Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KUYPER-BIBLIOGRAFIE.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KUYPER-BIBLIOGRAFIE.

10 minuten leestijd

XLI.

door J. C. RULLMANN.

Door de corypheën der moderne richting werd Dr Kuyper's Fata Morgana destijds lïist iioongelach begroet.

De ex-predikant Cd Busken Rr.et s.^lirocf er in De Gids nog het meest waardeerend'over:

Er behoort in een tijd als den tegenwoordigen vrij wat igeestlvrachl en opgewektheid toe, om met aooveel Vuur, als de heer Kuyper dit doet, voor het oude geloof ia de bres te springen.

Uit de jongste geschriften van den heer Groen van Prinsterer weet men, dat Dr Kuyper een der antirevolutionaire kandidaten voor de TweedelKamer is; uit de statistiek der verkiezingen, in Junij 1871, dat hij in meer dan één distrikt voor die betreldcing in aanmerking' is gekomen; uit de Heraut, dat hij met de hoofdredaktie van dit weldra in een dagblad herschapen kerkelijk weekblad zich belast heeft; üit de lijst der predikbeurten te Amsterdam, dat hij daar ter stede als leeraar bij de Hervormden dienst doet.

Wie echter meent, dat zijne voorlezing het werk van een staatkundig ijveraar, een kerkelijk demagoog, een geijkt hoofdartikel-schrijver is, vergist zich. Ofschoon rijkelijk gekruid met theologische termen, gelijk het onderwerp dit medebragt, komt er in het boekje geen eigen schuld-of geloofsbelijdenis voor; 'geen dier pijnlijke bladzijden waar' men de openbare markt als biechtvertrek ziet gebruiken, en de geheimste verborgenheden van leven of gemoed hoort uitmeteti ten aanhoore eener gapende menigte. Het is, in den goeden , zin des woords een wereldsch geschrift, van het begin tot het einde gewijd aan de kritiek van een door den schrijver misprezen verschijnsel op geestelijk gebied, doch waarin men tevens van de eerste tot de laatste bladzijde, zoo niet het hart, dan toch "de geestdrift voelt kloppen van iemand, die blaakt van ingenomenheid met de pjotestantsche orthodoxie van den nieuweren tijd.

Had, met dat al, in .zijne beoordeeling van hetgeen hij „het modernisme" noemt, evenals men izulks bij hem behoort te doen, de heer Kuyper onderscheiden tusschen wetenschap en durven, tusschen studie en .zedelijken moed, hij zou tot andere resultaten gekomen eiijn en zijne lezing vermoedelijk , niet hebben laten drukken. Nu hij de moderne theologie als kerkelijk verschijnsel voortdurend met de wetenschappelijke rigting van dien naam verwisselt; hij' zeil onophoudelijk een anderen Saber voor eene andere Fata Morgana in de plaats stelt, ; nu , imist zijin betoog de eigenaardige kracht, waaraan ook oningewijden gevoelen, dat iemand het regt en de waarheid aan zijne zijde heeft. L i 11. E' a n t. e n K r i t., Deel XV, blz. 162—170.

Erger maakte het Dr G. van Gorkuni, de man, die in Los en Vast telkens met handigen zwier en geharnaste vaardigheid den 'iandschoen opnam, door de tegenstanders der moderne richtvng in Jiet strijdperk geworpen. Hij nam in dat tij'dsohrift ook Dr Kuyper's „Fata Morgana" onderhand DJ, en be. schuldigde hem van oppervlakkighMd, . cnMllijklieid en onwaarheid.

De inleiding van zijn recensie, die ruim. ICO bladzijden telt (Los en Vast, 1871, blz. 293 en 39ó) zegt over den persoon van Dr Kuyper liet volgende:

Van Dr K'uyper in 't bijzonder geldt dat hij, als woordvoerder der orthodoxie te on, zent, een zeer geïsoleerde positie inneemt. Met beslisten afkeer van alle fusie der verschillende fracties is hij vooralsnog, om zoo te zeggen, een fractie op zichzelf, en wel zulk een, die er prijs op stelt, en ook slag van heeft, haar quan t-a-m oi. met bijkans preciese zorgvuldigheid te bewaren. In het algemeen verbond der supranatuxalisten tegen den gemeenöchappelij'ken vijand heeft hij, meer dan één der geallieerden, zijn bepaalde reserves, zoozeer zelfs, dat hij in het oog van dezen gedurig een soort van spelbreker dreigt te worden, of, om bij het beeld te blijven, een bondgenoot, aan wien men eigenlijk meer last beleeft dan genoegen. Inderdaad izoekt de heer Kuyper, op nagenoeg dezelfde eigenaardige manier als Groen van Prinsterer, zijn kracht in zeker isolement, en ik houd het er voor, dat deze 'hijzonderheid niet weinig heeft meegewerkt om binnen luttel tijds zijn naam op veler tong te brengen.

Ook in de lezing over (of tegen) „het modernisme" komt gezegde eigenaardigheid van den heer Kuyper niet onduidelijk aan den dag. Immers, hoewel die .lezing, geüjk ons nader blijken zal, zeer weinig of niets, tegen de bestreden richting aanvoert, wat niet al minstens honderdmaal was gezegd —, geeft toch 'de auteur schier doorloopend den indruk als ware er in den lande, om zoo te spreken, van de moderne theologie nog niet gelakt en als achtte hij 't hoog tijd dat eindelijk met haar werd afgerekend. Zulk een houding is, zoo gij wilt, de schaduwzij van zeker isolement. Ook zou zijl al te na'ief zijn bijaldien; , , ze niet wat anders ware. Doch ze geeft niettemin een prestige van oorspronkelijke kracht, een voorkomen van zelfstandig'heid en zelfvertrouwen, waardoor aan sommige volksleiders in soromige kringen reeds dadelijk geen klein succes wordt verzekerd. Hiermee wil ik geenszins ontkend hebben, dat er wezenlijke kracht en zelfvertrouwen in den auteur der „fata morgana" zouden schuilen. Ik geloof aan zijn kracht en ben ten volle verzekerd van zijn vrijmoedigheid. Wat de laatste betreft, zoo iemand imij kwam zeggen, dat Dr Kuypers vrijmoedigheid alleen geëvenaard wordt door 's mans belezenheid, ik zou het wel niet toestemmen, doch verbaasd worden door aulk eene verklaring zou ik evenmin. De zaak is, dat wie zich in onzen tij'd met schijnbaar semietische onverzettelijkheid van het grooter deel der menschen, zelfs van zijn naastbestaanden in de geestelijke maagschap, isoleert, dus doende ook onwillekeurig poseert en daardoor alleen reeds bij menigeen imponeert.

In de Vox Studiosorum, het studencen-üjdschrift, kon men daarna lezen, dat Dr van Gorkum, ook blijkens zijn kritiek op Kuyper's „Fat3 Morgana", lust heeft in „krabben en bijten en snijden en doorsnijden". Zelf las Dr Kuypsr "an Gorkum^s invective niet. En hij gaf daarvan in Confident i e, blz. 18, aldus rekenschap :

Komt er iets tegen mij uit, dan, hoor ik eerst van anderen, Uit wat hoek de wind waait, . en izqggen mij dan, gelijk in het onderhavig geval, modernen en orthodoxen beiden, dat de uitval tegen alle ridderlijke costumen zondigt, dan stel ik !mij niet-lezen tot plicht. Ik ken mijn hart. Ik weet, dat het zaad der bitterheid ook in den bodem mijner ziel een akker viadt, die goede vracht belooft, en ik acht dat niemand met een vrij geweten bidden mag: Heerl leid mij niet in verzoeking! —

die de zelfbeheerschiag irüst om het gif van zulk een geschrijf onaangeroerd te laten. Ik heb dit den heer Van Gork'um izelven gezetgd. Gij begrijpt hieriuit tevens, waarom ik geen anti-kritiek gaf.

Verder verscheen nog een brociiiire: Het Modernisme, een Fata Morgana op christclijk gebied. Lezing van Dr A. Kuyper, beoordeeld door H. Uden Masman Jr. te Groningen, bij Van Bolhuis Hoitsm!a, 18 72. Daarin wordt Dr Kuyper .'enoemd „onze Amsterdamsche doodbidder", die der wereld het overlijdensbericht van het Modernisme v-Pi-kondigde. • Voorts worden hem hier de lieflijkö scheldwoorden: ' „hoogmoedig, pedant, waanzinnig en ver.riu.nnjaiied" naar het hoofd geslingerd. Openlijk woirdt hier geschreven, , , dat alle gevoel voor waarheid in Jaem is weggestorven"; een hem heilige overtaigiirgwo^rdt hier „een breiberg (sic!) van kerkelijke rephtTJnnigheid" genoemd; van de gewesten der zaligheid wordt hem toegeduwd, „dat oiok dap.r niisschtan kans voor hem is op een komm'andostif'; hij wordt beschuldigd - van „Jezuïtisme", on zelfs'wordt het publiek, dat bij hem ter kerke gaat^ om hun gemis aan aardsche schat beschimpt.

Dr Kuyper vestigde in het Zondagsblad van De Standaard van 1 April 1872 da aandacht op dit vlugschrift, en vroeg of de plaf-e, bcortige stijl, waarin de heiligste dingen hier hespf.iken werden, niet tegen het karakter van heel het Loekske peitte.

Wat ons, in deze brochure het moest trof. is de triomfantelijke uitroep op blz 49, dal Kuenen's kritiek over het Oude Testament nog zou leven, als Dr Kuyper's naam 'teeds lang vergeten is.

Hoe heeft de geschiedenis deze profelie van Uden Masman gelogenstraft. De resultaten van Kuenen's kritiek op het Oude Testament zijn door de onderzoekingen van Eerdmans alweer verouderd, terwijl Dr Kuyper zich in de wereldgeschiedenis onsterfelijken roem heeft verworven.

En ook wat de hoofdgedachte van zijn lezing oyer bet Modernisme aangaat, 'heeft de geschiedenis hem in het gelijk gesteld.

Reeds in Confidentie, 1873, blz 20 kon hij schrijven:

En nu, mijn Fata M o r ig, a n a, leg deze lezing eens naast het laatste werk van Strausz, . zoo ge het in eigendom bezit, op Uw schrijfbureau, en izeg mij of zich pijnlijker bevestiging van mijn aanklacht tegenover onze moderne tegenstanders denken laat?

In later dagen heeft Dr Kuyper roor het Modernisme wel eens minder fraaie beelJeA gebruikt dan dat van de i, , Fata Morgana"." Zoo twieiade hij het" in De Standaard (Jimi 1903) „een uitgeknepen citroenschil, waar geen dnipD.el meer uitkomt". En in De Heraut van 11 Norember 1900 sprak hij van „een geestelijk bankroet, zooals ïiet bij geen .andere richting zijn wesrga - windl. Een weggestorven zijn bij Jevenden lijve".

Toen in 'n volgend nr van De Heraut, 9 Dec. 1900, de Hoornsche Predikantenvergadering tegen deze voorstelling opkwam, antwoordd< ^ Dr Kuyper:

Dat de moderne levensbeschouwing een toekomst had, is nooit door ons betwist. Ook niet in Fata . M o r , gl a n a. Maar wel, 'dat de moderne richting als kerkelijke, als godsdienstige .zienswijze gedaan Ko'u Itrijgen. En dit nu blijft zoo, ook na wat de heeren te Hoorn over de galvaniseeririig, KOO faiogelijk, van bun doode hebben geredekaveld. Als kerkelijke, als de godsdienstige behoefte bevredigende richting is het Modernisme gekomen.... en gaan.

Reeds eerder, 5 Méi 189-5, had hij dan ook iu De Heraut geschreven naar aanleidin, ^ van de erkentenis op de Moderne Theologen-vcrgad(iriag, dat een Moderne geen theoTogio meer had:

Metterdaad, de Moderne theolog!ie is ondergegaan, en daarentegen is uit de Nachtschool de Calvinistische theologie weer aan het opkomen.

Dat bet nu hiertoe komen moest, lag ïn den aard der .zaak. Theologie onderstelt een bijzondere openbaxiiig', en waar deze bijzondere openbaring geloochend wordt, smelt de pbilosophie ze in haar smeltkroes op.

Desweg, e.was de Moderne theoloigie sterk, zoolang ize afbrak wat stond, maar werd klein en bleek ze met volkomen machteloosheid geslagen, zoodra ze izelf aan het bouwen begon.

In 1869 (lees 1871) kwam er een lezing uit met den titel: De Moderne Theolofefie een Fata Morgana.

Tegen die lezing kwam men destijds als in een storm op; .

Thans, vijf en twintig jaren later, geven de Moderne theologen op deze lezing de ongevraagde , commentaar.

En — last not least! — in zijn jongste boek ovei Het Modernisme in Nederland, spreekt ook Prol. Dr K. H. Roessiagh van de te. leurstelling, die er omstreeks 1870 vuor het Modernisme kwam.

Het Modernisme in Nederland heeft niet bereikt, wat bet .zich' in 1860 voorstelde. Het was in één van .zijn belangrijkste takken van arbeid, in zyn theologisch werk, .failliet verklaard; de grootsche taak der verzoening van Christendom en cultuur, heette op dit punt, in de wijsgeerige geloofsleer, imislukt; t. a. p. blz. 145, 151, 178, 238, 240.

De ernstig, 'e poging, door de eerste generatie der Imoderne theologen in bet werk gesteld, om eene synthese te scheppen tusschen wat zij onder Christendom verstonden en het wetenschappelijk denken van den nieuweren tijd, het streven naar „wetenschappelijk" gerechtvaardigd geloof was spaak geloopen, gelijk het spaak moest loopen. Roessingh, De Moderne Theologie in Nederland, bi.z.. 2 en 204.

Dr Kuyper's voorlezing over het Modernisme, was ook het eerste geschrift, dat van, hem in het Dnitsch vertaald werd. In October 1872 verscheen: Die moderne Theologie (der Modernis. mus), eine F.ata Morgana auf cixristlichen G e b i e t. A u s d e m lï o U a n a i s c h e n übersetzt als Gegenstück zu unsern Schweizerischen Zustanden. Mit einem Vorwort van Prof, Dr C. Joh. Rigg en bach. Züricih, 2 Höhr, 1872.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1922

De Reformatie | 4 Pagina's

KUYPER-BIBLIOGRAFIE.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1922

De Reformatie | 4 Pagina's

PDF Bekijken