig. Maar dit maakt zijn uitlating juridisch nog niet strafbaar. Krenken of kwetsen impliceert niet een strafbaar beledigen. De hoge raad heeft er daarmee juist aan gedaan het hof te volgen in diens vrijspraak van Van Dijke. Volgens de raad is de uiting van Van Dijke op zichzelf beschouwd kwetsend, maar in casu mist ze het beledigend karakter vanwege de context. Daaruit blijkt immers dat de menselijke waardigheid van praktiserend homoseksuelen door Van Dijke niet wordt aangetast. Het ging namelijk om een uiteenzetting van een geloofsopvatting.

5.2 Bescherming van de vrijheid van meningsuiting

Van Dijke’s uitlating is niet strafbaar omdat ze niet valt onder het beledigingsbegrip van art. 137c Sr. Daarbij komt dat zijn uitlating wordt beschermd door twee fundamentele vrijheidsrechten, te weten de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting.

Wat betreft de uitingsvrijheid kwam al in paragraaf 3 naar voren dat het EHRM daar veel belang aan hecht naar aanleiding van het gewicht van een vrij publiek debat in een democratie. Ook aanstootgevende, schokkende en verontrustende uitlatingen zijn daarom toegestaan.

Van Dijke’s uitlating is duidelijk onderdeel van het publieke debat. De discussie over de positie van de homoseksuele burger in het algemeen - en de vraag of een christelijke instelling op een levensbeschouwelijke grondslag onder omstandigheden een homoseksueel mag weigeren in het bijzonder – vormt al sinds lange tijd een kwestie waarover in het openbaar wordt gediscussieerd. Bovendien is de betreffende uitlating een waardeoordeel, welke in principe vrij is. Morele diskwalificaties houden immers een mening in die per definitie niet voor bewijs vatbaar is. Daarnaast betreft de bescherming van de uitingsvrijheid niet alleen de inhoud maar ook de vorm van de uitlating. Zelfs als de belediging op een stellige en agressieve toon plaatsvindt, dan nog is die niet strafbaar, aldus het EHRM. Kortom, homoseksuelen moeten kunnen zeggen dat ze het niet met de overtuiging van Van Dijke eens zijn en christenen moeten publiek kunnen maken dat ze de praktijken van homoseksuelen veroordelen. En dat hoeft dus niet perse in lieve bewoordingen.

Van Dijke’s uitspraak valt dus onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. De hoge raad ligt op de lijn van het EHRM door te stellen dat de vrijheid van meningsuiting mede bepalend kan zijn voor het al dan niet aannemen van een beledigend karakter van – op zichzelf beschouwd kwetsende of grievende – uitlatingen.

5.3 Bescherming van de vrijheid van godsdienst

Omdat Van Dijke’s uitlating viel in het kader van een uiteenzetting van zijn geloofsopvatting, wordt hij ook beschermd door de vrijheid van godsdienst. Van Dijke beleed immers een bepaald onderdeel van zijn godsdienstige overtuiging. De hoge raad noemt expliciet de godsdienstvrijheid als mede bepalend voor het al dan niet beledigend karakter van de uitlatingen. Daarbij wordt door de hoge raad in aanmerking genomen dat de uitlatingen van Van Dijke kenbaar in direct verband stonden met de uiting van zijn geloofsopvatting en als zodanig voor hem van betekenis waren in het maatschappelijk debat.

Wederom betoont de raad zich een goede leerling van het EHRM. Volgens dat Hof behoort het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst namelijk tot de grondslagen van de democratie. Het pluralisme dat aan democratische samenlevingen inherent is, steunt op deze vrijheden (EHRM 25-5-1993, Series A Vol. 260-A, Kokkinakis).

6. Het bijzondere van godsdienstige discriminerende uitlatingen

Het zal duidelijk zijn dat Van Dijke gezien het geldende recht terecht is vrijgesproken. Niet helemaal helder is wellicht nog hoe de verhouding is tussen de uitingsvrijheid en de godsdienstvrijheid. Volgens sommigen had de rechter de godsdienstvrijheid er niet bij hoeven halen om Van Dijke vrij te spreken. De vrijheid van meningsuiting biedt voldoende ruimte voor dergelijke uitlatingen (Schuijt 2001:67 en Nieuwenhuis 1999:366-367). Toch kent de rechter de godsdienstvrijheid een grote, mijns inziens zelfs doorslaggevende rol toe bij de beoordeling van de uitlating van Van Dijke.

6.1 Morele oordelen op basis van een godsdienst en losse waardeoordelen

Het bijzondere van de aanpak van de rechter in de zaak-Van Dijke is dat niet het object (de ontvanger) centraal staat, maar degene die de uitlating deed (de afzender). De gelovige (in casu Van Dijke) krijgt primair de aandacht, terwijl de gekwetste personen meer op de achtergrond staan. De hoge raad vindt namelijk belangrijk of de uitlatingen in direct verband staan met de uiting van de geloofsopvatting van degene die de uitlating deed en of ze als zodanig voor hem van belang zijn in het maatschappelijk debat. Is dat het geval, dan gaat de godsdienstvrijheid een rol spelen en ontneemt die de – op zich grievende – uitlatingen het beledigende karakter. Degenen die zich getroffen weten of voelen, verdwijnen zo uit beeld ten gunste van de afzender en zijn intentie. Het was immers voor hem, die een godsdienstige opvatting etaleerde, van betekenis.

Over deze door de hoge raad gehanteerde benadering wordt (en werd) verschillend gedacht. Volgens Schepper (1936) verdient de godsdienstige meningsuiting een bijzondere bescherming. Naar zijn mening pretendeert het godsdienstig getuigenis niet te zijn de afkeuring van een menselijk oordeel over mensen, maar de kenbaarmaking van het oordeel van God. Gedrag wordt afgekeurd omdat het strijdig is met beginselen en maatstaven die van Godswege geopenbaard zijn en daarmee voor alle mensen bindend.

Niet iedereen is het er mee eens dat uitlatingen die gedaan zijn in het kader van een een godsdienstige uiting meer juridische bescherming verdienen. Volgens Rosier (1997: 127) heeft een godsdienstig getuigenis geen meerwaarde, aangezien het niet zo is dat – gemeten naar aardse maatstaven – religieuze motieven altijd onschuldig zijn. Er zijn gelovigen die belang stellen in de menselijke waardigheid, maar er zijn er ook die vinden dat je degenen die niet geloven moet doden. Geloofsverkondigingen hoeven dus niet op meer bescherming te rekenen, aldus Rosier.

Wat hiervan te vinden? Twee dingen dienen uit elkaar gehouden te worden. Ten eerste de rol die de rechter feitelijk toekent aan de godsdienstvrijheid in de zaak- Van Dijke. Ten tweede de vraag naar de rol die de godsdienstvrijheid daarin zou moeten spelen.

Wat betreft het eerste: de hoge raad kent veel betekenis toe aan de godsdienstige context waarbinnen Van Dijke zijn uitlating deed. Die specifieke context ontnam de uitlating zijn strafbaarheid. Als de uitlating niet gedaan zou zijn in het kader van een uiteenzetting van een geloofsopvatting zou er wel sprake zijn geweest van een strafbare belediging. De godsdienstvrijheid is hier dus onmisbaar. Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat Van Dijke zou zijn vrijgesproken wanneer hij daarna alleen had gezegd: “Zo denk ik er nu eenmaal over”.

De tweede vraag gaat over de behoefte aan een onderscheid tussen enerzijds morele oordelen gebaseerd op een godsdienst en anderzijds persoonsgebonden, ‘losse’ waardeoordelen. Wat maakt het uit of een veroordeling wel of niet in een godsdienst (of levensovertuiging) is ingebed? Heeft een in hoge mate geseculariseerde samenleving iets aan een dergelijk onderscheid?

Kenmerkend voor een godsdienstige uiting is dat deze voortkomt uit een meeromvattende geloofsovertuiging. Deze overtuiging geeft richting aan de meningsvorming omtrent de meest wezenlijke onderwerpen van het bestaan en heeft als zodanig een fundamenteel karakter. Oorsprong, zin en doel van het leven zijn in het geding. Iemands hele handel en wandel, inclusief morele opvattingen, wordt uiteindelijk bepaald door zijn religie. Morele oordelen zijn gebaseerd op een min of meer geordend systeem van waarden, normen en verplichtingen die het leven van de betrokkene bepalen. Iemands identiteit staat op het spel.

Anders ligt het bij iemand die slechts losse waardeoordelen uit. Voor hem is de (veroordelende) uitlating niet ingebed in een meer algemeen normenstelsel. Als hij zegt “homoseksuelen zijn even fout bezig als dieven”, zal het motief verschillen van die van bijvoorbeeld een moslim of christen. Het overtuigen van iemand van het goede zal hier geen rol spelen. Het gaat immers om losse, dat wil zeggen persoonsafhankelijke waardeoordelen. Van dergelijke oordelen hoef je de ander niet te overtuigen, juist omdat ze persoonlijk zijn. Het is waarschijnlijk dat de rechter bij een dergelijke context eerder tot een veroordeling van een discriminerende meningsuiting komt dan bij een vergelijkbare uitlating op basis van een religie. De zaak-El Moumni steunt dit vermoeden.

6.2 De zaak-El Moumni

De zaak-El Moumni lijkt erg op die van Van Dijke. De rechters volgen dan ook de lijn van dat arrest. Het godsdienstig karakter van de uitlating wordt wederom van groot belang geacht. Dat gaat nu zelfs zover, dat de rechters de uitingsvrijheid niet eens meer noemen. De godsdiensvrijheid bood de imam genoeg bescherming zijn controversiële uitlatingen te doen.

Wat was het geval? Imam El Moumni had in het TV-programma Nova (3 mei 2001) uitlatingen gedaan die erop neerkwamen dat homoseksualiteit (1) schadelijk is voor de Nederlandse samenleving en (2) een besmettelijke ziekte is. Volgens de rechtbank (rechtbank Rotterdam 8-4-2002, NJCM-bulletin 2002:1012-1019) zijn deze uitspraken op zichzelf genomen zodanig kwetsend voor personen met een homoseksuele gerichtheid dat ze binnen het bereik van art. 137c Sr vallen. Het beledigende karakter kan evenwel aan de in beginsel beledigende uitlatingen komen te ontvallen, wanneer die uitlatingen een godsdienstige overtuiging direct uitdrukken (de rechtbank verwijst hierbij naar het arrest-Van Dijke).

Bescherming tegen een strafrechtelijke procedure kan derhalve worden ontleend aan het eveneens in de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van godsdienst en godsdienstbeleving (art. 6 Gw). De rechtbank vervolgt: “Met de getuigedeskundige (…) is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn uitlatingen kon baseren op teksten van de koran en op uitspraken van de profeet, d.w.z. op fundamentele geschriften, waaraan verdachte zijn godsdienstige overtuiging (mede) ontleent. Hierbij heeft de rechtbank met betrekking tot de vertaling in het Nederlands van het woord marat (…) onderschreven (…) dat een juistere vertaling is afwijking of opvoedingsziekte (in plaats van ziekte). Verdachte kan zich er dus met vrucht op beroepen dat het hem is toegestaan, op grond van het in art. 6 van de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van godsdienst, de gewraakte uitlatingen te doen. Derhalve kunnen die uitlatingen niet worden aangemerkt als beledigend in de zin van art. 137c van het Wetboek van Strafrecht.”

De uitlatingen vallen ook niet onder art. 137d Sr. De imam heeft niet aangezet tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden tegen mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid. Uit de context – het gehele interview – komt namelijk naar voren dat El Moumni als zijn standpunt heeft aangegeven dat de islam het lastig vallen van ieder persoon, ongeacht diens omstandigheden, verbiedt. Aldus komt de rechtbank tot een vrijspraak van de imam. De (fundamentele) rechten van anderen – zoals het recht om niet gediscrimineerd te worden – zijn niet geschonden.

Het hof bevestigt de vrijspraak van de imam (hof Den Haag 18-11-2002, rolnr. 2200359302). Het benadrukt dat de uitlatingen in samenhang met de overige inhoud van het interview moeten worden bezien. Strekking en context van het interview laten zien dat de uitgezonden fragmenten dienden ter aanduiding van de in de islam verankerde geloofsopvatting over homoseksualiteit. Daarmee werd de uitlating het mogelijk beledigende karakter ontnomen. El Moumni benaderde met zijn uitspraken homoseksualiteit vanuit het traditionele standpunt van de islamitische wet. Gezien de godsdienstvrijheid stond het hem vrij zijn op zijn geloofsovertuiging stoelende opvattingen omtrent homoseksualiteit uit te dragen. De wijze waarop hij dat deed viel binnen de grenzen van het aanvaardbare.

7. Tolerantie ten opzichte van godsdienstige uitlatingen

De vrijheid van meningsuiting mag van het EHRM niet snel beperkt worden in een democratische samenleving. Verscheidenheid en verdraagzaamheid zijn namelijk fundamentele kenmerken van iedere ware democratie. Voor een open debat moet veel ruimte zijn.

In Nederland lijkt men soms echter moeite te hebben met het waarderen van tolerantie en pluralisme. De besproken zaken laten zien hoe onwelkome, van de heersende liberale ideologie afwijkende uitlatingen worden bestreden door ze als intolerant aan te duiden. Door zo het tolerantiebegrip te hanteren wordt het censureren van opvattingen die niet overeenkomen met de eigen ideeën gelegitimeerd. Als op dergelijke wijze met alternatieve denkbeelden en overtuigingen – zoals die van bepaalde religieuze minderheidsgroeperingen –om wordt gegaan, dan blijft er weinig van de waarde van verscheidenheid over.

Voor het bestaan van werkelijke verscheidenheid in de samenleving dient het tolerantiebegrip op een andere manier gehanteerd te worden. Tolerantie wil namelijk niet zeggen dat je het met iemand eens bent. Integendeel. Tolereren duidt erop dat je iets moet verdragen, verduren, uithouden. Het gevoel van bezwaar is een wezenlijk onderdeel van verdraagzaamheid (Kinneging 2001:169). Tolerantie bestaat niet zonder knarsentanden (Cliteur 2001:112). Een verdraagzaam mens accepteert vrijwillig en bewust dat een door hem verafschuwde opvatting of gedraging kan bestaan. Hij verduurt het als anderen zijn eigen opvattingen en gedragingen bekritiseren. Zolang hij niet in zijn menszijn wordt aangetast, zal hij niet naar de rechter stappen om dergelijke uitlatingen juridisch te laten veroordelen.

Niet langer kan nu worden volgehouden dat mensen als Van Dijke en El Moumni intolerant zijn. Zij keurden bepaalde (homoseksuele) gedragingen af, maar probeerden hun afwijzing niet om te zetten in een strafvervolging. Beiden zijn dus bij uitstek tolerant: ze staan datgene toe te gebeuren, wat ze feitelijk afkeuren. Diegenen daarentegen die de uitlatingen van beide orthodoxe gelovigen juridisch wilden bestrijden handelden wel intolerant. Zij stapten naar de rechter om hen niet welgezinde opmerkingen te laten verbieden. Zij wilden het juridisch laten beletten een afwijkend standpunt ten aanzien van homoseksualiteit naar voren te kunnen brengen.

Hoe is het mogelijk dat een afkeuring van iets als de homoseksuele praxis zoveel verontwaardigde reacties oproept? Waarschijnlijk heeft dat te maken met het huidige geestelijke klimaat waarin verdraagzaamheid hand in hand gaat met een sfeer van politieke correctheid. We leven in een situatie waarin ieder de waarde en waarheid van de ander een zelfde respect dient toe te dragen. Er is niet meer een absolute waarheid. Ieder individu moet voor zichzelf uitmaken wat goed is. Medemensen hebben daar niets over te vertellen. Mensen hebben niet meer het recht om morele oordelen over elkaar uit te spreken.

Met een dergelijk klimaat hebben orthodoxe gelovigen moeite. Zij pretenderen een waarheid in pacht te hebben die voor iedereen geldt. Zij zeggen de enige juiste levensbeschouwing aan te hangen. Volgens hen is het heel goed mogelijk en zelfs nodig morele oordelen uit te spreken tegen hun naaste.

Dit strijdt inderdaad met de idee van de gelijkwaardigheid van verschillende waarheden. Het lijkt bovendien op het eerste gezicht nog een stuk onsympathieker ook. Er is een waarheid die iedereen moet aanhangen. Maar hoe vriendelijk de heersende idee dat iedere levensovertuiging evenveel waard is ook mag zijn, onschuldig is ze allerminst. Bij nader inzien blijkt ze namelijk een dwingende norm in zich te hebben. Een norm waar ook degenen die het daar niet mee eens zijn zich aan moeten houden. Ook orthodoxe gelovigen worden op een subtiele manier gedwongen alle levensbeschouwingen hetzelfde respect toe te dragen. Ook minderheden die uitgaan van het bestaan van één voor iedereen geldende waarheid dienen het naast elkaar bestaan van verschillende levensbeschouwingen te accepteren en te respecteren. Het is evenwel nogal problematisch om alle waarheden hetzelfde respect toe te dragen wanneer je zelf in het bestaan van een enkele waarheid gelooft. Dit blijkt in zaken als die van Van Dijke en El Moumni.

8. Slot

Het is niet vanzelfsprekend dat religieuze minderheden tolerant worden bejegend. De houding van de meerderheid is niet beheersbaar. Het is daarom goed dat minderheden door het recht tegen de macht worden beschermd. Recente rechterlijke uitspraken in Nederland getuigen van een voldoende mate van verdraagzaamheid ten opzichte van godsdienstige uitlatingen. De rechter beschouwt de godsdienstige belijdenis als een uitingsvorm die een bijzondere, zij het niet onbeperkte, bescherming verdient.

Het recht garandeert genoeg ruimte aan de vrijheid de godsdienstige overtuiging te uiten. Dit betekent niet dat er nu achterover geleund kan worden. Een wakkere houding ten opzichte van de uitingsvrijheid en de godsdienstvrijheid blijft nodig. Het geldingsbereik van de verschillende grondrechten wordt immers in belangrijke mate bepaald door het in de samenleving toonaangevende godsdienstig- zedelijke beoordelingspatroon. Omdat dit laatste aan blijvende verandering onderhevig is, zullen de posities van deze vrijheidsrechten blijvend bewaakt moeten worden.

Noten

1 Dit artikel is gebaseerd op de scriptie ‘Tolerantie ten opzichte van godsdienstige uitlatingen. Over de uitingsvrijheid, de godsdienstvrijheid en de discriminerende belediging naar aanleiding van de zaak-Van Dijke.’ (Erasmus Universiteit Rotterdam) waarmee de auteur de Radix scriptieprijs 2002 heeft gewonnen.

2 Rechtbank Den Haag 6-10-1998, AB 1999, 150.

3 Aldus B.P. Vermeulen in zijn noot bij het betreffende vonnis (AB 1999, 150).

4 Hof Den Haag 9-6-1999, AB 1999, 328

5 HR 9-1-2001, NJ 2001, 204

6 De Nederlandse rechter, die wetten niet mag toetsen aan de Grondwet (art. 120), moet deze van diezelfde Grondwet wel toetsen aan eenieder verbindende bepalingen van verdragen (art. 93). Art. 10 EVRM is, evenals veel andere mensenrechtenbepalingen in het EVRM, ‘eenieder verbindend’. Dit houdt in dat iedere burger zich er voor de rechter op kan beroepen. Die rechter maakt dan vervolgens uit of bepaalde binnen Nederland geldende wettelijke voorschriften wel of geen toepassing vinden. Een nationale regeling vindt geen toepassing, als die toepassing onverenigbaar is met rechtstreeks werkende internationale bepalingen (art. 94 Gw). Een toepassing van een nationale regeling omtrent de vrijheid van meningsuiting kan onverenigbaar zijn met art. 10 EVRM. In dat geval zet art. 10 EVRM het nationale recht opzij.

7 In de zaken Handyside (EHRM 7-12-1976, NJ 1978, 236) en Sunday Times (EHRM 26-4-1979, NJ 1980, 146) zijn de uitgangspunten voor de uitingsvrijheid door het EHRM geformuleerd. Zie verder onder meer het recentere De Haes en Gijsels (EHRM 24-2-1997. NJ 1998, 360).

8 Overigens beperkt de bescherming van de seksuele gerichtheid zich in deze (voorlopig) tot homoseksuelen en heteroseksuelen. Transseksuelen (hof Leeuwarden 13-1-1995, NJ 1995, 243) en pedoseksuelen vallen er bijvoorbeeld buiten (TK 1987/1988, 20239, 3).

Literatuurlijst

Bijsterveld, S.C. van. 2000. Inleiding hoofdstuk 1, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar. Deventer: Tjeenk Willink.

Cliteur, P.B. 2001. ‘De pervertering van het klassieke tolerantiebegrip: Marcuses legitimatie van censuur op intolerante meningen’, in: M. ten Hooven (red.), De lege tolerantie. Amsterdam: Boom.

Hartogh, G.A. den. 1998. ‘Een martelaarskroontje voor Van Dijke’. Nederlands Juristen Blad: 2017-2020.

Hoeven, J. van der. 1983. Botsing van Grondrechten. Amsterdam: Noord-Hollandse Uitg. Mij.

Janssens, A.L.J. 1998. Strafbare belediging. Amsterdam: Thela Thesis.

Kinneging, A.A.M. ‘De betekenis van tolerantie en pseudo-tolerantie: Een deugd van betrekkelijke waarde’, in: M. ten Hooven (red.), De lege tolerantie. Amsterdam: Boom.

Labuschagne, B.C. 1994. Godsdienstvrijheid en niet-gevestigde religies. Een grondrechtelijk-rechtsfilosofische studie naar de betekenis en grenzen van religieuze tolerantie. Groningen: Wolters- Noordhoff.

Lange, R. de. 1994. Botsing van grondrechten voor de rechter. Nijmegen: Ars Aequi Libri.

Meij, J.M. de; Hins, A.W.;

Nieuwenhuis, A.J.; Schuijt, G.A.I. 2000. Uitingsvrijheid. Amsterdam: Cramwinckel. Nieuwenhuis, A.J. 1997. Over de grens van de uitingsvrijheid. Nijmegen: Ars Aequi Libri.

Rosier, T.E. 1997. Vrijheid van meningsuiting en discriminatie in Nederland en Amerika. Nijmegen: Ars Aequi Libri.

Rosier, T.E. 2000. ‘Tolerantie en religie. Over de zaak Van Dijke en de visie van het EHRM inzake godslastering’. RM Themis: 3-14.

Rozemond, K. 1999. ‘Van Dijke moet kunnen zeggen wat hij gelooft’. Rechtsfilosofie & Rechtstheorie: 3-7.

Schuijt, G.A.I. 2001. Mediaforum: 63-67.

Schepper, J.M.J. 1936. ‘Het gevaar voor de vrijheid van godsdienstige belijdenis te duchten van het in art. 156 N.I.Sw omschreven ‘haatzaai’-delict’. Nederlands Juristen Blad: 361- 369 en 409-420.

Vermeulen, B.P. 1989. ‘De Goerees en de kardinaal, ofwel: vrijheid van godsdienst versus discriminatieverbod’. In: Heyde, L. e.a. (red.). Begrensde vrijheid. Zwolle: Tjeenk Willink, 258-278.

Vermeulen, B.P. 1992. ‘Wie bepaalt de reikwijdte van de grondrechten?’. Rechtsfilosofie en rechtstheorie: 16-46.

Vermeulen, B.P. 2000. ‘Artikel 6’. In: Koekkoek, A.K. (red.). De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar. Deventer: Tjeenk Willink.

Vermeulen, B.P. 2000. ‘Artikel 7’. In: Koekkoek, A.K. (red.). De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar. Deventer: Tjeenk Willink.

Winter, R.E. de. 1985. ‘Vrijheid van godsdienst: vrijbrief voor discriminatie?’. In: Staatkundig jaarboek 1985, Nijmegen: Ars Aequi Libri.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2003

Radix | 60 Pagina's

Discriminerende godsdienstige uitlatingen en de Nederlandse rechtsorde

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2003

Radix | 60 Pagina's

PDF Bekijken