Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pers-stemmen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pers-stemmen.

8 minuten leestijd

Inzake de gezangenkwestie in Amerika dezelfde argumenten als bij ons.

Reeds eer vroegen we voor de Gezangenkwestie in Amerika de aandacht.

Ds Keegstra zette zijn artikelen daarover in „De Wachter" voort.

Men zou hem kunnen indeelen bij de „gematigden".

Toch is hij voor de vermeerdering of toevoeging van eenige gezangen.

Interessant is het, de praktische bezwaren te vernemen, welke in onze zusterkerk over den oceaan tegen de uitbreiding der gezangen worden ingebracht en welke Ds K. in een vierde artikel bespreekt.

Is het niet: tont comme cihez noius, precies als bij ons ?

De bezwaren, die er gewoonlijk tegeïi het invoeren van meer gezangen worden ingebracht, zijn vanpractischen aard. We beweren daarmee volstrekt niet, daf ze geen gTOole beteekenis hebben. In ons voorgaand artikel laebben we liet belang dier bezwaren, dunkt on.s, behoorlijk naar voren gebracht. Maar met al hun gewiclit zijn ze toch geen beginselbezwaren. In het debat, dat er wel zal komen, moeten we ze niet tot dien rang verheffen.

Ook mag hierbij niet vergeten worden, dat ook de andere zijde met practische overwegingen en geenszins met fundamenteele beginselen werkt. Te willen beweren, dat er aan den eisch der Heilige Schrift, of aan de beginselen van onzen eeredienst te kort gedaan wordt, zoo lang er in onze godsdienstoefeningen niet anders dan psalmen worden gezongen, ware overdrijving.

Lang niet alle begeerten naar meer gezangen zouden we vervuld wenschen te zien.

Bijvoorbeeld alle die berusten op minachting van de waarde en gepastheid der psalmen, behooren niet in aanmerking te worden genomen. Als sommigen, bijvoorbeeld, den inhoud der psalmen en den inhoud der verschillende h y m n s en g o s p e 1 songs met elkan-, der vergelijken en dan durven beweren, dat de hymns zooveel beter en gescliikter moeten worden geacht voor onze godsdienstoefeningen dan de psahnen, dan berust dat oordeel op onkunde. Zeker, we stemmen toe, dat vele songs heel wat gemakkelijker te verstaan zijn dan vele psalmen, 't Kost inderdaad soms inspanning om in den zin van sommige psalmverzen met verstand en hart in te dringen. Maar zijn ze daarom minder in waarde en geschiktheid? Immers neen! We zingen toch in de kerk niet voor de gemakkelijlslieid. Wij moeten met onzen eeredienst, ook met ons kerkgezang, niet den kant op, alsof er eene premie op de oppervlakkigheid en gemakkolijkheid uitgeloofd ware. Tegen het liclite, liet ondiepe en ondegelijke in den godsdienst; tegen alles, wat vooral ook in onze godsdienstoefeningen liet binnendringen tot het innerlijke en het zich tevreden stellen met wat slechts aan den buitenkant blijft, moeten we ons verzetten. We krijgen waarlijk al genoeg van een genoegetijken godsdienst, waarin zoowat iedereen zicli vinden kan. Ook de onwedergeborene.

Tegenover de moeilijkheid van velen, om met heel hun hart in den zin der psalmen in te komen, kennen we geen beter advies dan dit: laat er wat meer over de psalmen gepredikt worden. Want algemeen geldt de regel, dat gebrek aan waardeeriug der psalmen grootendeels berust op gebrek aan kennis van den inhoud der psalmen.

Ook moeten we ons niet veel storen aan het geroep om lichtere muziek. We kunnen en mogen ons kerkgezang niet inrichten naar den smaak van sommigen, die tegenwoordig naar het jazz overhelt, 't Mag waar zijn, dat vele kerkgangers meer zin hebben voor j i g-gety tunes dan voor de plechtige tonen der kerkmuziek, maar naar dien zin mag ons kerkgezang niet verlaagd worden. — Zeker, verschillende tijden noodzaken ons monigmaal tot velerlei schikkingen. Maar wie durft schipperen en sohikken met den ernst van den godsdienst naar den smaak van half-verwereldlijkte kerkgangers, die raakt het heilige aan en breekt af, wat veeleer oiïgebouwd moet worden, 't Kost in sommige kringen waarlijk niet veel moeite, om er de wereldsche deuntjes in te zingen. Uit het grijze verleden zouden er voorbeelden aan te geven zijn van wanstaltige kerkmuziek, die de stichting, de opbouwing in het geestelijke leven, tegenhield. En nog zijn er, die voor de harmonie tusschen de-woorden en de muziek geen gevoel hebban. Maar aan zulke grove zielen mogen we het zeggenschap over ons kerkgezang niet overgeven.

Evenmin willen we ons gewonnen geven voor het argument, dat ongeveer alle kerken rondom ons gezangen zingende kerken zijn. Dat argument is populair, we stemmen het toe* Het maakt indruk. Daar zit iets in, waarover men haast buigen zou. Immers heel de kerkelijke wereld rondom zingt hymns en gospel songs. En vooral onze jeugdigen trekt dat aan. Ze vinden het zooveel aangenamer dan ons kerkgezang, dat zooveel plechtiger en zwaarder is. Drijven we dan niet velen weg, door toch maar geen gezangen in te voeren?

En toch, opk zoo geven we ons door dat argument niet gewonnen. Want gingen we er ons voor buigen, dan zouden we eigenlijk de psalmen moeten wegdoen. Dan zouden we het Remonstrantsche zuurdeesem in ons kerkgezang ook moeten toelaten; want dat is en wordt in veler kerkgezang meer en meer algemeen. Ook in de prediking kunnen we ons zeker niet schikken naar wat we algemeen rondom, ons vinden. Zonderlingen te willen wezen in den godsdienst ware stellig verkeerd. Maar gezangen invoeren, omdat men ze overal heeft, neen waarlijk, dat gaat toch niet.

Slechts één roden hebben we en kennen we dusver, die ons noopt, om voor vermeerdering met enkele gezangen in onze Psalter te pleiten. Met al den eerbied, dien we voor onze psalmen hebben en met alle waardeering voor de diepte en rijkdom, dien we in onzen psalmbundel vinden, boven wat ons in andere hymns en songs geboden wordt, komen er toch tijden in ons kerkelijk samenzijn voor, dat we ons arm gevoelen. Zelicr; op Kerstfeest, in de lijdensweken, op Paschen en Hemelvaartsdag en Pinksteren missen we in onze Psalter niet geheel en al wat gepast is, om te zingen. We missen volstrekt niet de waarde van het profetisfthe en typische uit de Oudtestamentische psalmen. Maar een zekere armoede valt niet te ontkennen, vooral in vergelijking met den rijken overvloed, die er bij andere gelegenheden als 't ware voor 't grijpen is. Zeker, we zingen bij die gelegenheden wel in onze kerken; maar bij de keuze voor gepaste zangstof tast men in geen weelde. Men moet zoeken. En jaar op jaar is 't weer 't zelfde. Zelfs voor één of twee dagen is er nauwelijks genoeg voor afwisseling. We worstelden in eigen bediening (en zoo zijn er velen meer) menig-maal, om op te geven, wat waarlijk voor de gelegenheid geschikt was. En het gevoel van verlegenheid, om de gemeente te laten uitzingen, wat er vermoedelijk in de harten aanwezig was, beklemde ons meer dan eens. En die verlogenlieid is toch niet noodig. We lijden aan eene armoede, waaraan we ons niet noodzakelijk behoeven te onderwerpen. Hier hebben we met een zelf-veroorzaakte pooverheid te doen, die ons niet tot eere verstrekt.

Tot zulk eene vermeerdering, of toevoeging van sommige gezangen durven we gerust te adviseeren. Daarmede stellen we ons niet bloot aan het gevaar van onze psalmen voor den eeredienst te verliezen en we voorzien er mede in wat we eene behoefte achten.

We durven niet alleen, maar geven metterdaad ons advies daartoe. Niet, om bij wijze van toelating tocti maar wat te geven aan hen die meer en veel meer gezangen ingevoerd zouden willen zien. Voor ons is 't niet eene zaak van toegeven, doch dan zoo weinig mogelijk, aan een eisch dien we eigenlijk niet goedkeuren en toch ook niet geheel durven weigeren om des vredes wil.

Medewerken aan wat zienderoogen op het verlies van onze psalmen in den eeredienst zou uitloopen, kunnen en willen we niet. Of we met zulk eene zoogenaamde „karigheid" dan misschien velen onzer kerk zouden verliezen is eene vraag, die we van te voren moeilijk kunnen beantwoorden en die we, onzes inziens, aan de voorzienigheid Gods hebben over te laten.

Voorts wenschen we met ons advies niet in de bijzonderlieden van de uitvoering in te gaan. Dat wordt eene zaak van later zorg, waarover eene Synode zich door eene commissie heeft te laten voorlichten en zelf te beslissen.

•Het laatste woord is over deze kwestie zeker nog niet

gezegd, noch gesolireven. Misschien roept de gelegenheid bij verdere bespreking en ontwikkeling dezer zaak ons wel, om later nog weer en meer er over te schrijven. Voorloopi'g hebben we ons tot het groote algemeene willen beperken, om naar onze krachten mede leiding te geven aan deze zaak en zoo mogelijk tot eenheid van oordeel mede te werken.

Zonder overhaasting te willen bevorderen, gelooven we tocli, dat behandeling dezer zaak niet onnoodig moet worden uitgesteld en afgeschoven. De aloude verontschuldiging, dat we voor actie nog niet rijp zijn, kan niet altijd blijven gelden. Opzettelijk uitstel kweekt ontevredenheid en zou tot ongeduldig grijpen naar het verbodene kunnen leiden.

Waar ondanks den geographischen afstand de gedachten elkander zoo diciht naderen, belooft dit yoor de korresp.ondentie met buitenlandsohe kerken een ; vrnchtbaar onderwerp te worden.

HEPP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1927

De Reformatie | 8 Pagina's

Pers-stemmen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1927

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken