Bekijk het origineel

DE CHRISTELIJKE VRIJHEID.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DE CHRISTELIJKE VRIJHEID.

13 minuten leestijd

V.

De christelijke vrijheid in de praktijk.

In het eerste artikel is een nadere verklaring van de keuze van dit onderwerp gegeven. Het is niet ongewenscht, dat wij tegenover de valsche vrijheid ons rekenschap geven van de waarachtige vrijheid, terwijl de aanraldng met de ideëele en materieele cultuur ons tot nadere formuleering dwingt. In het tweede artikel is uiteengezet, wat wij onder vrijheid hebben te verstaan, en gewezen op het verschil tusschen de formeele en materieele wilsvrijheid van den mensch. Deze laatste, waarover het hier eigenlijk gaat, is de bekwaamheid tot alle I goed en de geneigdheid om Gods wil te doen. Het derde artikel loopt hierover, dat de materieele wilsvrijheid door de zonde verloren is gegaan, maar door Cluistus wordt hersteld, HiJ maakt ons vrij van de wet, d.i. van haar vloek en verdoemende kracht, van de ceremoniën der oude bedeeling, en van het wetticisme van den farizeër. Deze vrijheid houdt levens in, dat de Christen opnieuw, maar nu als kind aan de geboden van zijn vader, aan de wet gebonden is. En eindelijk is in het verdere artilcel aangetoond, dat deze vrijheid, d.i. de gebondenheid aan Gods wet, vastligt in de consciëntie, die verzoend moet worden door den Heiligen Geest, die' gebonden is aan 's Heeren Woord, die echter voor dwaling nog vatbaar is, en die door geen kerkelijk noch maatschappelijk gezag mag worden gebonden.

De christehjke vrijheid is, een geestelijlke vrijheid.

Zij is de vrijheid in Christus Jezus onzen Heere, en dit karakter van onze vrijheid mag wel met nadruk op den voorgrond worden geschoven. Want er wordt van de christelijke vrijheid zooveel misbruik gepleegd. In haar naam verdedigt men een levenspraktijk, die verre is van het ideaal der Schrift. Met een beroep op' haar duldt men verflauwing van grenzen, die niet mogen verawakt of verwijd. Om zoogenaamd haar te handhaven, eischt men het recht op om het christelijk leven zoo ruim en vaag mogelijk te maken, eii vooral in deze tijden van relativisme en verslapping ontziet men zich niet allerlei „ruimheid vaji opvatting" en „wijdheid van blik", en „losheid'' van wandel voor te stellen als uitingen van de waarachtige vrijheid van den christen. Doch wie haar zoo exploiteert, is èf geheel vreemd aan haar wezen, en praat als een blinde over de kleuren, óf misbruikt haar op een wijze, die een gruwel is voor God. De vrijheid, die Hij ons gaf, is geheel anders dan de vrijheidszucht en losbandigheid van dezen tijd wil. Zij is gebondenheid aan Christus. Zij is gehoorzaamheid aan Hem. Zij' is de band van den verloste aan zijn Heer en Koning, en hoe dichter wij bij Jezus, leven, hoe nauwer wij aan Hem verbonden zijn, hoe meer wij' Hem volgen en achter Hem ons kruis - dragen, hoe grooter . en blijder onze ttoristelijke vrijheid is. iZij wordt niet ver van, maar dicht bij Hem gevonden. Zij is niet het deel van hen, die altijd doen, wat zij zelf graag willen, doch van hen, die geleerd hebben te vragen: eere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? en de taal der waarachtige vrijheid is de psalmtoon': ch Heere! zekerlijk, ik ben Uw knecht, ik ben 'Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt Mijn banden losgemaakt (Psalm 116:16).

Dit nu beheersche de praktijb' der vrijheid.

Wie dit beginsel in het oog houdt, ziet ail heel spoedig het terrein der praiotische toepassing voor zich, en verstaat ook de drie stukken, die Cal-' vijn in de christelijke vrijheid heeft onderscheiden. Het eerste is volgens hem dit, dat de oonscientiën der geloovigen, van de wet zidh vrij gevoelende, en boven de wet, zich verheffende, op Christus moeten zien, en door de liefde tot Hem gedrongen worden tot heiligmaking. Het tweede komt hierop neer, dat die heiligmaking niet gedwongen, maar uit vrijwillige vanzelfheid moet betracht, en Gods kinderen blijmoedig en zonder vreeze, gewillig en vertrouwend den weg der gehoorzaamheid zullen loopen. Zij leveren geen knech'tswerk maar kinderwerk. En eindelijk geldt die verbintenis in de consciëntie alleen die dingen, die uit Gods Woord voortvloeien, maar niet alle middelmatige zaken, waarva.n het geoorloofde en niet-geoorloofde geen goddelijke ordinantie is, en dus de vrijheid niet door een bevel des Heeren in een bepaalde richting wordt gestuurd.

Dit brengt ons als vanzelf tot de praktijk. Hierbij kunnen alleen d'e 'groote lijnen ter sprake komen.

Wie meenen zou, dat tot in de kleinste bijzonderheden de vrijheid kan worden bepaald, vergist zich deerlijk, en wie in deze artikelen zulk een uiteenzetting verwacht, zij terstond gewaarschuwd, dat z'n hoop ijdel is. Het is mij' alleen te doen om op enkele hoofdgedachten de aandacht te vestigen, en dan is de eerste deze, dat wij met Cal vijn moeten ondV-scheiden tusschen het door Gods Woord uitdrukkelijk gebodene of verbodene, èn de middelmatige zaken, die uit jhaar aard zedelijk onverschillig zijn. Met het eerste zijn we spoedig klaar. Daarin beslist de Heilige Scihrift, en als deze gesproken heeft, hebben iwij slechts te zwijgen en te volgen. Maar dé moeilijkheid komt bij de afgeleide beginselen, en bij al die middelmatigheden, waarin de christen vrij is ze te gebruiken of niet. Daarvoor is geen onfeilbare regel aangegeven. Ten opzichte van dezie dingen kennen wij als protestantsche christenen ook geen hiërarchisch bevel, en daarin moet dus beslissen de consciëntie va.n den enkeling. Nu is deze beslissing niet zoo. moeilijk in al die gevallen, die geheel in de neutrale zone liggen, omdat daarover niet licht geschil zal rijzen. Maar de zwarigheden komen, .wanneer wij te doen hebben met secundaire beginselen, en met al die handelingen, welke niet in Gods Woord genoemd worden, en toch indirect door een der geboden des Heeren beheerscht worden. Hoe moet dan, en ik denld b.v. aan de verschillende sabbatspraktijk'en, onze gedraging zijn? Hoever gaat dan de christelijke vrijheid? Wat is dan geoorloofd of niet geoorloofd? JVEag dan door den eenen christen aan den anderen een last worden opgelegd?

Op deze vragen is-het antwoord niet gemakkelijk.

Natuurlijk kan de opvatting van den een geen maatstaf zijn voor den ander.

Zelfs mag de algemeene opinie niet de öonscientie van den enkele dwingen.

Er is tusschen de geestesgesteldheden in de verschillende streken van ons land zooveel verschil van gevoelen, dat het niet aangaat te eischen, dat de een zich terstond schikkie naar de meeningen van de anderen, en hier moet zeer zéker de christelijke vrijheid nauwlettend bewaard blijlven. Doch men wake hierbij voor twee uitersten. In de eerste plaats zij men op z'n hoede voor het doopersohe standpunt der wereldmij ding, dat uitgaat vaa een verkeerd dualisme tusschen stof en geest en tot ideaal heeft een christen, die met een boekje in' een hoekje wegschuilt. Dat is de richting van het raak niet en smaak niet en roer niet aan. Zij acht het natuurlijk leven profaan; goede wereldliefde en genot van het aardsche zijn uit den booze; een christen moet singulier ziijn in alles, en hij léve hier gedurig onder het juk. Maar deze ascetische richting is niet naar de Schrift. iZij hiandelt ook niet naar het voorbeeld van Christus. Zij vergeet, dat God ons ook waardeering van het natuurlijke leven leert, en ons vermaant zelfs te eten en te drinken tot Zijn eer. Aafi de door de doopersche practijken vergedreven beknotting van de christelijke vrijheid doen wij dus niet mee, en wij gebruiken en genieten het aardsche, omdat de Heere dit ons schenkt. Echter, er is ook een overdrijving naar den anderen kant. Dat is de losbandighieid van hen, die naar Piaulus' woord de vrijheid misbruiken tot een oorzaak' van jhet vleesch (Gal. 6:13), en meenen, dat hun alles geoorloofd is. Zulke vrijbuiters zijn er door alle tijden heen geweest, en die libertijnsche vrijheidsopvatting wint tegenwoordig weer meer veld. Men vraagt om wijziging van „de christelijke zede". Men roept om „vrije" levensopvatting, en meer aanraking met de wereld. Men keert zich af van hen, die het nauw nemen, en van een puriteinsche levensopvatting wordt men hoe langer hoe meer wars. Ook die richting, die helaas ook in onze kringen indringt, doet de christelijke vrijheid onrecht a, an. En zij in nog sterkere mate dan devorige.. Want terwijl de eerste te veel vergeet, da.t wij in - de vrijheid moeten staan, waarmede Christus ons heeft vrijgemaakt, laat de laatste de gebondenheid aan Christus los, en dat is het begin van allerlei geestelijke en moreele inzinking.

Die beide uitersten moeten vermeden. En dan verder?

Laat ik bij dit punt de Schrift laten spreken.

Er zijn een tweetal h'oofdstuklcen, die voor 'ons onderwerp van belang zijn. Ik bedoel eerst Romeinen 14, waiarin de apostel spreekt over de verhouding van vrijheid en liefde. Hij begint, nadat hij in het - dertiende hoofdstuk heeft uiteengezet, dat de liefde is de vervulling der wet, en vermaand, dat de geloovigen het vleesch niet mogen verzorgen 'tot begeerlijkheden (13:14), te wijzen op-dit feit, dat er in de gemeente zwakken zijn in het geloof (vs 1). Daarmede bedoelt hij niet' geloovigen, welke nog niet ten volle verzekerd zijn, doch leden der gemeente, die de waaAeid: lle soheptsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijks, met dankzegging genomen zlij'nd e (1 Tim. 4:4) niet dan onder ernstig voorbehoud durven aanvaarden i). Zij zien overal zonde in. Zij stoeten zich overal aan, en die menschen nu, zegt de apostel moet men met liefde verdragen. Immers, er zijn twee richtingen in de gemeente. De een gelooft, dat een christen alle spijze eten mag, en de .ander, die Eaulus telkens de „z wakke" noemt, beperkt zich tot d'e moeAIruiden (vs 2), en nu moeten die beide partijen elkaar verdragen. De sterke verachte den zwakke niet, en de ziwakke, d.i. de bekrompene, veroordeele niet den vrijere (vs 3). Want God heeft ze beiden aangenomen, en zal voor hen zorgen. Hij vermag de zwakken sterk en vrij te maken, en de sterk'en te bewaren (vs 4), en zij moeten elkaar met rust laten. Dit licht de a.postel nog nader toe met een voorbeeld. Er is onderscheid in de waardeering van de z.g.n. sabbaten, d.i. van de joodsche feestdagen. Er is ook verschil ten opzichte vaa. de spijzen, en nu zij een ieder in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Het komt er op aan, dat wij alles ter eere Gods doen, en dat niemand zichzlelyen leeft, doch alleen Christus (vs 5 e.v.).

Daarom kan de apostel tot liefde aansporen.

„Laat ons, zoo roept hij uit, elkander niet meer oordeelen (vs 13).

Laat uw critiek op elkander vaaren.

Ziet eerder toe, dat gij geen aanstoot ergernis geeft (vs 13). of

En met deze woorden voert de alpiostel ons weer op een terrein, dat verre van gemakkelijk is, n.l. dat der ergernis. Wat is eigenlijk ergernis? Dit beteeként niet, dat wij iets doen, waarmede een ander zich niet vereënigen kan, zöoals veelal wordt gemeend. Ergernis is allerminst het gevoel van ontevredenheid, dat opkomt bij hen, die zien; dat anderen niet precies zoo spreken en leven

als zij, en nu gaarne zulk een gefcrenküeid met den ei-nstigen naam van ergernis betitelen. Neen, ergernis js na, a.r de oorspronkelijke beteekenis van het woord, het voor iemand erger maken; iemand een struikelblok, voor de voeten werpen, zoodat hij vaJt, en er oorzaak van wezen, dai iemand aan ons doen reden ontleent, om zelf op den verkeerden weg voort te gaan, of dien in te slaan. Dat is ergeren in zijn strikte beduidenis. Bezien wij nu in dat licht het apostolisch woord in Romeinen 14. I k weet en ben ver'zek.erd i'n den He er. e Jezus, zoo zegt hij, dat geen ding onrein is in z i ch z e 1 v e n (vs 14). Alle schepsel 'Gods is goed. De zonde schuilt niet in de stof. Maar als er nu een broeder is, die bedroefd wordt, om der spijze wil; dien wij tergen door voor zijn oogen spijzen te gebruiken, die zijn geweten hem verbiedt te nuttigen, dan gedragen wij ons in ons eten niet chiristelijk en liefdevol. En de gevolgen kunnen ontzettend zijn. Wij kvmnen dien broeder ergeren, ' het erger voor hem maken, v e r d e r v e n, zegt Paulus. Het is' mogelijk, dat onze tergende bandelwijze leidt tot verwijdering of verbittering, en zelfs tot een breuk met de gemeente, en tot afval, en zullen wij ' aan dit gevaar onzen broeder blootstellen? Moet onze vrijheid met zulke offers betaald worden? En dat terwille van de spijze? Laat toch uw goed, d.i. uw vïijheid, niet gelasterd worden. Het koninkrijk Gods beweegt zidh toch niet om de dingen van spijze en drank. Het bevat hoogere waarden^ en in plaats van onzen weg te gaan, zullen wij Christus in alles dienen, en najagen, wat tot den vrede en de stichting onder elkander 'dient, (vs 15—19).

Dat is het groote beginsel. Nu komt de toepassing.

Alle dingen zijn wel rein, maar - biet is kwaad den men se h, die met aanstoot e e t. (vs 20). Daartoe geve men geen aanleiding. Men zou anders het zijne doen, om Gods werk te verbreken, en daarom: et is goed, d.i. het staat schoon, geen vleesch te eten noch w ij n te drinken, noch iets, waar a a n u w broeder zich stoot, of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is (vs 21). Zeker, dat, is een offer, d, at de vrijheid brengt. Dat is een zelfbeperking, die wij onszelf opleggen, maar schooner offer dan aan de liefde is er niet, en • dit is de offerande van de vrijheid aan de liefde. Vermijd dan alles, waaraan de broeder zich stoot, of waardoor het voor hem erger wordt. Want hebt gij geloof? laat het u genoeg zijn, dat geloof, n.l. de overtuiging, dat alle sohepsel Gods goed is, zelf te bezitten, en dring het een ander niet op. La, a, t het blijven tusschen God en u (vs 22). Maar die twijfelt, d.i. wie iets eet, en intusschen twijfelt, of hij het wel eten mag, doet zonde. iZijn eigen geweten veroordeelt hem. Want al wat uit het geloof niet is, dat is zonde (vs 23). Dien tekst mogen wij niet in het algemeen opvatten. Hier wordt geen algemeene uitspraak over het geloof gedaan. Hier is bedoeld een bepaald geloof, n.l. de bepaalde overtuiging omtrent 'het al of niet geoorloofde van spijzen etci. — en wat niet gedaan wordt in innerlijke overtuiging des harten, zoo 'bedoelt de apostel, dat geoorloofd is, wat nien doet, is zonde. Welnu uit dit alles volgt, dat wij, die sterk zijn, schuldig zijn de zwakheden der .onsterlcen te dragen, en niet ons zelven te be h'a gen. Dat dan een i egelij k, v a n ons zij n naaste b ehag e ten goede, tot stichting (15:1, 2).

Over 1 Cor. 8—10 hoop ik een volgende maal te spreken.


1) J. V. Andel, Paulus' brief aan de Romeinen, bïz. 263.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1923

De Reformatie | 8 Pagina's

DE CHRISTELIJKE VRIJHEID.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1923

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken