Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christendom en Kunst.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christendom en Kunst.

10 minuten leestijd

Het eerste artikel wees op het gevaarlijke in liet sireven van hen, die onbekend met de verwikkelingen, waarin de levenspraktijk ons menigmaal brengt, hun theorie omtrent de verhouding van Christendom en kunst gereed hebben liggen, en deze dan geheel meohanisch willen opleggen aan de praktijk-De moeilijkheid ligt vooral in de twee, elkaar schijnbaar uitsluitende, levensrichüngen, de „aesthetisohe" en de „ethische" (art 2). A.rt 3 en i neemden eenige kenmerken vaii de „aesthetische" levensrichting (o.a. het zien van de natuur als een organisch .geheel, haar pantheïstisch getinte VTOomlieid, haar agnostisch godsbegrip).

V.

Het is zeer merli: !waardig, dat de aesthetisohe levensrichting allerlei uitdrukkingen overneemt, die eigenlijk het rechtmatig eigendolm zijn der zedelijke. Gunning, in zijn studie over Goethe's, Faust, tneent dat m'ein hier eigenlijk niet met oneerlijkhoid 'te doen heeft. „Men meent alleen, omdat men de zonde ontkent, hetzelfde doel zonder den weg der 'bekeeriing te kunnen bereiken, en gebruikt daaro-m dezelfde woorden." Ook in de aesthetisohe levenssfeer, waar men dit zeker niet zou verwachten, treft ons het gebruik van woorden als „zonde" en „verlossing", , , wedergeboorte" en „bekeering", „aelfverloochening" en , , heihgheid", „hemel" en „hel". Goetlie b.v. spreekt van zijn aesthetisch B'tand-• puinit •tóch over zelfverloochening in zijn. „Wahrheit uïid Didhtung"; „Alles ruft uns zu, dass wir ent sagen sollen". Ook uit onze ©igen literatuur kaïn men sprekende bewijzen 'hiervoor aanvoeren. Verwey in zijn bekende „Inleiding tot de nieuwe Nederlandsdhe dichtkunst" spreekt van een „overdracht van begrippen". De poëzie is geworden „de plaatsverraingster van een chrisfcelijkien eeredienst". Haar God is de SöhoO'nheid zelve geworden. , , En omdat zij toclh van ver of van nabij voor een christelijken 'God geknield hadden, bracht de een de woorden van zijn vroegere aanbidding mee in zijn latere " Een treffend voorbeeld hiervan geeft Perk' in zijn sonnet „Deinè Theos", waar „de hulde vroeger gewijd aan een andere godheid, op de sdhoonheid overgebracht wordt":

„Schooinheid, o gij, wier naam geheiligd zij, Uw wil geschiede; kome uw heerschappij. . JSfaast u aainbidde de aard geen andren God! Wie' eenmaal u aanschouwt, leefde 'genoeg: ZoiO hem de dood in dezen stond versloeg.. •. Wat Miood? Hij heeft genoten 't hoogst genot!"

'Woorden als „zonde" en „verlossing", „hemel" en „hel", krijgen nu in dezie sfeer feen geheel andeire kleur. In de „zionde" kan de aesthetische mensch niets anders zien dan onvolkomenheid, want hij ziet de wereld niet als gevallen, en daarom red--ding behoevend door een w o n d e r^ door een daad, een in-grijpen Gods. Wel erkent hij tot op zekere hoogte het boven-natuurlijke, maar Vraag vooral niet naar een werkelijk aijn der hoogere wereld, vraag evenmin naar een zedelijk'en band aan die w.ereld. Neen, ge moet het alles tO'0h vooral Onbepaald houden, anders wordt het „leelijk" en smaJkeloos! Gevoel is alles, een naam' is ., klank' en rook, verhullend hemelgloed!"

Goiöthe heeft het zoo typeerend gezegd in ^ijn „Wahrheit und Dichtung": „Het komt er alleen maar op aan, dat m'en gelooft; wat men gelooft is geheel onversohillig." Het is dezelfde Goethe, die geziegd heeft: „Ieder zij' op zijn eigen wijze een Griek, maar zij het dan ook inderdaad." Vraag een Griek niet, of nu de Muzen bij' voorbeeld werkelijk bestaan, want hij zal u niet begrijpen. A esthetisch bestaat voor hem de hoogere wereld, maar als bovön-natuurlijke werkelijkheid grijpt Z'e niet in — noirmatief — binnen de sfeer van het natuurlijke.

Daarom is oo'k het kruis van Christus yoor de Grieken een dwaasheid!

De „ethische" (zedelijke) levensrichting onderwerpt nu het natuurlijke aan het zedelijke. Zij' is zich bewust van normen en waarden. Nu js het een merkwaardig feit en een bewijs te meer voor hetgeen we reeds opmerkten (dat het nimmer gelukken zou één .mensch te ontdekken, in wien wij , één van de 'beide levensrichtingen belichaamd z'ouden zien): óók de mensch, - die van geen norm.en weten wil, gebruilct zijns ondanks de terminologie der waarde-bepaling. Hij spreekt ook nog wel van „abnormaal" ien „onzedelij'li" en erkent aldus onbewust no.rm en zede. Maar evenmin bestaat de uit sluitend-zedelijke mensch, die, zooals we zagen, meer zou zijin dan pilaarheilige, mieer dan Epictetus, die zich liet kastijden, omdat hij alleen maar kende de z e d e 1 ij' k e waarde.

In de werkelij'kheid is het steeds zóó, dat wij bij bepaalde personen, of bij bepaalde groepen van me-nschen de ééne van beide lijnen zich duidelijker zien afteékenen dan de andere.

Zoo zien wij in de historie bij het volk van Israël een sterkere neiging tot de zedelijke ]evensrichting. Men heeft dikwijls gepoogd de bijzondere bebeekenis van dit volk, waaraan God Zioh wilde openbaren, te verkleinen. Men heeft zelfs gesproken van „het monotheïstisoh instinct der Semietön" (Renan). Wij zien echter niet zoozeer een instinct als wel een bijzondere openbaring Gods in .Israels monothe'isme. Wat helpt ons bovendien zulk een woord als „instinct", en waaruit zou zulk pen „instinct" op zidhiz'elf te verklaren zijn?

Is het niet merkwaardig, dat juist in het Oosten der mystiek, waar de mensoh in ekstase zioh verheft tot het oinmiddellijk aanschouwen der godheid, in Israël Goid afdaalt tot den mensch?

Heeft men het niet een „raadsel" genoemd, dat het Israëlitische volk zijn religieus karakter bewaard heeft ondanks Kanaanietischen invloed, en heeft men niet in het optreden van zoovele profeten in een betrekkelijk kort tijdsbestek een buitengewoon verschijnsel in de wereldgeschiedenis gezien? To'ch schijnt mfen in elk geval liever van „raadselen" te sprelaen dan van het wonder!

Is het iniet geheel misplaatst bij dezfe „wonderlijke" openbaring in de gesöhiedenis van Israel's religie aam magiie of mirakelen te denken? Het is toch mier3? ; \vaardig te zien, hoe het begrip j, openbaring" op het gebied van kunst en wetenschap niet vervlakt wordt tot „instinct" of magische invloeden. Men erkent hier toch ook wel het passieve van den menschelijken geest, een „in beslag genomen worden" door een bepaalde idee, gelijk Wagner het noemt, een „geplaagd worden"!

Daarom kan heit feit der openbaring niet gemist wordön, nóch in natuur, nócli in kunst, nóch in geschiedenis. , , De gansche wereld rust zelve in openbaring; openbaiing is de onderstelling, de grondslag, het geheim van heel de schepping ten van al hare formatiën" (Bavincfc). Hoeveel te Sninder .reden is er dan haar te bannen uit Israel's bistorie, waar zij meer „bijzoinder" op den voorgrond treedt?

Wij wijzien zoo met nadruk op dit openbaringskaraklier, wijl anders d®z'6 zedelijke levensrichting geheel onbegrijpelij'k i's.

Openbaring wijst op een van zich zelven bewustön God, die zich w i 1 openbaren, en houdt dus alle gedachte verre van een onpersoonlijke godsidee in panfheïstischen zin.

In den beginne was er geen oinbewuste drang, evenmin de daad, maar het woord. Het js God, die in-spreekt in den chaos Zijn maohtwoord tot schepping. Het is God ook, die spr.eekt tot Israël en Zich kenbaar maakt aan zijn volk. Door spreken, door mededeelen komt kennis van God. Een onbewust werkende kracht in het geheel der dingen zou den mensch geen kennis van jGod 'kunnen brengen, maar hoogstens onbepaalde gevoel ons en vage stemmingen. Kennis van God ontvangen gaat samen met kennis ontvangen van zichzelf, van den. mensch. God is heihg, de mensch onheilig. Hier komt aan den dag de gtondtegensbelling der zedelijke levensrichting. Er is een persoonlijke, redelijke wil Gods, die gehoorzaamheid eischt, en wij willen verkeerd. Daarom is tlods heiligheid een verterend vuur, én beeft het yolk van Israël voor de donders der Wet! „Wee mij', wamt ik hieb God gezien", zóó uit ? ; ich het gevoel van Gods heiligheid!

Al stem ik gaarne toe, dat de inhoud van deze bij'zomdere openbaring Gods niet in de eerste plaats ligt in de wet, maar in de belofte, — toch moet hier in verband met ons onderwerp ook.de nadruk gelegd w.orden op het neligieus-zedelijk ideaal in Israel's .godsdieinist. Voortdurend vinden we in het Oude Testament het ideaal van den religieus-zedelijfcen mensch geteekend.

Eigenaardig doet daarbij aan de voortdurend negatieve formnleering der zfedelijke eischen. „Die oprecht wandelt en gerechtigheid werkt, en die met zijm hart de waarheid spredüt. Die mét zijn to'ng niet adhterklapt, zijnen metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zSjh naaste... Die zijm geld niet geeft op woeker, en geen gesche^nk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet zal niet wankelen in eeuwigheid, " (Ps. 15). En verder: „Die rein van handen, en zuiver van hart is; die zijh ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zWeert. Die zal den zegen ontvangen van den Heere, en gerechtigheid van den God - zijns heils." (Ps. 24).

Dit karakter nu van Israel's godsdienst, .wortelemd in het ethische, brengt noodzakelijk met ? : ich. een andere wereldbeschouwing. Het is er ver yandaan, - dat men in de natuur Zou .zien „het levend kleed der godheid". Er is geen sprake van een leven, „overeenkomstig met de natuur". Ja, er was zulk een tijd, toen Adam, 'Gods eerste mensch. zijn stem kende aan „den wind des daags", maar er is iets omtzettends gebeurd: een afwending van dön Oorsprong'! Daarom is het aardrijk vervloekt, en het besef daarvan maakt een aesthetisohe levemsrichting onmogelijk, want „mijne zonden heb ik steeds voor oogen". En nu rooken de brandoffers zonder tal, nu vloeit het bloed ter verzJoening! Iinumer dóór moet branden het offer: er is' geen verzadiging van . bloed! Daarom hier geen kunst, die voortschrijdt ongebonden en stralend in het hemelsche licht. Hier kka geen kunstzin ontbloeien, want daarvoor moet de horizon vriji zijn. Maar in den weg staat het duizelingwekkend-hooge, het hemeltergende! Hier geen ruimte, geen uitzicht, hier niet het alzijdig-zich-uitbreiden van een aesthetisohe levensrichting, maar alleen diepte en hoogte!

Hier wordt ervaren, dat het bijna ondenkbaar en onvervulbaar is, dat er zou ontstaan een eenheid tusschem den mensch, den nietige hier op d^!e 'kleine aarde, die daar vaart doo'r eindelooze wereldruimte en Hem, die met eeuwige majesteit het .heelal regeert, en Wiens gebod hij duizendmaal heeft overtreden.

Maar reeds, hooren .wij in de kritiek van Israels proleten op den offeroultus een praeludium op de aanbidding Gods in geest en waarheid. Zij hebben het reeds gezien en hun volk verkondigd, 'dat eigen leven moet worden .als een offer, een prijsgeven van eigen wil en eigen dunk. Want wie .Go.d wil dienen en.kennen wil het leven met en in God, die" moiet breken met zijn leven buiten en zonder God, — die moet ophouden een dienaar , te zijn van ziichzielven. En wie zijn wankelend bestaan wil richten naar het licht Gods als naar een vaste ster, die zal ophouden de richting te willen vinden uit zichzelven. Als de mensch dan alles zal hebben prijsgegeven wat te voren hem vervulde', als iz'ijn hart ledig is geworden van al die vele dingen, die voerden van God af, opdat het vol kan worden van 'God, diens leven komt te staan in het teeken van dat ééne, het onontkoombare: het kruis. Want dit beteekent offer, afstand-doen, verlooahening.

Rieeds komt door de rookwoUcen van Israel's offers een lichtstraal dringen: „Gij hebt geen lust gdhad aan slachtoffer en spijsoffer... Brandoffer en zondoffer hebt gij niet gewüd. Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des !Boeks is van mij ge-' schreven." Hierin ligt belofte: de wet en het slachtoöer ziuUem maai tijdelijk zijn. Ja, Chistus komt!

In Heöi vindt de bijzondere openbaring haar hoogste vervulling, zij culmineert in den Christus. In Hem is de eenzijdigheid der zedelijke levensrichting opgeheven, en de wet vervuld. De belofte, bet Woord is Vleesoh geworden.

Maar Israël ziet niet de verheffing der zedelijke levensrichting. De wet blijft onvervuld en gebod stapelt zich op gebod, regel op regel....

En toch, de weg leidt van Mozes • tot Christus, — de wet is geweest onze tuchtmeester, onze paedagoog, die ons leidde naar Christus heen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1921

De Reformatie | 8 Pagina's

Christendom en Kunst.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1921

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken