Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PERS-SCHOUW

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PERS-SCHOUW

23 minuten leestijd

Het & ë'ï^igenis des Heiligen Geestes.

Zoowel de Theologische School als de Vrije Universiteit hebben in deze weken haar jaarvergaderingen. Wij geven niet als andere Maden .uitgebreide verslagen, van wat. daar. gesproken en besloten w.ordt, maar kiezen er bet een en ander S05 uit, wat''^wij"''lgicta'riie''-onder de aandacht van de lezers brengen.

Op den Theologiscben Schooldag behandelde Ds van Dijk van Groningen het Getuigenis des Heiligen Geestes (TestimO'^ium S.piritus Sandti) en dan niet het Algemeene Geestesgetuigenis (Testimonium Spiritus Sancti Generale), maar het Bijzondere (speciale) en nog meer gepreciseerd niet het uitwendige (externum), maar het inwendige (internum). Hiermee heb ik dan meteen de voornaamste Latijnscbe woorden vertaald.

Van te voren had „De Bazuin" de volgende stellingen gepiubliceerd:

I. Wanneer wij gaan spreken over het Testimoniium Spiritus Sancti, dian hebben wij daarbij op het oog niet het TestimO'nium Spiritus Sancti generale, doch het Testimonium Spiritus. Sancti speciale, en dan niet het Ttest. S. S. speciale externum doch het T. S. S. internU'm.

II. Onder dit T. S. S. speciale internum hebben - wij te verstaian die werking des Heiligen Geestes in den mensch, waardoor de, ze het vermogen, den izin ontvangt om de Heilige Schrift onmiddellijk te herkennen als het Woord van Giod en dus als 'de Waarheid.

III. Aangezien dit T'. S. S. niet te scheiden is van, miaar feitelijk één is met de wedergeboorte, : zoo volgt hieruit, dat de 'uitwerking van het T. S. S. in den mensch niet slechts deze is, dat hij de Heilige Schrift als'Gods Woord herkent, maaï ook dit, dat de mensch door dit T'estimonium er toe gebracht wordt, , zich voor dat Woord te b'uigen, op dat Woord te vertrou, wen, aich door dat Woord te laten verbrijzelen en vertroosten.

IV. Uit het voorgaande volgt vanzelf dat het T. 'S. S. niet geeft een nieuwe openbaring naast of boven de Heilige Schrift, noch ook herhaalt wat reeds in de Heilige Schrift is gezegd.

Het T. S. S. is een formeele werldng des Geestes, maar heeft gpen miaterieelen inhoud.

V. Ofschoon de laatste stelling onder ons wel algemeene instemming iz, al vinden, zoo worden er toch telkens uitdruklangen gebezigd, die den indruk vestigen .als aoü men wel eenigen materieelen inhoud aan 'dit gettógenis toesichrijven.

VI. O'm dit laa, tste te voorkomen verdiende het misschien aanbeveling om de bedoelde werking des Geestes niet te noemen Testimonium, of Getuigenis, maar liever Illuminatie of Verlichting; .

Een „Getuigenis" toch laat zich niet denken izonder bepaalden inhoud, ter „verlichting", hetwelk inderdaad een zluivere formeele werking is.

VII. Dit-T. S. S. nu heeft betrekldng op heel de Heilige Schrift. Het leert .ons niet slechts een stuk van den Bijbel, maar heel den Bijbel zien als het Woord van God, de Waarheid.

VIII. Dat nu echter niet alle deelen der Schrift dioior den mensch, die het Testimonium S. S. bezit, even spoedig als. Gods Woord herkend worden, 'dit vindt izijn oonzaak hierin dat:

a. Het licht der Waarheid Gods in elk Sohrift-• gedeelte niet even duidelijk straalt, en h. De mensch, die doior de werking; des Heiligen Geestes den izin ontving om Gods Woord als zoodanig te herkennen, van dat vermiOgen niet altj'd een even ijverig; gebruik maakt.

IX. Dit laatste dringe elk kind van God om izich met al den ernst en al de kracht van zijn herboren hart te wijden aan het onderzoek der Heilige Schrift; dan , z; al het allengs Gods licht zien, Gods stem hooren, ook daai-waar het vrO'eger niets vond dan woorden, als in elk ander geschrift.

X. Deze beschouwing van het T. S. S. is van izeer 'grioiote beteekenis. In de eerste plaats wordt het bij een derg; elijke beschouwing ten eenenmale ommiogelijk .om in dit Testimonium te zien de ^, groind des geloofs",

en in de tweede plaats staan wij met deze beschouwing van het t'. S. S. alleen sterk tegen allerlei valsche (al is het ook goed bedoelde) mystiek, waartegen wij ook in onze kringen telkens nog te worstelen hebben.

Aa'nigaande referaat en debat kunnen we uit „De Wachter" en , , Dé Standaard" hét volgende médedeelen:

Wanneer wij hier spreken van. het Testimonium Spiritus Sancti, dan hebben w-ij daarbij niet het oog op het-Testimonium Generale, waai'aan voor eenigie jaren Dr Hepp' aijn dissertatie heeft gewijd, mjaiar dan denken wij daarbij aan het Testimonium Spiritus Sancti Speoiiale; en dan niet het T. .S. S. speciale gelijk dat in de H. S. tot ons. bomt, - maar g; elijk het - werkt in ons hart. 'Het • T. S. S. alizoo' waiaMaan wij gewoonlijk bij het noemen van diat woord denken.

'Onder dit Ttestimoninm Spiritus Sancti hebben - wij te-verstaan die werking des. Heiligen - Geestes in den izondaar, •waardoor deze het vermogten, den zin ontvan]gt om de Heilige Schrift onmiddellijk te herkennen lalshet Woord van 'God en dus als de Waarheid;

terwijl het '.tevens den mensch zoo bewerkt dat hij .geneigd - wordt dat Woord, als het Woord van God te aanviaiarden en er zich onder te huigen, om--tenslotte den measch er-toe. te breng; en naar dat Woord, als het - Woord van God, zijn gansche leven in te richten.

In den. Bijbel, de H. S. hebben - wij het Woord van .God. Zoo dient die Bijbel zelf zich aan, izoo .'Is het door de kerk aller eeuwen beleden, izoo . beaamt het elk kiu'd van God. Dat is een heerlijke gedachte.

'iMaar hoe krijgen wij nu (Jienaangaande zekerheid, .zekerheid dat dit werkelijk zoo is?

De een-ige weg, die tot Werkelijke zekerheid kan leiden is die van onmiddellijke eviöentie. Alleen van die waarheden ben ik : |aibsoluut zeker, ., die 'zich onmiddellijk als zoodanigf aajn mij voordoen. Zoo is het oO'k met de waarheid, dat de' Bijbel

Gods WSofcTIs. iïeeft au echter 'de mbilscli v'an nature het vermoren waardoor die Bijbel zich onmiddellijk als Gods Woord aaji. hem kaa voordoen?

Do practijfc leert van niet.

Dat vermogen moet heA gegeven worden door God en wel mser bepaald donr do werking des Geestes (1 Cor. 2:14, 1 Oor. 12:3). Welnu dat doet de Geest ook bij de uitverliorenen ' (1 Joh. 2:20; 1 .loh. '2:27; '1 Joh'. 5:6).

Deze werking des Geestes nu noemen wij het Testimonium Spiritus Sancti.

Dit ï. S. S. lis 'dus een verlichting van "het verstand, maar het is toch' ook meer dam dat. Stel, dat de Heilige Geest iilleen des menschen verstand - verlichtte om fden mensch in staat te stellen Gods Woord als zoodanig te herkennen; ' ^vat zou dat nog baten. Dan zou die menschj toch nog (wijl 'zijn wil een verdorv^en wil js) zeggen: \Gij liegt; precies zooals de Satan in het Paradijs zeide van thfet Woord, dat hij wist Gods Woord te zijn.

Neon, zal de verlichting des verstands tot het herkennen van het Woord van God den mensch iets baten, dan moet tevens zijn wil worden bewerkt tot 't aanvaarden, het beamen van dat Woord. Welnu dat doet de Geest ook. Hij bewerkt des menschen wil zoo', dat die mensch, als hij een woord als Gods AVoord heeft h'isrkend, daarop terstond amen zegt.

Als Gods Woord zegt: Gij zijt een zondaar, dan zegt hij: D'at is ook.

Als Gods Woord zegt: Diaar is in Christus verlossing, dan zegt de mensch, die h'et Testimonium ontving: Dat is ook zoo.

Als Gods Woord zegt: Gij moet tot dien Christus de toevlucht nemen en op Hem vertrouwen en niet meer vreezen, dan zegt die mensch: Dat is ook ZOO'.

Maar ook dit is nog' niet genoeg.

Bij het aanvaarden van h'et Woord van God als de Waarheid moet vervolgens ook komen het inrichten des levens naar die waarheid.

Welnu, ook dat is ten slotte een doel van het T. S. S. dat (h'et den mensch er toe brengt zijn gansche leven naar dat Woord in te richten. Als Gods Wooi-d tot hem zegt: G^ moot 'ü. vernederen om uwe zonden, dan doet' hij dat ook. Als Gods Woord zegt: Gij moet, de toevlucht nemen tot Christus, dan doet hij dat ook. Als Gods Woord zegt: Vertrouw nu op dien Christus en vrees en twijfel niet meer, dan gehoorzaamt hij ook.

Zoo wordt dus, ^jvijl het T. S. S. ten slotte den mensch er toe dringt om naar de Schrift als }iet Woord van God zijn leven in te richten ook de pei'soonlijke lieilsverzekerdh'eid in het haft geboren, wijl ook de eisch daartoe als een Wojord Gods tot dien mensch komt, en de Heilige Geest hem ook in staat stelt «n er toe dringt zich aan dien eisch te onderwerpen.

Uit het bovenstaande vogt, dat h'et T. S. S. geen nieuwe openbaring geeft, naast of - boven de H. S.; noch ook Ih'erhaalt wat ia de Schrint reeds gezegd was.

Het T. S. 'S. is .een formeele Werking, maar heeft geen materiëelen ini'oud.

Ofschoon dit laatste feitelijk niet nog eens behoefde gezegd te worden, doen we het toch nog eens om het belang der zaak.

'Gods Woord is volkomen, daar behoeft liiets aan toegevoegd te worden. Ook behoeft niets te worden herhaald, wat Gods Woord reeds zeide. Diat zou overtolligheid zijn.

Bovendien zou het .ons', voor onze zekerheid niet baten of Üe Geest in ons "hart ons al iets bepaalds zeide.

Immers dan .ziouden wij tooh weer kunnen vragen: Hoe .weet ik nu of dat van dea Geest is.

Daarom kan het T. S. S. geen materiëelen inhoud 'hebben.

Het zegt ons niets —• het zegt niet, dat de' Bijlbel Gods Woord is, ïiet zegt nret, dat w^Jj Gods kinderen zijn.

Het is de Schrift die ons deze dingen zegt en als zoodanig is het Ih'et T. S. S., dat ons deze dingen als Gods Woord hooren doet.

Ofschoon dit laatste onder ons wel algemeen© instemming zal vinden, zoo worden er toch telkens uitdrakkingen gebezigd, die den indruk vastigen als zou men wel eenigen m'ateriëelen inhoud a^n : dit getuigenis .toeschrijven.

Zoo 'doet Dr Hepp in zijti disseratie; hij zegt wel, dat het T. Si. $, . sleöhts foirmeel is, maar aan den anderen kant s'preekt hij, dat dit getuigenis den mensch aanzegt, dat de Hailige Geest dit Testimonium geeft als een getuigenis —, dat de Heilige Geest het aflegt; dat/de Heilige Geest er bij spreekt tot het verstand, enz, ., altemaal termen, die, opgevat zooals ze er staan, wel degelijk aan een bepaalden inhoud doen denken.

Nog sterker doet Dr 'Bavinck dit in zijn , dag-'matiok; behalve, dat hij dezelfde termen gebruikt als DT Hepp', zegt hij, handelende over het Testimonium : Er is een wezenlijk en ook gemakkelijk kenbaar verschil tusschen Ihet Getuigenis des Heiligen Geestes als Hij tot onze ziele zegt: ik ben uwi heil, enz. Diaar iwiordt dus uitda? ukfcelijk een bepaalde inhoud aap 't getuigenis des Geestes toegeschreven.

Maar veel meer is (dit het geval ilog in de gewone vrome gesprekken, in prediking en gebed. Spr. is overtuigd, dat verre de meeste gemeenteleden bij het T. S. S. inderdaad denken aan een soiort prediking des Geestes in het hart. En hoe komt 'dat? Door den naam. Een Testimonium in 'den eigenlijken izin heeft een inhionid. Een f o r - tol e e 1 getuigenis is feitelijk een oontradictio in terkninis. VandiaJax dat men hierO'Ver sprekende of schrijvende ook telkens tot tegenstrijdigheden komt.

Vóór de geda& htenwisseling aianvangt, W'Ordt ter • verpooizing gozongen Bs. 119:67.

Ds. Schoenmakers, .van Kampen, vraagi nog eenigeopheldering, over wat gezegd is aanga'a.nde Prof. Bavinck en Dr Hepp. 't Was hun bedoeling toch niet, om iets te zetten naast of tegenover liet Woord. Maar: doet de ref. niet, wat hij ia anderen laakt? Stelling 3 (oude redactie) zegt hetzelfde r.ls Dr Bavinck en Dr Hepp.

Prof. Ridderbos izou haast kunnen zwijgen. Hij is het geheel met Ds Schoemakers eens. Spr. heeft één bezwaar; hij heeft niet genoieg de conseqttentie bemerkt, die hij van een Fries verwacht. In het referaat kwam telkens de mtd.rulddng vD'or: het testimonium overtuigt /)ns, dat .... enz. Er zijn stukken in het referaat, die spreker doen denken aan een brillenverkooper, die je een bril opzet en izegt: nu mioet gij kijken. Dat is mis.

De Geest geeft niet aUeen een oog, maar doet ook , zien. Anders zou het genadeleven de'istisch wO'rden opgevat. 'Maar is het dan juist gezegd, als Mion beweert, dat het tes-timomium alleen formeel is. Als ik wat do'e zien, dan is er een ohject. Referent had dus moeten izeggen: de H. G. geeft te izien, in aansMting met, no'oit zonder . de H. S. Om te aeggea, dat er in het gptuigenis niets miaterieels is, dat is verkeerd.

Referent, antwoordende, .zegt, dat sommi'ge Uitdrukkingen van Dr Bavinck en Dr Hepp volstrekt niet bedoelen, wat Ds Schoemakers opmerkte, maar wel den schijn geven, alsof.

Tegen Prof. Ridderbos merkt Spr. op, dat op natuurlijk gebied niet alleen God ons een oog geeft, maar ook voortdiurend do'Ct zien. Maar in die werking, , zit geen inhoud in; de inhoud komt uit de schepping. Satan geeft in , zijn getuigenis wel inhoud, maar dat kan hij niet anders. De H. Geest heeft de Schrift.

Prof. Botawmian constateert, diat referaat en debat verhelderend gewerkt heeft. De verschillen zullen makkelijk in persoionlijk gjesprek opgelost kunnen worden.

Het spreekt 'vaJazelf, dait ik mij over het h'ier verhandelde bijzonder interesseer. Het doet mij genoegen, dat de grondgedacihte van mijn proefschrift lOO'k hier weder wordt aiamvaard. Alleen meen jk uit het piersverslalg te moeten opma'k'en, dat men 'hetgeen ik aangaande het algemeene Geestesg'etuigenis (testimo-nium generate') helO'Og'de, in zekeren zin overbracht op' het bijizondere Geestesgej; uigenis (testimonium speciale). Diaartoe heeft men natuurlijk het rechit. Mits men hel m; aar niet op mijn rekening stelt. Laat mij' hier alleen verklaren, dat ik het bijzondere Geestesgetuigenis volstrekt •niet als een saort openbaring naast of boven of in plaats van - d© Schrift stel. Dit is lij^nreoht met den gedachtegang, welke ik in mijn proefschrift ontwikkelde, ' in strijd.

Op den Theologischen Schooldag kon men het met elkander' over aard en strekking' van het bijzondere Geestesgetuigenis niet eens worden. Of de verschillen zóó igering zijn, dat ze in persoonlijk gesprek gemakkelijk kunnen Avorden opgelost, gelijk Prof. Bouwman beweerde, geloof ik toch te moeten betwijfelen.

Ik heb een gissende pioging gedaan om te weten waar de schoen wrong. Maar als men niet de vergadering zelf heeft bijgewoond (waartoe ik niet de gelegenheid had), blijft gissen steeds gevjiarlijk.

Diaarom zo-'u ik langs deizen weg een zeer vriendelijk verzoiek' willen doien.

Men weet misschien, dat ik juist bezig ben oiver het. bijzoindere Geestesgetuigenis een studie ite . schrijven.

Als nu referent en debaters z'ooi goed wilden zijm mij toe Ite zenden, w.at zij^.ten gehoiore brachten, 'ZiO'Uden z'ij mij' een genoegen doen. Ik hoop dan zooveel mogelijk er op; in te gaan.

Do'ch dan mag ik zeker wel op eenigen spoed aandringen ?

De Cynisch-St'Oiïsche'propiaganda en de verbreiding van het Evangelie.

Het tweede referaat werd geleverd door Dr A. Sizoo.

De volledige titel lujdt: „De beteekenis der Cynisch-Stoische propiaganda vo.or de verbreiding van het Evangelie".

Ook dat is een aqtueel onderwerp'.

Sommigen zijn zoover gegaan, dat z: iji een nauwe verW'aintschap aannamen tusschen de Stoïsche wijsbegeerte (waarvan oiok de Handelingen spreken) en het Christendom.

Dat w© hier met een opmerkelijk' versch'ijhsel te., doen hebben, is b'UJ, ten twijfel. Hooren we naar Dir' Sizioio:

Moet dus ten aanzien van een navo'lging der propaganda-methO'de door Paiulus en de andere ChristelijKe predikers volstaian worden met de. aanduiding van de mogelijkheid, zioo is dalarmee nog niet gezegd, dat het optreden der heidensohe moralisten formeel niet van groote beteekenis is g'eweest voor de verbreiding-van het Evangelie. Imimers hun optreden gewende de menschen aJlerwege ajan de straatpredikatie, het spreken in g, ehioorzalen en de persoonlijke prediking, aoodat toen de Evangeliepredikers op dezelfde wijze o-ptraden — al dan niet in navo'lging der heidensche .zendelingen — dit instituut niet eerst langzamerhand zich in de volksgewoonten behoefde baan te breken en zioo door zijn nie'uwheid teruiglhouding veroorzaken zoü. Het is moeielijk na te gaan, welk een gemiak de Chxisteupredikors van dit instituut gehad hebben, wiant de testimonia dienomtrent izijn weinige. Maar ze zeggen des te meer. Immers voor de kennis van de verbreiding des Evangelies kunnen .we temaiuwernood genoeg waardeereu.de ihëdedëetiiig ia Hand. 17:17, dat Panliis allo dagen handelde op de markt met degenen, die hem voorkwamen ea Hand. 19:9 en 10, dat hij twee jaren lang bandelde in - de school van Tyrannus, „alzoo dat allen, die in Azië woonden het Woord van den Heere Jezus hoorden, beide Joden en Grieken". Üök later schijnen de Christenpredikers vaak in scholen opgetredea te , zija of zelf scholen gesticht te hebben en izoo de voordeelen genoten te hebben, welke de philosophenscholen bO'den, waartoe vooral behoorde vrijheid van beweging.

Waaneer we vei'der naga; an .welke beteekenis de Cynisch-Stoische propaganda door den inhoud harér prediking voor de .verbreiding van het Evangelie heeft gehad, dan kunnen we in het algemeea zeggea, 'dat die beteekenis gelegen js in het scheppen van een' stemming, een atmosfeer, die de heidenwereld voorbereidde tot het, ontvangen van het Christendom. Boven duidde ik reeds aan, dat ook andere factO'ren daartoe hebben meegewerkt, waaronder vooral genoemd moeten worden het binnen-• dringen der O'osterijche godsdiensten met hun mystieke religiositeit en de Joodsohe diaspora. Soms kruisen deze invloeden elkaar, somis loopea hun wegen parallel of samen; gez'amentlijk hebben ze de heidensche mentaliteit , zoo bewerkt, dat wie opmerken wil, 'de tijden , ziet rijpen tot de komst van het Evangelie.

De Cyaisch-Stoiscbe propaganda werkte ia de "^ eerste plaa, ts mede aaa het afbrekea van het polythe'fsme. Niet dat zij theoretisch het polythe'isme verloochende, maar ia de practijk bewoog , z.e zich ia mo'notheïstisohe richting. Ze maakte het Godebegrip los van de vele goden, verhief het ven-e daar'boven en legde den nadrulc op het begrip het g o dfl e 1 ijk e. Zoo niaakte ze langzamerhand het heidensch gemoed los van het polythe'i'sme, waarin .het met vele vezelen geworteld was. 'Va.n hoe groot belang 'dit geweest moet eijn voor de prediking van het Christendoim„ is duidelijk, wanneer we o.as rea-, liseeren de geweldige verandering: , die een plotselinge, overgang tot het moao'the'isme in het gemoed' van den polythe'ist, wiens veelgodendom de .kern izijaer religie is, moet hebben gebracht. Dat ook de hedendaagsche .ze'nding de ondernadiag heeft, dat juist het aanvaarden van het Christelijke monothe'isme voor den heiden aanvankelijk de g^'oote ommekeer beteekent, daarop wijst ook Prof. Woltjer in aansluiting aan de parallel, die Buiizer trekt tusschen den overgang tot het Christendom van Caecilius in den Octavi'us van 'Miaucius 'Felix ea dien van een Japannees.

Vervolgens bracht de Cynisch-Sfcoische propaganda een dieper innerlijk leven en een gevoel van izonde en schold....

Reeds Antisthenes leerde-de zondigheid, van het menschelijk . geslacht, maar eerst in de prediking 'der jo'ngere Cynici en Stoïcijnen - krijgt de. leer, 'dat de mensch van nature zondig en Gode vijandig 'is, een meer individueel en religieus karakter De onde Stoa zag de verlossing van den mensch daarin, dat hij in fier zelfbewustzijn eigen natuurwet volgde; maar nog vóór de verkondiging van het Christendom worden, mede ooder invloed der Cynisch-Stoische propagianda, de fundamenten van dit antieke rationalisme ondergraven 'doior een meer deemoedige stemming. Het zelfbewuste gevoel van te kunnen steunen öp eigen 'kra, cht en verstand verdwijnt; men ziet ü, it naar Goddelijke hulp en er komt een verlangen naar verlossing, verzoening: en genezing. Er is sprake van bekeering en een Heilandsverwachting beheerscht het tijdperk van Augustus-.....

De Stoicijnsche leer van de eenheid van • het : g'ansche meaisohelijk geslacht is door hea gebracht tot het volk. Wat bij de O'ude Stoa, misschien meer theorie dan practijk was, is do-O'r hen beleefd: niet alleen hebben ze ertoe meegewerkt de afscheiding tusschen Griek en barbaar te doen verdwijnen, ook het onderscheid in 'stand en aifkomst hebben ize pogen op' te heffen en de positie der vrouw verbeterd. Terecht .z, ©gt Prol. Woltjer, dat de kosmopolitische stro'O'ming „er toe meewerken moest, een predilcing injgang te doien vinden, wier 'uitgangsp'unt is, dat God uit éénen bloede het ganache geslacht der menschen heeft gemaakt"

Baarbij dient nog pp één omstandigheid in h'et bijzonder^, de nadruk gelegd te worden en wel deze, dat de volkspredikers werkelijk het volk, 'de gïoote maB, sa, bereikt 'hebben. Moge ook al in 'de oudheid de - pMloistolpIhie moer gepolpwlari-Beerd geweest zijn dan bij' ons — waaj-bij' echter niet vergeten mag worden, dat de oiudheid geen godsdienstige prediking kende zooals wij — toch zal ze de gro-ote massa des: , volks wol vHj koiud gelaten hebben. Maar tot die maissa drong de ICynische prediking doof en h'et is wellicht niet gewaagd aan te nemen, dat O'p dat terrein haar invloed veel grooter geweest is dan we zouden vermoeden. Het voorbeeld v'an Socrates volgend hebben de straatpredikers nageno^eg niets' geschreven; .: g; elukkig hebben Eipicteluis en Musionius in Arrianus en Lucius him P'lato gevonden, die 's meesters wijsheid voor th'et nageslacht bewaard heeft. Maar voor verreWeg het grootste gedeelte is de lOynisch-Stoische prediking beneden den drempel van het literaire gebleven en daardoior ook buiten de overlevering. Immers in het algemeen bemoeit de antieke literatuur zich niet met de lagere volksklasse en daardoor is (ook het beeld, dat w^j' ons kunnen vormen van haar woelen en werken en denken zeer onvolkomen: de voo'rtgezette studie der papyri zal hier veel licht te ontsteken hebben. Dienovereenkomstig kunnen we ons ook moeilijk een voorstelling vormen van de uitwerking der massaprediking en moeten we volstaan met aan te nemen, dat zij ^ereeden ingang vond. Wellicht komt die veronderstelling ons des' te juister voor, . wanneer we de verbreiding der pihilosopjhischreligieuse ideeën onder het volk mogen beschoiawen alö analoog aïm hét interesse, dat meer ontwik

keiden er voor badden. In dat gsval krijgt d© mededeeling van Origenes, dat in zijn tijd weinigen Plato lazen, maar allen Epictetus, groote waarde. Bovendien wanneer we in het optreden dezer Keidenen terecht de voorzienigheid Gods bewonderen, dan is.dat een reden te meer om aan te nemen, dat die voorzienigheid zich oiok uitstrekte tot de armen der aarde."

Ik-hioop: door 'weglating van citaten en moeilijke gedeelten, hiermee een aeer belangrijk deel van liet referaat leesbaar gemiaakt te hebben, zelfs' Voor miet-wetensdhappelijke menschen en daardooT te hebben meegewerkt aan de zioo noodige piopulariseering der wetenschapj.

De toga.

Doch om nu van den Olympus der wetenschap •weer af te dalen naar den beganen grond. Of .neen, afdalen is hier het woord niet. Het gaat toch weer over klimmen. Maar nu over het beklünmen van den kansel. In verschillende kerken, waar de oude toga was afgeschaft, wordt hij weer uit de kast tevopa'schlija gehaald. Het is ook niet ommoigelijk, dat men een nieuwe bestelt. Ook' de •Utrechtsohe predikanten besloiten enloe. Maar dadelijk was een 'dagblad erbij' om te insinueeren, dat dit wees opi een veranderde mentaliteit in onze ke*en, die 'in vroeger, steiler dagen stellig voor „verflauwing der grenzen" zioiu%^||.^fequ, alificeerd.

Ba's geen gekheid.

Natuurlijk liet , D|r de MiOior Izipo iets niet onder zich.'

Hij verdedigt zich en zijn Gpllegia's - als volgt:

Dit stukske iS' in een onbewaakt^ öoigenblik aan de pen der Redactie ontglipt. Had ae even de moeite genomen, inlichtingen te vragen 'bij' degenen, die het kunnen weten, dan zou ze niet zoo volstrekt er naast geWeest zijn.

Dan toch zou haar gebleken zijn, dat hier ter stede Ds Klaarhamer en Fernhout jaren lang in toga hebben gepreekt, en dat ook in andere Kerken, b.v. Amsterdam, onderecheidene predikanten, ^ die voormannen waren der Doleantie, dait gewaad-droegen bij de bediening des 'Woords. Nooit is ér in het niet dragen der toga een behoefte bevredigd om ook uiterlijk eenigszins a, nders vooir do gemeente te verschijnen dan de Hervormde predikanten. Zoo klein zijn we gelukkig niet.

Van een veranderde mentaliteit is dus evenmin sprake.

In „vroeger, steiler dagen" is de toga, om nu, maar bij Utrecht te blijven, van genoemde predikanten nooit als „verlilauwing der grenzen" gequalificeerd. Reeds het noempi van de namen dezer zoo principieel krachtige en vasthoudende mannen doet zien, hoe abuis .de courant van Bosch 'thans was.

Niet minder onjuist .is' fl, ë meening„ dat men nu zou gaan inzien, dat een plechtig aimbtskleed allerminst afbreuk 'doet aan den ernst der godsdienstoefeningen, aan het zuiver Calvinistisch karakter. Wanneer de Redactie beter op de hoogte 'was van 'de Kerkgeschiedenis', zou ze geweten .hebben, dat in de beste dagen van biet Cailvinisme reeds dit inzicht bestond. Het is inderdaad niet iets nieuwte, en evenmin ©en bewij'si van bijzonder i helder denken als men zoo iets vat.

Neen, de toiga wijst niet op een „venanderde mentaliteit"; noch in dezen zin, dat wij minder steil zijn dan onze voorgangers, zooals de Redactie vermoedt, noch in dien teglenovergestelden zin, dat wij nu terugkeeren tot - den scherpen strijd van de periode na 'de Doleantie, to-en in onze Kerk de toga rggdragen w'erd. Gansch aaderse mo'tieven hebben tót dit besluit g; eleid.

Ze zijn deze: een a m b t s gewaad heeft geen reden van bestaan in onze Kerken. Maar het is noodig, dat de Dienaren des. 'Woords optreden in een voegzaam, ideftig kleed 'pvereenkomstig de Waardigheid van den Dienst des Woo'rds; want al zijn de vormen-niet van de hoogste beteskenis, •waarde hebben ze toch' zeker.

Nn is de „stijve gekleede jas", orii met de Redactie te spreken, wel' een deftig, maar toch een weinig bevredigend costuum. De witte das, niet n^under stijf, werd hier reeds eenigeti tijd niet meer gtedrageii en (s: in tal van Kerkep afgeschaft. Anthonia Margaretha zegt ervan in „Vormen en Manieren: „Eien Witte daS' bijl gekleede jas is uit de mode, en - vvlordt alleen nog gedragen • door kosters, kelners en pOiïtiers. Ook door die predikanten, welke er bezwaar tegen hebben met de mode mee te g]aan fc)if die zich hierin .willen schikken naar den verouderden smaak Hunner gem"eenfeleden" (blz. 66, 67).

Hier en daar werd reeds, naar men zegt, gepï'eekt in jacquet, met gekleurde das, met gestreepte, broek. Het moge niet in Istrijd met de' H. Schrift en de belijdenis zijn als men zoo doet, het is toch' wel in strijd met de goede vormen en met den goeden smaak.

Het eeniig motief der Utrechtsche predikanten om weer toga te dragen is geweest, diat zij voor wie in de bediening des Woords optreedt een deftig .gewaad gepast achten en meenden, dat het best de vaxi ouds daarvoor gebruikte toga dienst ziou Imnnen doen, omdat we daarin een oostUJum hebben, door de historie geijkt en dat niet aan de Wisselinig'en der miode onderhe.yig is. Onderscheidene predikanten Van de Gereformeerde Kerken deelen dit 'gevoelen en dragen haar reeds géruimen tijd. Wij 'besloten nu ook daartoe over te gBian-en zooals men aiet heeft dit niets te maken met al de mo• tieven welke men aan de Oudegraclit er in zocht.

Meïi zöu als nieuw motief er nog aan kunnen toievoegeti, dat voor pl-edikanten, die in de week gewoon zijn een gekleede jas te dragen, de to'ga voor deii Zondag een aangename-^.fwisseling biedt.

Laat ieder hieroiver denken, gelij'k hij wil.

Zoo iets, dan behoort dit wel tot de z!gn. 3^diaphora, de onversdhillige dingen.

Veel is er in de laatste jaren veranderd.

Maar de woordspeling van voor 30 jaren niet: i'n de Hervormde Kerk leervrijheid, in de Gereformeerde kerken kleervrijheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921

De Reformatie | 8 Pagina's

PERS-SCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1921

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken