Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christendom en Kunst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christendom en Kunst.

8 minuten leestijd

II.

In het vorig artikel werd gewezen op het gevaar-Itjliie in 'het sti'evon van hen, die cnhelcend met de verwikkelingen, waarin de levenspractü'k op eea bepaald gebied ons brengt, toch een theorie van eigen maaksel geheel mechanisch willen opleggen aan de practiijk. Voor dezulken is ook de verhouding van Christendom' en kunst reeds-van te voren klaaien doorzichtig. Geheel anders komt de zaak te slaan, wanneer we het oordeel vragen van hen, die in eigen leven zochten naar een verzoening van Christindom

Het is ons uit het voorafgaande wel gebleken, dat er zeker iet» meei-„acihter" zit, als wij, in o'ns eigen leven zoe'kend naar een verbinding van Christendom en kunst, op zoovele bezwaren stuiten. Er zit inderdaad iets heel belangrijks achter.

Wij krijgen hier te doen met twee levensricihtingen, twee stroomingen, die wij gaarne in eén bedding vereenigd zagen. De invloed, die deze twee levensrichtingen vanaf de oudste tijden tot heden op de menschiheidshistorie uitgeoefend hebben, is duidelijk zichtbaar nief^sleohts in Jiet leven van den enkeling, maar zelfs in den aard en het karakter van geheele volken.

Er is een levensrichting, in wier sfeer het zedelijke ondergeschikt gemaakt wordt aan he't natuurlijke, en er is een andere, die het natuurlijke onderwerpt aan het zedelijke, waarbij dus d© volle nadruk valt O'p de tegenstelling: heilig en onheilig, die bij de aadere leveasrichtiag ge'heel O'p den achtergro'ud treedt. De eerste is men gewoon te noemen de „aösthetiscbe", de andere de „eilliische" levensrichting. (Ik mag om van te yoren alle misverstand uit te sluiten, wel even opmerken, dat dit woord „ethisöh" hier dus uitsluitend door mij 'gebruikt zal worden in den zin van „zedelijk", al voel ik ook, dat dit een uiterst gebrekkige weergave is van het „vreemde", woord. Het woordje „ethisch" heeft voorts nog e& n. theologische nuance, die hier geheel buiten beschouwing valt).

Schleiermaoher, de eerbiedwekkende strijder voor het goed recht der religie in het geestesleven, heeft deze tegenstielling tusschen „aesi; hetisch" en „ethisch" in zijn „Glaubenslehre" laten zien in het karakter der verschillende godsdiensten. Onder

de „aesthetiscihe" godsdiensten no-emL hij in de eerste plaats den Griekscihen godsdienst en den Islam, onder de , , ethische" den Joodschen godsdienst en vooral het Christendom. De bedoeling van deze onderscheiding is weer deze: bij de eerste soort staat het zedelijke slechits in los verband met, eigenlijk naast den godsdienst; bij de tweede is verwerkelijking van een zedelijk ideaal juist het doel. Te onzent heeft Prof. I. v. Dijk een oratie gebonden over „Aesthetische en ethisahe godsdienst", even rijk van inhoud, als schoon naar den vorm, zooals al het werk van dezen knnstzinnigen theoloog.

Deze tegenstelling openbaart zich nu niet alléén op het gebied van den godsdienst, maar verdiept zich tot een riohüngsverschil in het geheele leven. Nu moeten wa bier weer op' pnz© hoede zijn voor een zekere gevaarlijike systeemzucht, die ons a.h.w. in 't bloed zit. Het bovenstaande zou de gedachte kunnen opwekken, dat wij nu veilig kunnen beginnen de menscihen omder dak te brengen! Dit is een te gemakkelijke methode, die wij. schijnen te hebben uitgedaciht om de menschen zoo gauw mogelijk, onschadelijk te maken. Wij' plakken den man-in-kwestie immers het etiket op en steken hem in „paragraafuniform" (de uitdrukking is, geloof ik, van Kierkegaard), en sluiten hem voorts goed acihlter slot en grendel. Misschien zien wij hem dan later nog eens voor ons passeren in de revue der systemen!

Zoo is liet ook hier niet overbodig ©r volle nadruk op te leggen, dat het onmogelijk is één mensch. te ontdekken, in wien we nu één van deze beide richtingen zonden zien „belichaamd". Zoo'n gedrocht (want schepsel kan ik het moeilijk noemen) is in heel Gods schepping niet te ontdekken. De asceet en de pilaarheilige', een Epictetus, die zich stuk' liet ranselen, omdat hij alleen de zedelijke waarde kende, zijn nog niet te vergelijken bij aoo''n denkbeeldigen mensdh, in wien de zedelijke levensrichting belichaamd zou zijn! Bierens de Haan noemt hem ergens een „moreel athleet". Hij' gelijkt op den ktach'Lmenscih van een boerenkermis, die geen hersenen, maar uitbundige spieren heeft! ZoO' ook de uitsluitend-aesthetische', luj is geen mensoh, maar Sybariet.

In werkelijkheid zijn het bier geen sclierp' begrensde terreinen, zooidat men zich noodzakelijk aan den éénen of aan den anderen kant vaa de grenslijn zou moeten bevinden. Ieder mensch heeft wel iets in zich van beide levensrichtingen. Het gaat er om, naar welken kant de weegscbaal overslaat, — iwaar het accent valt!

Juist (het feit, dat wij: lallen iets van beide levensrichtingen in ons omdragen, scbept hier de eigenlijke moeilijkheid. Er zou immers geen sp'rake zijn van een conflict, als wij niet voelden, dat beide levensrichtingen als magneten haar aantrekkingskracht op ons uitoefenen. Waren we eenvoudig menschen van soort A of soort B, wij zouden even onwrikbaax op onze plaats blijven als onze tegenstelling zelve, die we ziooi rustig-weg in systematischen vorm „vastgelegd" en geconstateerd hebben.

Er is dus een aesthetisclh element in ons allen, en, geloof mij; , het is ook in u, die zich „gelukkig" vrij waant van zulke „gevoelerigheid", ook in u, die gewoon zijt met medelijdend schouderbeweeg voorbiji te igaan aan den „half-jaren artist".

In de Gereformeerde belijdenis (heel geen dogmatische verhaadeling, maar een gloeiïng. van bruischend leven) lees ik iets van den kosmos, de wereld der ïiatuur, dat zij is „voor onze oogen een. schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen".

Zo'Oals wij nu vaak met onze gedachten rondzwerven, al hebben we ons ook begraven in de boeken (we lezen letters, maar wat er achter ligt dringt niet tolt ons door), zoo zijn er ook menscihen, die helaas het grootste deel van hun leven tegen de letters van dit natuur-boek zitten aan te kijken. Of ook, zij hollen er door heen, en zij zien boomen en bergen en de ziee, maar er is geen direkt natuurgevoel, geen „echt voelen ondefinieerbaar" (Kloo's) met de natuur, met het juichend zonlicht, het gebed der bloemen, — met de heerlijkheid van al die dingen in hun simpel bestaan!

Wij gemeten de natuur eerst recht, wanneer er zoo iets als een psychische omzetting plaats grijpt; het moet alles „getransponeerd" worden in den toonaard der ziel!

Nu 'zijn er nog vele begenadi, gden, die z'óó leerden lezen in het „boek der natuur", maar in de anderen (en dit is nu wat ik bedoel met hel aesthetisch element in ons allen), de alleen-letterlezers, flakkert het kwijnend lampje der schoonheidsontroering nog wel eens even opi en zóó komt het, dat we iemand onverwachts kunnen hooren zeggen: „Neen maar, zooals ik het nu zie, had ik het nog nooit gezien. Ik wist nie'l, dat het zóó schoon was!"

Hier kunnen we tegelijk iets opmerken, wat van direkte waarde is voor onze 'kunstopvatting. Het is noiodig, dat wij even dezen zijweg inslaan. Het blijkt nu meteen, dat de schoonheid niet geboren wordt door het zien-alleen yaxi de natuur, jnaar door dat eigenaardig sympathetisclh (mede-voelend) zien, ja ondergaan der natuur! Dus niet het beeld op het netvlies van. ons oog is het een en liet al, maar dat geestelijk-iets-van-ions-zelf, wat er nog bijkomt, maald dat we kunnen „genieten", — is 'ook de eenige voorwaarde voor het ontstaan van het „kunstwerk".

Het is er dus ver vandaan, dat wij' de kunst nabootsing van de natuur zouden mogen noemen. De kunstenaar vertoilkt wel de natuur, maar hij is niet haar slaaf. Hij is geroepen haar in zich op te nemen, en dan zelfstandig wéérte-geven, niet om haar na te bootsen.

Als bijv. een Rembrandt-en een Rubens niet ieder de natuur anders, hadden opgevat, en niet iets van het hunne er bijgevoegd (en dat is het juist wat. de schilderiji b.v. tot „een Rembrandt" maakt), we zouden volkomen dezelfde typen van menschengezichten te voorschijn ïiien komen. Daarom is er geen kunstenaar, op welk gebied dan ook, of 'zijn werken hebben allen dien sterk geteekenden familietrek, waar wij' ze aan herkennen, als kinderen van één vader. Niet de natuur alleen heeft ze voortgebracht (wjant die is voor Rembrajndt en Rubens en voor wien dan ook precies dezelfde), maar de geest!

Nog klernmender vind ik dit argument. Als het werkelijk eens waar was, dat de kunst slechts nabootste, dus feitelijk een. 'kopie was, dan zou ik niet wete'n, waarom ik mij-nog langer met de kunst zou inlaten. De natuur z'ou iik dan immers zóó schoon vinden, dat ik aan 'haar alleen al gönoeg had, en de begeerte, de honger naar kunst, die er toch nog overblijft, zou onverklaarbaar xijn.

Neen, als. het werkelijk slechts te ^doen is om nabootsing, dan moeten wij voortaan den fotograaf als ons ideaal beschouwen! Toch heerschen er nog opvattingen, die het gevolg zijn van zLilk een onwaardige kunstbeschouwing.

Er 'zijh menschen, die een schilderij voorbij' loopen, als ze niet heel spoedig er achter kunnen komen, wat het „verbeeldt". Hun ideaal zijn schilderijen met ap'pels en peren, y, w, aar je zóó in zou happen!"

Er zijn er, die „al die moderne muziek" uit den grond huns harten verfoeien, omdat ze maar niet kunnen „begrijpen", wat zöo^'n chaotische klanken-warreling „beteeként".

Wij moeten leeren, dat het genieben van kunstwerken in de eerste plaats vereischt: toewijding, een zich-verdiepen, een zich eigen-maken van den geest, die ook den schepper bezielde tot z'ijn kunstwerk. Het is zeer goedkoopi, van den kunstenaar te eischen minder „excentriek" te zijn (d.w.z. af te dalen tot ons mfenschen van kleinen vang). Hebben wij al ons best gedaan onzen geestelijken horizon zóóver te verruimen, dat we ook z ij n stem konden verstaan ? 1

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1921

De Reformatie | 8 Pagina's

Christendom en Kunst.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1921

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken