Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET GEZANG DER GEMEENTE.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET GEZANG DER GEMEENTE.

12 minuten leestijd

I.

Met een ontrust gemoed Jijeib ik mfenigniaal een blik geworpen op het stapieltje brielvein enzi., dat sinds Juli des vorigen jaars op mijin stndeerkameir lag. te wacihten tot ik Itijd zou kunnen vinden om' Tt4i te zetten tot ibet schrijven van een epiloog op - de artikelen over het Gieiziang der Gieraieentei, die ik in „De Refortiiatie" van 3—24 Juni des vorigen jaars plaatste. Af en toe kwam! van dezien en genen al eens 0en vriendelijke aanmtoing^ wanneer mijn antwoord nu, toch zou komen. Maar allerlei werk was meer spoefl.easchieiiïd dan dit, en hoe onaangenaapi ik het ook vond — er was niets aian te doen — het s.c|hrijven dezer artikelen moest van maand tot maand uitgesteld worden.

Intusschen ibad deze vertraging toch ook nog een liybtzij'de, n.l. dat ik daardoor kennis kon nemen van aUes, wal sindsdien over het door mij toen behandelde onderwerp is geschreven; on daardoor nu in de gelegenheid beii, zooveel noodig, dat tegelijker tijd te behandelen.

Thans steek ik van wal, en zal in een tweie> tal artikelen een naspel geven, dat biarmbnisus moge klinken zelfs bij' blijvend verschil van meeninjg. In het eerste artikel hoop ik tö beantwoorden wat men mij schreef over 'het orgelspel bij de 'godsdienstoefeningen; in het tweede: hoop ik nog eens te spreken over bet herstel van den rythmus der Psalmwij'zen.

Vooraf ga een betuiging van groote dankbaarheid voor al de brieven van instemtoing niet het geschrevene, die ik mocht ontvangen. Ik be'hoef daarop natuurlijk niet nader in te gaan; slechts dit woord van erkentelijkheid moest gB: sproken worden.

De vragen of bedenkingen, die' ik heb te beantwoorden ten opzichte van hetgeen ik schreef over orgels en orgelspel, betreffen een viertal punten: lo. het orgel in de N. Zuiderkerk te Rotterdam; 2o. het gebruik der oude toonaarden; 3o. de harmonisatie in verband met de woorden; 4o. het spelen van punten en komma's. Over elk dezer onderwerpen enkele opmerkingen!

Van den heer J. H. Besselaax Jr., Hoofdl'eietaar voor orgelspel aan de Maatschappij^ voor Toonkunst af deeling Rotterdam en organist der N. Zuiderkerk aldaar, ontving ik een schrijven met verschillende aanteekeningen op mijii artikelen, dat ik zeer op pr^s stel, ook al zijn we het niet in alles eens. Met dezen theoretisch even goed onderlegden als practisch bekwamen musicus heb ik onderscheidene malen mogen samenwerken, en ik bewaar aan mijn ontmoetingen met hem zieer aangename heriimeringen. Hij is voor mij het type van den ernstigen en degelijken kunstenaar, wars' van alle aanslellerij, die zijn taak zoo opvat, als een musicus, die zich in dienst stelt van het hooger leven, behoort te doen. Wat niet wegneemt, dat ik mij d-? vrijheid voorbehoud, over 'enkele dingen anders te denken dan hij.

Het spreekt wel haast vanzelf, dat mijln opmerking over het orgel in de N. Zuiderkerk te Rotterdam hem tot tegenspraak mtoest prikkelen. Ter herinnering diene, dat ik daarover schreef:

Natuurlijk is bet zeer wenscbtelijk, over een aantal mooie registers, een crescendokast, ja een rolzweller enzv. te kunneu beschikken, en biet kan zeer, tot bevordering van goed gezang werken als deze ten dienste' staan. Doch dit alles beboort bij het I Welwezen, niet bij het Wezen van biet orgelspel . in ijnze godsdienstoefeningen. Een schitterend concertorgel als Rotterdam in de N. Zuiderkerk heeft, hoe te Waardeeren ook o.pi zichlzelf, is m.i. met het karakter van onzen Grerefoi'meëiiden eeredienst in strijd. Gelukkig kan men ervan zeggen, dat het a double usage dienst doet: deels voor muziek als zoodanig (bij de bespelingen), deels voor den eeredienst; en gelukkig pok houdt de hleer Besaelaar • zich bij de godsdienstoefeinngen geheel aan de eischen van ons GerefonneiM beglinsel, zoodat Mj van de kerkdiensten geen concerten maakt. Maaf het zijn sterke beenen, die deze weelde dragen, en ik hoop, dat de kerkeraad van Rotterdam later, waaneer een ander eens op die orgelbank zou moeten • plaats nemen, nooit mQeite ermede krijgt. Zulke orgels moeten uitzondering blijven in onze kerkgebouwen. Al zijn we nóg zulke liefhebbers van muziek, dan zullen we toch, dunkt me', dit punt goed moeten vasthouden.

Daarover schrijft de heer Besselaar het volgend^: „Eindelijk het orgel der N. Zuiderkerk te Rotterdam.

Als de organist dier kerk zich bij'de godsdienstoefeningen geheel aan de eisclhen van het Geref. beginsel houdt, zal het steeds een genot zijn voor kerkeraad en gemeente om zulk efen instrumlent te bezitten en te hooren bespeien. Zulke orgels i»hoeven dus voor de Geref. .iK'OTken geen uitzondering te blijven.

Mannen van het vak en van mee-lieven zullen or na mijn heengaan zeker te vinden zijn.

Ten opzichte van „die sterke beenen, die da weelde dragen" kan Dr de Moor gerust .^sijn.

De kerkeraad van Rotterdam' zal later göen moeite krij'gen, mits men zorgt voor ruinie satari ë er ing en voor een kundig organist."

De salariëeringquaestie heb ik in mijn artikelen niet besproken en wil ik ook nu er buiten laten. Wat 'het overige betreft: ook ik hoopite voor de toekomst het beste; maar ik vind — op zijn niveau — den heer Besselaar evenzeer een uitzondering als zijh orgel. De meestei organisten van zijn bekwaamiheid zouden, zittende voor zulk eten instrument, niet de zelfbeheersching hebben, die gelukkig zij'n deel is, en door hun spel stellig buiten het kader van den Gereformeerden eeredienst komen te staan. Wie z'oo'n orgel voor zioh h< ^eft, üioet wel sterke beenen hebben om die weelde te 'dragen en bij den dienst veel ongebruikt te laten wat op zichzelf zeer schoon is, doch voor het leiden van het Psalmlgezang (het teenige doel m een Gereformöörde Kerk) volstrekt overbodig. Den meesten zou de verzoeking te groot zijti. — Intusschen, als uitzondering kan ik dat orgel best aanvaarden; en het heeft mie reeds zooveel sehoone oogenblikken be^Jorgd, dat ik ondankbaar zou zijn als ik nog meer minder gunstigs ervan zeide. Mijn bedoeling was alleen te "waarschuwen: dien kant moet het in onze kerken als regel niet uit! Ttouwens is deze waarschuwing vrij' overbodig, waar het slechts zéér zelden zal voorkomen, dat iemand met zoo kwistige hand de gelden tot zulk een bouw verstrekt als in Rotterdam hl^t geval was.

Thans iets over 'het gebruik der oud© toonaarden. Ik schreef:

„Ten tw'eede, dat ik niet ben voor een consequent doorvoeren der oude toonaarden. Ons moderne oor kan daar niet meer tegen. Men doet goed, ' zooveel mogelijk er mede te rekenen. Maar de rijkere ontwikkeling, die het muzikale leven sinds verkreeg, behoeft niet genegeerd te worden. Nogeens: waar het pas geeft, lette men erop. Doch ik heb overigens geen bezwaar om in dez'on da historische lijn te verlaten, omdat het eigenlijk geen „verlaten" maar verder doortrekken en onliwikkelen is, en 'we in den vorm kinderen van ónzen tgd mogen en moeten zijn."

De heer. Besselaar merkt daartegenover dit op: „Volkomen doorvoering der oude toonsoorten (toonaarden) is wèl wenschelijk, tenzij' de organist geen degelijke opleiding heeft genoten en daardoor ten eenenmale onbekwaam mloet worden .geiacht een Psalmmelodie naar behooren tei kunnen harmoniseeren."

Zooals men ziet, argumenteert dë geachte inzteader niet, doch zet zijn mieening zonder meer tegenover de mijne.

Uit het door mij' geschrevene blijkt, dat ik op zichzelf geen bezwaar maak tegen het gebruik der oude toonaarden. Doch - wie het doet, zij er dan ook in alle opzichten bekwaaml voor. En dat zij'n " er weinigen. Bovendien geloof ik, mtet Ptof. Aoquoy en anderen, dat het niet bevorderlijk is aan het gemeentezang, wanneer men dit stelsel consequent doorvoert. KoraalboekschrijVers durven het ook niet aan. Worp zegt b.v. in de voorrede van zij'n overbekend werk:

„Wil men niet stijif en gedwongen worden, dan moet men dikwijls in den harmöniegang van ons tegenwoordig toons telsel vervallen, en wanneer men iedere melodie zuiver Dorisch-, Phrygisch, enz', naar zijnen toon harmoniseerde, dan zou ook het voorspel geheel daarmede in overeenstemming en in dien toon gehouden m'oeten worden, 't Zou echter een weinig verkwikkende arbeid zijh, zoovele Do: risehe, Phrygisch©, Mixolydische, enzl. voorspellen te schrijven, en wanneer mij dit al had mogen geluldcen, vrees ik toch, dat mijh vriend de uitg'ever in het bezit der meeste exemplaren van dit werk zou blijven."

Intusscihen: vrijheid blijheid. Mits wie deze' toonaarden geregeld wil gebruiken, he^t dan ook zoo goed doe als Besselaar en even knap is in de theorie en de practijk als hij. Dan heb ik er vrede mee. Anders niet — want ik heb tei veel schrikkelijke dingen op dit gebied moeten aanhooren...

Het derde punt ter behandeling is de harmonisatie in verband met de woorden. Ditmaal beho'ef ik het 'gescihrevene niet te herhalen, omdat uit de aanteekeningen van den heer Besselaar voldo'ende blijkt, waarover het hier gaat. Hij schrijft dan het volgende:

„Wat betreft die harmonisalie van de Psalm'en 25, 73, 68 en '47 het volgende:

Allereerst Ps. 25 vers 1 regel 5. Wat Dr de M. hier zegt is te gewild. Eene vloeiende, natuurlijke accoordopvolging is toch verre te verkiezen boven een eenigszins geforceerde zetting? Zoodra een gemeente er „toe te brengen" zou zijn om b.v. achter het woord „vreugd" door te zingen tot aan „opsporing", zou voor Dr de M.'s beweren om niet af te sluiten bij dien regel, iets'te zeggen zijn. Doch, dat „er toe brengen" zal wel tot de vrome wensr^hen behooren, te meer waar het bij andere \'erzpn van dien Psalm volstrekt uitgesloten is om bij liet eind van regel 5 door te zingen.

Daarenboven uit ©en oogpunt van melodi schiet structuur vormt regel 5 van Psalm 25 één melodisch geheel, gebouwd op in hoofdzaak I, IV, I; dus verwacht men zeer zeker eene afsluiting en dan voor alle verzen.

Men lette vooral niet uitsluitend op den tekst, maar houde ook wel degelijk rekening mst melodiebouw.

Dan. Psalm 73. Waarom gesproken van taajd|ir en mineur? Dat is toch heel en al abuis. Mén speelt Psalmen in de oude fcerktoonsoorten! En dan dat gewilde pogen om er nog maar inéér in té leggen! Een Psalm met zijn begeleiding (harmonisa-" tie) is geen „karakterstuk", maar behoort te zijn eenvoudig en waardig. Alles te harmöniseeren in verband met den tekst, lijkt mij uiterst gevaarlijk. Er zijn toch Psalmen, waarbij de begeleiding (harmonie) dan heel bedenkelijk zou word< *ii.

Waarom klinkt de dominant als slotaccoord in. den voorlaatsten regel van Psalm 68:10 „afschuwelijk" ?

Een dominantaccoord is toch een van de aller-

voornaamste acicocffden bijl ons oude ikerktoonsöorten-systeem? En waarom dat verschil in accoordopvolging van Psalm 47, 6© r^el, vers 4 en 1? , Van dal „wormyormig aanÜangsel, dat geoipereerd werd, op sterk water den volke wordt vertoond", kan ik niets bespeuren."

Het verscbil van m'eening is hier zfeer begrij'pelijk. Wie als de heer Bessielaar alleen van de oude toonaarden wil weten, die moet wel zoo sch'rij'ven als hij deed en dien moeten mijn adviezen wel een gruwel zijn. Even verklaarbaar is het, dat juist in dit opzicht menig organisl: ij, bedankte voor 'den sjoeden raad en hartelijke instiemming m'et mijh wenken betuigde. Misschiiein ligt de waarheid in hei midden, en is de hoer Besselaar te streng-klassiek, terwijl ik te modem beli. Ik heb graag, dat de harmonie zï> o nauw mogelijk aansluit bij de woorden, waardoor vanzelf groöfce variatie moet toegelaten worden. Dat dientengevolge het spel niet meer eenvoudig en waardig zou zijn, kan ik niet inzien. Een dominantaciooord bij' den voorlaatsten regel van Psalm 68:10 vind ik „afschuwelijk", omdat het de gedachte geeft van iets afgeslotens, terwijl die volkomen in strijd is mtet de woorden; wie daar den dominant neemt iaat — voor mijn grevoel — den laatsten regel achteriaanhinken, 'die juist op een triomfwagen moiet rijden. Eenzelfde geval is het mfet Psalm 47:1 en 4, waarover ik in mijin artikel van 24 Juni reeds het noodige z'eide. — Doch wie alleen van de oude toonaarden wil weten, kan dezen kant natuurlijk niet uit en moet het spreken van majeur en mineur zelfs „abuis" vinden; wat ik desondanks m'et een onbezwaard igemoed blijf doen.

Van den heer Besselaar ndemJ ik hiermfede afscheid, met volle waardeering voor zijn inzichte'n, dankbaar voor zijh schrijven, en verzekerd isrvan, dat we even goede vrienden blijVen al gun ik mij' de vrijheid, enkele dingen anders te denlcen en te gevoelen dan hij'.

Ten slotte dan nog iets over het laatste punt, waairover een paar organisten mij' een vraag deden; n.l. het spelen van punten en komma's. Ik schreef:

Punten en komma's spelen lijkt me verkeerd, omdat het met bet karakter dör melodie in strijd is. Wel zal m'en acht eropi moeten geven, nieit het minst in de keuze der accoorden, zooials' ik boven aangaf.

Nu vroeg men mij, of ik geen uitzönderingien op dezen regel toeliet. Enkelen overdrijyen geweldig, m: ar in somtalge Psalmen mocht het toch wel, b.v. Psalm 27:7 laatste regel; Psalm 68:10, idem'; Psalm, 79:7, 2e en 4e regel.

Ook merkt een ander — die het overigens wel met me eens was — op, dat over het algiem'een de muzikale ontwikkeling der gem'eenteteden zieer laag staat en daarom het toch wel wenschelijk is, op deze manier daaraan tegemoet te komen, wat met soortgelijke voorbeelden mij werd aangetoond. Dat kan toch wel zonder het karakter der mielodio te verloodhenen en al warö dit ©en enkele maal zioo, dan zou het nog noodig kunnen zijn ter wille van de woorden.

Mijn antwoord kan kort zijn. Boven aangehaalde uitspraak komt voor aan het einde van mijn laaitste artikel. Dit was m.i. reeds te lang geworden — niet op zichzelf, maar om de geringe belangstelling, die ik vooi-zulke lectuur verwacht —, en daarom haastte ik naar het einde. Zoo klink't deae uitspraak wat forscher dan ze bedoeld was. Ik dacht aan het spel van organisten, die doen alsof ^e miet een lat op de schoolbank biji het klassikaal leesonderwijs de teekens slaan. Dat vind ik een verschrikkelijk gehoor. Doch met mate ze aan te geven vind ik heel goed. Men kan m. i. dan het best kool en geit sparen door de rechterhand even los te laten, maar met linkerhand en voet door te spelen. Er blijifl: dan toch een doorgaande ondergrond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1922

De Reformatie | 6 Pagina's

HET GEZANG DER GEMEENTE.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1922

De Reformatie | 6 Pagina's

PDF Bekijken