Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eenige bezwaren tegen professor Visschers „Paradijsprobleem”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eenige bezwaren tegen professor Visschers „Paradijsprobleem”.

20 minuten leestijd

VII.

Oostersch en Westersch bewustzijn.

Nog op een andere manier pioogt prof. Vissclier ijn afwijkend gevo-elen omtrent het „spreken" der aradijsslang te dekken.

Hij beroept zich n.l. op: het groote verschil tus­

stlien het Oostersche en het Wiestersche bewustzijn.

Zoo schrijft hij op blz. 90 van zijn boek: „En nu kunnen wij in abstracte denkwerkzaamheid geoefende Westerlingen ons er geene voorstelling van maken, hoe menschen, wier bewustzijn geheel anders geïnstrumenteerd is dan het onze, met dieren kunnen samenspreken, omdat wij dit niet kunnen, maar dit onvërmo> gen doet niet te kort aan het feit, dat er ook heden nog millioenen menschen oip de aarde leven, die er absoluut zeker Van zijn, dat z'ij dit wel kunnen".

Op blz. 92: „In andere volkeren, onder andere cultuur openbaren zich pisychische krachten, die onder ons weggekwijnd schijnen en wij hebben geen recht om hetgeen ons onbegrijpelijk voorkomt, zonder meer als een fabel te brandmerken. Beter js ons be'wust te worden van de beperktheid en de armO'ede, waarin de Wostersche menschheid met haar exacte weten, ondanks of misschien wel door haar geweldigen technischen rijkdom gedompeld werd. Spengler omschreef deze aldus: „Uns ist nur der Raum des Auges geblieben". De schrale resten van andere zinnen-werelden, van klank en geur, warmte en koude, hebben daarin eene plaats gevonden als eigenschappen en werkingen. Maar dieren en primitieve menschen hebben ongetwijfeld nog andere gewaarwOirdingen van geheel anderen aard, die wij voo'r een deel zelfs niet meer benaderen kunnen. Dit geldt ook onze verhouding tot de wereld der diereii". Wij kunnen ons van den menscfa in den staat der rechtheid geen goede voorstelling maken, vooral niet omdat wij Westerlingen zijn. „Hij (n'.l. de onzondige mensch) werd voor sommigen het summum der menschelijke volkomenheid van den Westerschen Christen". „VOOT ons abstract denkende Westersche zondaren is het niet mogelijk ons in een dergelijken toestand in te denken", (blz. 37). v

Nog meer citaten zonden wij kunnen geven. ilaar deze zijn 'dunkt ons vpldoende om de meening van prof. Visscher te leeren kennen.

lien ziet hieruit, dat wij bij het onderzoek van de Schrift dubbel te beklagen zijn.

Niet alleen verstaan wij de Schrift niet recht, omdat wij zondaren zijn.

Aiaar het staat ons bovendien nog in den weg, dat wij Westersche zondaren zijn.

Och, konden we maar Oostersche zondaren worden.

Dan zou de Schrift ons niet zooveel moeilijkheden opleveren als nu.

.Grelukkige prof. Vissclierl . , .

Hij schijnt zich van het Wjestersche denken te hebben kunnen ontledigen.

Hij lijkt er in geslaagd de, ontstane leegte met een Oostersch denkapparaat te vullen.

Rn nu weet hij precies te vertellen, waaraan het ons Westerlingen mangelt.

Hij spreekt woorden van Oostersche wijsheid.

Aan zijn voeten gezeten leeren w-e; hoe de P'aradijsslang spreken kon.

En het blijkt, dat dit niets bijzonders is geweest.'

Het was alles doodgewoon.

Waren we maar Ooisterlingen, dan zonden wij het wel begrijpen.

Dan zouden we gewaarworden, dat het nog eiken dag gebeurt.

Dan zouden wij evenals die miljoenen menschen, die thans op' aarde leven, er absoluut zeker van zijn, dat wij ook nu nog met de dieren kunnen samenspreken. •

Van onzen kant hoorbaar.

Van hun kant onhoorbaar.

Jammer, dat er op de Synode van Assen en Groningon geen Oostersche en primitieve afgevaardigden zijn geweest.

Hoe zouden ze ons uit den droom hebben geholpen.

Thans echter neemt na deze Synodes prof. Visscher him plaats in.

^laar.... hij wordt op dit punt door Gerefornieei'den bestreden.

Zulke Westerlingen ook!

In trouwe: indien het Oostersch bewustzijn voor den Westerling zóó ontoegankelijk is, hoe weet prof. Visscher er dan zooveel van af?

Visscher er dan zooveel van af? Wij denken er natuurlijk niet aan om het verschil tusschen de „ziel" van den Oosterling en

den Westerling weg te redeneeren. Met opzet spreken wij zelfs van He „ziel".

Want het onderscheid raakt waarlijk niet al­

leen het „bewustzijn" en het „weten". Het wortelt veel dieper.

En wat het denken betreft dunkt ons de typeeiing van het Westersche denken als „abstrakt" •ïn daartegenover van het Oostersche denken als

„konkreet" in het geheel niet juist-. Prof. Visscher is niet de eenige, die het zoio iormuleert.

iormuleert. En daarom willen we hier niet speciaal in prof. 'isschers kerfstok een keep geven.

'isschers kerfstok een keep geven. Doch wij mogen het ook niet geheel laten pas­

seeren. > , Abstrakt denken" is niet een eigenschapi van alle Westerlingen. Een wandeling door de straten "^'an Amsterdam kan van dien waan genezen. De gedachten, welke men daar hoiort uitspreken zijn „konkreet" genoeg. Soms al te konkreet.

En aan den anderen kant wordt in het b e s pd e-gelende denken van den Oosterling het konkrete maar al te zeer gemist.

Aan een juiste karakteriseering van het verschil tusschen de ziel van den Oosterling en den Westerling hebben zich reeds velen gewaagd. Maar telkens bleek, dat dit allesbehalve een gemakkelijk' werk is. En zonder hierover nu een wetenschap'pelijke verhandeling te schrijven, kan dit wel worden gekonstateerd, dat deze kwestie veel ingewikkelder is, dan prof. Visscher het doet voorkomen.

Toch — en dit mag niet worden vergeten — kan dit verschil kunstmatig wordeai vergroot.

Hiermee wezen wij een van de fouten der Westersche wetenschap aan.

Het gevleugelde woord van Rudyard Kipling:

„East is East and West is West and never the twain shall meet", d: w.z. „Oost is Oost en West is West en nooit zullen beide elkander ontmoeten", is weleens teveel van haar dichterlijke kracht be: roofd en als nuchter proza opgevat.

En in onzen tijd is het m0)de om aan den Oosterling den voorrang toe te kennen boven den Westerling, wanneer het gaat om het inzicht in de wereld.

Aan deze mode brengt prof. Visscher ook zijn offers.

Zijn heele betoog is er op gebouwd, dat de Oosterling toch zooveel op den Westerling voor heeft.

De Westersche menschheid is yolgens hem ondanks haar technischen rijkdom ten sloitte toch gedompeld in bepierktheid en armoede.

En zoo wordt Oost en West steeds verder van elkander vervreemd.

Zeker, Oosterling en Westerling vertoonen beide een eigen type, hoewel daartusschen tal van overgangsvormen liggen.

Maar ze zijn toch uit ééneai bloiode.

Het gaat niet aan de ontaarding van den porspronkelijken mensch alleen bij den Westerling te zoeken.

Zoiowel Oosterling als Westerling hebben hun eenzijdigheden.

Deze eenzijdigheden werden echter bij den mensch in den staat der rechtheid niet gevonden.

Want al lag het Paradijs in het Oosten, de bodem bepaalt ten diepste de menschelijke zielskonstruktie niet.

De mensch in den hof van Eden was nog niet vclkomen. Het is eigenlijk onnoodig, dat prof. Visscher daarop zoo sterken nadruk legt. Door de beste theologen van. alle tijden is (Jat reeds uitgesproken. En wij kunnen • ons niet voorstellen, dat er op het oiogenblik één Gereformeerde anders over denkt.

Doch wel was de Paradijsmensch onzondig en alzoo vrij van eenzijdigheden.

Wanneer dan ook prof. Visscher het gedurig doet voorkomen, dat de Oosterhng met zijn eenzijdigheid dichter bij den Paradij smensch staat dan de Westerling, moeten wij dit afwijzen.

Gelijk de verdeeldheid naar de talen eerst later is ontstaan, zoo behoort ook te worden aangenomen, - dat de divergenties in den menschelijken geest later zijn geboren.

Daarenboven — door hun eenzijdigheden vullen Oosterling en Westerling elkander ook aan en zijn zij bij machte, althans ten deele, hun gedacihtenwereld voor elkander te ontsluiten.

•Gedurende de laatste jaren hebben verschillende Oosterlingen ons land een bezoek gebracht: Rabindranath Tagore, Sadhu Soendar Singh, Krishnamurti enz. Hebben deze werkelijk ; voor onze Westersche opren orakeltaal gespiroken? Of .voelden velen zich niet juist gedesillusioneerd, omdat zij er niet bepaald , , nieuws" in vonden, omdat er zoo niets geheimzinnigs — afgedacht van de kleeding — aan hen was?

Och, dat verschil tusschen Oostersch en Westersch bewustzijn is vaak versneden tot een stokpaardje om er den bodem van vreemde theorieën mee te bereiden.

De Oosterling drukt zich vaak geheel anders uit dan de Westerling.

Toegegeven.

Maar is er desniettemin ook niet een groote overeenkomst tusschen Oostersche en AVestersche poëzie?

En wat de beschrijving van geschiedenis aangaat, kan men daarin waarlijk kontrast ontdekken bij den Oosterling en den Westerling?

Men heeft er zich op gespitst om dat te vinden.

Men wilde per se voorbeelden aandragen, dat de Oosterling op een geheel andere wijze geschiedenis beschreef, dan de Westerling.

En wat was het resultaat?

Dat de opgedolven inscripties, waarop' gebeurtenissen zijn gekrast, na ontcijfering ongeveer soortgelijke uitdrukkingen te lezen gaven, welke wij nu nog gebruiken.

Het aanmerkelijkste verschil werd gevonden in de wijze, waarop genealogiën (geslachtsregistersi) zijn samengesteld.

Overigens vertoont de Oostersche gesöhiedbeschrijving met de onze een sprekende overeenkomst.

161 Ook uit dat oogpunt bezien, bestaat er voor prof. Visscher geen enkele reden om met het Paradijsverhaal zoo geheimzinnig Oostersch om te springen.

Indien hij onverhoopt mocht meen en, daartoe gerechtigd te zijn, welnu, hij legge dan eens ©en historisch dokument van Oostersche geschiedbeschrijving over, waaruit de tegenstelling met de onze klaar aan het licht treedt.

Hij stoppe ons geen epos in de hand, hij kome niet aandragen met mythologieën, maar met een zuiver historische oorkonde.

Dat nu kan hij niet.

Maar daaimee is zijn voortborduren op zijn eigenaardig Oostersch stramien dan ook geoordeeld'.

Hierbij komt nog iets.

Al is de Heilige Schrift voor een deel opi Oosterschen bodem ontstaan, zij is tocll^ bestemd voor de kerk aller eeuwen, ook voor de kerk' m Westersche landen.

Ja, dit is het schoone, dat terwijl het Oude Testament een Oostersch stempel draagt, het Nieuwe Testament daarentegen in de taal van het Westen is geschreven en grootendeels zijn eerste' lezers in het Westen vond.

Rome, Korinthe, Filippi, ^Thessalonika, waaraan Paulus zijn brieven zond, het waren alle Westersche kerken. Van. het Grieksche volk' hebben wij zelfs ons „abstrakt" denken geleerd'.

In het Nieuwe Testament nu wordt menigmaal aan de historie van, het Oude Testament herinnerd.

Merkt men daarin hu 'ook maar Iets wat op' een verschil in geschiedbeschrijving van de beide Testamenten wijst?

Wordt in het Nieuwe Testament ook maar eenig spoor aangetroffen, dat naar een Westersche transpositie van de „Oostersche" samenspraak-gedachte tusschen mensch en dier zweemt, gelijk prof. Visscher die verzon?

Neen, het moet de aandacht trekken, dat de voorstellingen en gedachten der Schrift zoo verstaanbaar zijn voor menschen uit alle geslachten, natiën en tongen.

Dat geeft aan de Schrift haar universeele beteekenis.

Dat toont het auteurschap van één en denzelfden Heiligen Geest.

Wanneer Oosterling en Westerling over de Schrift zitten gebogen, ontmoet Oost en West elkander.

Zij hebben geen moeite elkander te begrijpen.

Want voor beider zielsoog rijst daaruit ópi de ééne gestalte van den Christus, Dien zij tezamen als hun Verlosser eeren.

Verbetering. Het. vorig nummer laat ons zeggen: „Ik weet niet of prof. Visscher, toen hij nog predikant was in een plattelandsgemeente, weleens als hij huisbezoek deed door een zijner gemeenteleden rondgereden heeft". Nu, ik weet wel, dat hij zoO' iets bloedigs nooit heeft gedaan. „Heeft" moet hier natuurlijk zijn „is".

^ Het rapport over het „VrUe Kerkliefl". I.

Naar aanleiding van de gezangen-kwestie in Amerika gaven we kort geleden den raad' het rapport over gelijke kwestie ten onzent af te wachten.

Inzake de korresplondentie met de Buitenlandsche Kerken had de Synode immers besloten rapporten over dergelijke aangelegenheden aan kerken in het buitenland, waarmee wij korresppndentie onderhouden, toe te zenden?

Wij konden op' , grond van de beslissingen der Synode in uitzicht stellen, dat men het binnen twee jaar ontvangen zou.

En ziet..'.. het staat thans reeds in de Acta opgenomen.

Men zal zich allicht, daarover verwonderen.

Hoe zit dat in elkaar, zal men vragen.

Ik geloof, dat dit rapport per vergissing in de Acta is .terechtgekomen en opi het oogenblik nog niet voor publikatie was bestemd.

in het rapport zelf staat, dat de D'eputaten met hun arbeid bijna gereed zijn. Er wordt dan op gewezen, dat de konklusies nog ontbreken. Maar ik meen te weten, dat aan het heele rapport nog de laatste hand moest worden gelegd.

Er moet hier een misverstand in.het spiel zijn.

M'aar geen afschuwelijk misverstand.

Ook geen betreurenswaardig misverstand.

Tot op zekere hoogte zelfs een heuglijk misverstand.

Want nu kan men zien, hoe sekuur Deputaten werken.

Het rapport maakt nu reeds den indruk „af" te zijn.

En al zullen er mogelijk nog wel korrekties in worden aangebracht, de groote lijnen zullen wel geen verandering ondergaan.

Waar wij hier met een gewichtige kwestie te doen hebben en de overgroote meerderheid onzer lezers de Acta wel niet bezitten, meenen wij velen een dienst te doen het rapport hier in gedeelten af te drukken.

Eerst komt er een historisch overziciht van het vraagstuk in voor.

Dit .begint met te onderzoeken, hoe het in de oude christelijke kerk was gesteld'.

En dan gaat daarbij weer 'de Oostersche kerk voorop!.

162 A. De oude Christelijko kerk.

De vraag, hoe in de oudste Christelijke kerk liet ge/aiig in den eeredienst was ingericlit en welke liederen werden gezongen, is bij gebrek aan de noodige bescheiden niet zoo gemakkelijk te beantw oorden. De oudste berichten aangaande den eeredienst der Christenen, die we vinden in. de z.g.n. Leer der Twaalf .\postclen (einde der 1ste eeuw) en bj .fustiuus .Ahutyr in zijn eerste Apologie (cap. tiö—07), geschreven omstreeks 150, zwijgen over den gemeentezang. Natuurlijk mag hieruit niet worden afgeleid, dal in de samenkomsten der Christenen niet gezongen werd, want op een andere plaats (cap. 13) spreekt •lusliruLS Ahirtyr van de , , lofzangen, die de gemeente tot (iod opzond'', maar welke lofzangen dit waren, zegt hij niet. hitusschcn bestaat er geen twijfel over, dat de Christenen in navolging van hetgeen ook in (te synagogalen eeredienst gebruikelijk was, de psalmen hebben gezoïi, gen, en het psalmgezang, zoowel in de Oostersclie als in de Westersche kerk een vast bestanddeel uitmaakte van den eeredienst. In de Conslilaliones Apcstolicae, flie eel\ der oudste liturgiei'si der kerk bevat, wordt dit psalmgezang uitdrukkelijk voorgeschreven; het eenparig getuigenis van de kerkvaders Tertulhanus, Atlianasius, Basilius, Chrysostcmus, Hieronymus, e.a. bevestigt dit en Augustinus kon daarom terecht zeggen (Confessiones IX, 4), dat: de psalmen over 'tgeheeje wereldrond werden gezongen". Dit feit wordt dan ook door allen erkend. Daarentegen be^laat er geen zekerheid, of in de oudste Christelijke kerk naast de psalmen ook Christelijke liederen zijn gezongen; de meeningen daarover zijn verdeeld. Zij, die meenen van wel, beroepen zich gewoonlijk y)p de volgende getuigenissen. In de eerste plaats op het iVieuwe Testament, met name op de bekende uitspraken van den apostel Paulus in Efeze 5:19 en Coloss. 3 VS IG in verband met 1 Cor. 1-t vs 26, terwijl men voorts meent in plaatsen als Efeze 5 vs 14, 1 Tim. 1 vs 15; , '! vs IG; G vs 15; 2 Tim. 2 v's 11—18: itus 2 vs 4—7; Jac. 1 vs ; 17; Openb'. 41'vs 8; ö VS 9 etc. aanhalingen uit zulke Christelijke hymnen te hebben, die destijds reeds bij de Christelijke gemeente in gebruik waren. In hoeverre dit beroep 'op het Kieuwe Testament juist is, zal later worden besproken. In de tweede plaats beroept mej» zich op het getuigenis , v; m twee heidensche schrijvers, n.l. I'linius, den stadhouder van lüthvnië en (maar ten ()niecht(> ) op Lucianus van Samosata. Plinius, die (nustreeks 112 aan den keizer Trajanus een bericht zond over de Christenen, verliaalt, hoe zj gewoon waren op een vastgesteldeu dag vóór het aanlucken van het licht samen te komen, en dan secuni invicem carmen dicere Christo, quasi Deo, wat men dan vertaalt door: en lied te zingen ter eere van Christus als God. Een onbekend schrijver zegt in zijn ten onrechte aan Lucianus Samosata toegeschreven geschrift: hilopatris, in de samenkomsten der Christenen een gebed gehoord te hebben, dat „begon met den Vader en eindigde in een hymne, waarin vele namen voorfavamen". Deze schrijver echter doelt vermoedelijk op de doseologie, die aan het einde van het gebed werd uitgesproken ter eere van den Vader, den Zoon en den Heiligen (ieest. Van meer betoekenis is dan ook het getuigenis van I'linius. Nu is blijkbaar de hoofdbedoeling van Plinius te laten uitkomen, dat de Christenen Christus als God vereerden. De uitdrukking: armen dicere, kan in het latijn ook beteekenen een gebed uitspreken, zoodat het nog onzeker is, of hiemiede wel een lofzang is bedoeld. En zelfs al zou men, zooals ïertullianus (Apol. cap. 2) en Eusebius Hist. Eccl. Ill, 2B) doen, deze uitdrukking opvatten als een lofzang ter eere van Christus gezongen, dan staat men nog voor de vraag, of deze nachtelijke bijeenkomsten der Christenen, waarvan Plinius spreekt, wel liet karakter hebben gbliad van een gemeentelijke godsdienstoefening. Zekerheid geeft ons dit getuigenis niet. In de derde plaats hééft nien^ zich wel beroepen op de mededeeling van den kerkhistorie-schrijver Socrates (Hist. Eccl. VI, S) dat Ignatius van Antiochië (die in 115 den marteldood stierf) in een visioen had gezien, hoe de engelen in d> ? n hemel in beurtzang de Drie-eenheid loofden en deze wijze van zingen in de kerk van Antiochië had ingevoerd. Maar nog daargelaten, dat Socrates niet bedoeld heeft, dat Ignatius het zingen van lofzangen ter eere van de Drieeenheid heeft ingevoerd, doch den z, g.n. antiphonischen korkzang, heeft dit getuigenis van een zoo laten schrijver niet de minste waarde en wordt het geheele verhaal algemeen voor een legende gehouden. iVIeer waarde is zeker toe te kennen aan 'het getuigenis van ïertullianus en Origines, waarop men zich in de vierde plaats beroepen heeft, omdat uit hun getuigenis blijken zou, dat reeds in hun dagen (begin 3e eeuw) zoowel in de' Oostersche als in de Westersche kerk zulke Christelijke lofzangen gezongen werden. Dit zou dan nog nader bevestigd worden in do vijfde plaats door het getuigenis van een onliekenden schrijver, eveneens uit do derde eeuw (ons bewaard door Eusebius Hist Eccl. V, 28), welke tegenover den ketter Artemas, die Christus alleen als rnensch beschouwde en beweerde, dat dit van ouds de leer der kerk was geweest, zich beriep op de , , lofzangen en psalmen, die van • den aanvang af door geloovige broeders waren gedicht en waarin Christus als God werd verheerlijkt." Ongetwijfeld blijkt nit deze getuigenissen, die nog met andere zouden te vermeerderen zijn, dat reeds van de vroegste tijden af zulke Christelijke lofzangen ter eere van C'hristus zijn gedicht geworden. Zelfs worden de namen van enkele dezei' dichters genoemd, zooals van den martelaar Athenogcnes, van Hippolytus uit Rome, van Nepos, een bisschop uit Egvpte, wier gedichten ons echter niet zijn bewaard gebleven. Onder de geschriften van Clemens Alexandrinus vindt men zulk een hymne, die hem toegeschreven wordt, en ook de papyrusvondsten in Egypte hebben zulke hymnen aan het licht gebracht, al dagteekenen deze hymnen vermoedelijk uit een latere eeuw. En evenzeer spreekt het wel vanzelf, dat zulke hymnen door de Christenen gezongen zijn in hun huiselijke godsdienstoefeningen, ïertullianus deelt dit uitdrukkelijk mede \d useorem II, 8) en Clemens Alexandrinus zegt. dat de Clu'istenen deze liederen zóó lief hadden, dat zij ze zelfs zongen, wanneer zij ter vischvangst uittogen. Maar daaruit volgt nog niet, dat ze ook in den eeredienst der kerk zijn opgekomen en .dit blijkt ook niet uit de getuigenissen van Origines en Tertulhanus, waarop men zich gewoonlijk beroept. In zijn Contra Celsum VIll, G7 zegt Origines wel, dat de Christenen hymnen zongen ter eere van God, den Tleei' aller dingen, en van het Woord, Zijn eengeboren Zoon, maai' wanneer hij daftraan toevoegt, dat „zij lien niet anders lotzingeii, dan ook de zon, de maan, de sterren en heel het hemelscli heir .dit doet, aangezien ook die allen met de reclitvaardigen onder de menschen den hoogstcn God en Zijn eengeboren Zoon lofzingen", blijkt daaruit wél, hoe weinig hieruit valt af te leiden voor den eeredienst in de gemeente. En nog minder zegt het getuigenis van ïertullianus. In zijn Apologeticum cap. 33 spreekt hij over de agapen of liefdemaaltijdcn der oude Christenen, en verhaalt nu, dat na afloop van dien ma, altijd, als het water voor de afwassching der handen en de licliten Avaron hinnengebracht, ecii ieder werd uitgenoodigd om God een lied te zingen, ontleend aan de Heilige Sclirift, of aan zijn eigen vernuft, voorzooveel hij dit' kon; daaruit zou dan blijken, hoe hij gedronken had. ^'an een gemeentezang is hier ook geen sprake, ook niet van den publieken eeredienst der gemeente; de laatste toevoeging sluit zelfs elke gedachte aan een liturgische hnndcling buiten. Dat ook de andere plaats van ïertullianus, waarop men zicli wel beroepen heeft, n.l. De Oratione, cap. 28, waar hij zegt, dat wij „de geestelijke offeranden van het gebed, bekroond door den liefdemaaltijd, versierd met goede werken en begeleid door psalmen en hymnen naar liet altaar Gods moeten brengen", geen afdoend bewiijs is, is duidelijk, omdat ïertullianus hier niet handelt over het liturgisch gebed der gemeente, maar het gebed der geloovigen in het algemeen. Tenslotte hoeft men zich ook nog beroepen op hetgeen de synode van Syrië meedeelde in een brief, geschreven aan Dionysius, den bisschop van Rome en Maseimus, den bisschop van Alexandrië (ons bewaard door Eusebhis Hist. Eccl. VII, 30) dat Paidus van Samosata, bisschop van Antiochië was afgezet, omdat hij , , psalmen, (d.w.z. hymnen), die gezongen werden ter eere van onzen Heere Jezus Christus had afgeschaft, en ideze veiTangen had door liederen te zijner eere, die met Paschen door de vrouwen in het midden der gemeente gezongen werden."

Al blijkt hieruit ongetwijfeld, dat omstreeks dien tijd, d.i. 270, zulke hymnen te Antiochië in gebruik waren, toch staat dit feit nog geheel op zichzelf en bewijst dit voor een oud gebruik in de kerk van Antiochië niets, want gelijk er uitdrukkelijk bij staat, schafte Paulus die hymnen af, omdat , .zij een nieuwigbeid waren en geschreven door nieuwere mannen". Indien het zingen van ziüke liederen van ouds af in de kerk in gebruik was geweest, en algemeene gewoonte was^ zou Paulus van Samosatazeniet hebben afgekeurd als een nieuwigheid, die men in Antiochië had ingevoerd. Dit getuigenis pleit dus eer tegen dan voor het vrije kerklied in de oude Christelijke Icerk. Eerst een eeuw later heeft Efraim Syrus '308-375) de door hem gedichte hymnen in den eeredienst dei kerk ingevoerd, die daarin een blijvende plaats hebben verkregen, maar dit geldt alleen van de Syrische kerk. In de Grieksche kerk in het Oosten, hééft deze hymnologie. waarvan de Syrische kerk de bakermat Avas, pas nigang gevonden, toen hier als hymnendichter optrad Romanos, die leefde in de zesde eeuw en zelf uit-Syrië afkomstig was.

Bestaat er dus geen stellig bewijs, dat er gedurende de drie eerste eeuwen zulke hymnen in den eeredienst der kerk zijn opgenomen, er zijn wel getuigenissen, die er op wijzen, dat men oudtijds, alteen Psalmen of Schriltuuriijke liederen in de kerk heefi gezongen en zelfs het zingen van andere liederen heeft afgekeurd. In do Constitutiones Apostolicae, dia een zeer uitgebreide beschrijving geven van den eeredienst, zooals deze in de oude Christelijke kerk plaats vond, wordt alleen het zingen van de psalmen voorgeschreven, zoowel bij de publieke voorlezing dei Heilige Schrift (II, 7), als bij de viering van het Avondmaal (VIll, 13) en bij de morgen-en avondgodsdienstoefennig (11, , 59); van een collectie hymnen die daarnaast in gebruik zouden zijn geweest, is geeii sprake.

Als ïheodorctus in zijn Hist. Eccl. II 24 mededeelt, dat l'lavianus en Diodorus omstreeks 350 in Antiocliië een nieuwe wijze van zingen invoerden, den aniilihoiiisclien ^ang, die zeer in den smaak van de gemeente viel, dan wordt ook hier alleen gesproken Yixn "de psalmen van David, die de gemeente zong, en Rasilius, die dezen antiplionischen zang in Caesarea overnam en dit verdedigde in zijn Epistula 207, waarin hij zeer uitvoerig over den kerkzang handelt, spreekt wederom alleen over de psalmen. En nog verder gaat het concilie van Laodicea (omstreeks 360), dat allerlei regelingen gat omtrent het zingen der psalmen en daarna in canon 59 uitdrukkelijk verbood het gebruik van „eigengemaa.kte . psalmen in de kerk", waaronder kwalijk anders verst; aan kunnen - worden, dan liederen, clie niet aan de Schrift waren ontleend. Ook het Testament van onzen Heere Jezus Christus, een litnrgie uit de 4e eeuw, schrijft uitdrukkelijk het psalmgezang voior en maakt slechts uitzondering voor enkele Schriftuurlijke lofzangen. Te opmerkelijker nu is dit, omdat het zingen van zulke eigengemaakte hymnen bij de secten zeer in zwang was, en wel met het doel om haar eigenaardige gevoelens onder het volk te verspreiden, zooa, '.s men dit weel van de CTUostieken, de Arianen, de Apollinaristen, de Donatisten etc. Juist dit feit verklaart, z-ooals 'algemeen erkend wordt, dat de Oostersche kerk aanvankelijk huiverig is geweest, zulke hymnen in den eeredienst op te nemen. Daaruit laat zich het beste het besluit van het concilie van Laodicea verklaren."

Hierbij nog één, opmerking.

Dit historisch deel van het rapport verwijst aan den voet der bladzijden naar tal van bronnen.

Deze hebben wij echter weggelaten. HEPP^

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

Eenige bezwaren tegen professor Visschers „Paradijsprobleem”.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken