Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Maar Jona ... Maar de Heere.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Maar Jona ... Maar de Heere.

6 minuten leestijd

Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelve, om met hen te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren.

Maar de Heere wierp een grooten wind op de zee, en daar werd een groote storm in de zee, zoodat het schip dacht te breken. Jona 1:3, 4.

Gij kent allen uw „maars", die ge tegen den Heere inbrengt. Niemand van ons keurt alle wegen Gods goed, en onderwerpt zich; terstond aan de majesteit van Zijn wil, maar we hebben fillen onze bedenkingen en vragen, onze voorwaarden en reserves, en er is zoo bedroevend veel onwilligheid in uw en mijn hart, om onvoorvvaar-' delijk voor den Heere te buigen.

Dien onwil ziet ge zeer scherp in Jona.

Hij moet naar het bevel Gods op' reis naar Ninevé, om tegen deze groote en zondige wereldstad te prediken, maar de zoon van Amittaï heeft er geen zin in. Hij voelt er niets voor om den ; heiden 's Heeren Woord te brengen. Dat woord is voor die piaganisten in Assyrië veel te goed. Wat beweegt den Heere toch om Ninevé nog te waarschuwen, want hij gevoeit • wel, • dlat-Gods barmhartigheden toch roemen tegen het oordeel, en deze groote stad ten leste zullen spiaren, era daaraan verkiest hij niet mede te werken.

Assyrië is immers het opkomend wereldrijk. Straks zal het Efraim nog verpletteren.

En.... Ninevé is een heidensche stad, en dien heiden, een vijand van Israël, gunt hij in Farizeesche enghaxtigheid 's Heeren ontferming niet, en hij waagt het bevel van zijn God te ontloopen.

Dat is Jona's maar.

Zijn hoek toekent ons ^dit treffend.

Eerst leest ge: „en het woord des Heeren geschiedde tot Jona", en dan: „maar Jona", en ge voelt in dit maar de weerstreving van ons zondig hart, dat toestemt, zoolang Gods weg samen-i valt met onzen weg, maar met „maars" en; „waaroms" komt, wanneer de wil des Heeren onze werken en meeningen kruist.

Ge kunt het met uw „maars" soms ver brengen.

Het kan u in een weg van weerspannighjeidj dikwerf bijzonder meeloopen, want als ge Jona) op zijn vlucht volgt, verwondert ge u er over, dat hem alles zoo voor den wind gaat. Hij vindt te Joppe spoedig een schip gereed. Dat schip] ligt klaar om uit te zeilen. Het zal, en welk een uitkomst voor dezen dienstweigeraar, koers zetten naar het-verre Tarsen in Spanje, dlat ver genoeg van Ninevé verwijderd is. Er is op de boot ook terstond voor hem plaats. Hij heeft geld genoeg bij zich om de vracht te betalen. Hij kan zicö onmiddellijk inschepien, en weldra ziet hij de kusten van zijn vaderland in höt oosten langzamerhand wegschemeren.

Is zijn weg niet voorspoedig?

Wat gaat alles vlug en prachtig!

Ge voelt den vluggen gang, als ge vers 3 leest. Alle dingen volgen precies en snel op elkaiar. Het is alsof God de reis voor Jona heeft klaar gemaakt, en het zou geen wonder zijn, indien de ontrouwe profeet uit dit gunstig verloop de conclusie getroldien had, dat zijn vlucht npg zoo verkeerd niet wa.s, en de Heere Zijn bevel niet in dien scherpen zin bedoeld had.

Die gevolgtrekking maken wij zoo dikwijls.

Wij meenen keer op k'eer, dat, wanneer God ons aanvankelijk zegen schenkt, en welvaart geeft, en ons pad voorspoedig maakt, en het ons in de wereld meeloopt^ onze weg wel Zijn weg zal wezen, en menigeen heeft zijn onwil en ongehoorzaamheid en eigenzinnigheid goed gepraat, met te roemen op de voorrechten, die de Heere schenkt.

Maar .... ge vergist u in iiw „maars" altijd. Ge brengt het met al uw eigenwilligheid nimmer ver.

Want onze 'God kent oo'k Zijn heilige „maars", en die bedenkingen gaan lijnrecht tegen uw verzet en uw wegen en uw voorspoed en uw conclusies in. Wilt gij zulk een heilig „maar" des Heeren aanschouwen? Lees dan vers 4: Maar de Heere wierp een grooten wind op de zee, en in dien stormwind ziet ge, hoe God Zich tegen Jona verzet, en zijn weg kruist, en zijn vlucht verhindert, en ondanks alle worstelingen van den eigenzinniger! mensch toch Zijn doel bereikt.

Wat is dit „maar" des Heeren machtig. Hij werpt een grooten wind op de zee. Die storm komt niet uit de natuur voort.

Maar God opent de schatkameren der stormen, en Hij stort een storm op de golven uit, en Hij brengt de wateren in beroering, en Plij doet dit om Zijn knecht tegen te komen. De schepping moet Hem dienen om Zijn profeet te tuchtigen, en Jona toch naar Ninevé te brengen, en als God den storm ontketent, wie zal dien 'k'eeren? Als de Heere Zich tegen uw weg stelt, wie za; l dan verder gaan? i Als Hij komt met Zijn , , maar" en met Zijn goddelijke tegenwerldng, wie bestaat dan voor Hem? Hiemand.

Jona niet.

Gij ook niet, en waal? ! daarom voor uw ziel. Meen toch niet, dat gij het in uw eigen gekozen weg ver brengt, en dat gij met uw weerstreving ten leste wel den strijd wint, en trek uit uw aanvankelijk succes niet de gevolgtrekking, dat het gelijk en het recht aan uw klant is. Dat is altoos lïij 'God. Ook ; al begrijpt gijl er niets van. En Hij vindt u. Gij kunt Hem niet ontloopen. Gij kunt Hem niet keeren. Gij 'kunt Hem niet weerstreven. Als het moet staat alles Hem ten dienste om u te brengen, waar Hij u hebben wil.

Laat dan uw „maars" varen.

Leg in Gods kracht uw • bedenkingen het zwijgen op.

Worstel om uw onwil te overwinnen.

Zet uw treden in 's Heeren spoor, want blijft ge aan uw „maars" volhouden, dan komt Hij u eenmaal met Zijn eeuwig , , maar" tegen, en dan zal Hij nog andere oordeelen over u uitstorten, dan stormen op zee.

Doch wil uw ziel stil zijn in den Heere? Begeert zij te zwijgen voor Hem?

Onderwerpt zij zich aaaa Zijn bestel, dan kruist uw God uw zonden en het oordeel, dat gij verdiend hebt, met het „maar" Zijner barmhartigheden in Christus, en al is het dan dat gij moet belijden; Zoo Gij Heere de ongerechtigheden gadeslaat, Heere wie zal bestaan? gij kunt jubelen: maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1923

De Reformatie | 8 Pagina's

Maar Jona ... Maar de Heere.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1923

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken