Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Niet kunnen zondigen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Niet kunnen zondigen.

5 minuten leestijd

.... en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 1 Joh. 3:9b.

, , Hij kan niet zondigen"; — hoe is het mogelijk dit te zeggen van een mensch hier op^ aarde? Wij lïooren de beste kinderen Gods klagen over hunne zoenden en het aanklevend bederf; klagen, niet over de zonden slechts die zij gedaan hebben, maar die zij dóen, dagelijks doen.

De christen worstelt tegen de zo-nde, en toch dóet hij haar; ja, het schijnt so'ms of hij' die zonde niet ontkomen kan, of hij haar moet bedrijven.

En Jezus leert hem dan ook dagelijks roepen: „Vergeef ons onze schulden"! Hoe zou dit woord dan waar .zijn: ^„Hij kan niet zondigen".

Mijn lezer, de Schrift zegt het..

Diezelfde Schrift, die aan de eene zijde zoo trouw en eerlijk is om al het donker van 's menschen zondig bestaan op' het zwartst te 'doen zien, en die niet aarzelt den mensch aan te wijzen als vleeschelijk verkocht o-nder de zonde, — diezelfde Schrift jubelt tegen de heerschappij ds'r zonde en des Satans de goddelijke macht der genade uit, de diep-inwerkende en doorgaande kracht des Heiligen Geestes, door van den verlosten zon'daar te getuigen, niet slechts dat hij niet zondigt, maar zelfs dat bij niet zondigen kan.

En gij, die deze Schrift in het éérste gelooft, en met-schaamte en schuldbesef uw hoo'fd buigt onder haar waarheid, - gij doet wél haar ook in dat andere uw vertrouwen te schenken, en, schoon uwe ziele diep ademen moet om het te gelooven, het uit den mond des Heeren aan te emen, dat, wie zich in Christus aan Go'ds geade overgaf^ niet meer zondigen kan.

En gij móógt het aannemen.

Immers neemt ge daarin de grootheid van Christus aan boven die van Adam, de heerlijkheid van et herwonnen Paradijs boven dat, 't welk veroren ging.

Niet kunnen zondigen, — 'twas de gave no'g niet die ons eerste bondshoofd bezat, de schoonheid nog niet van het verleden Paradijs. Adam kón nog zondigen. Wel zou het zijne heerlijkheid wórden, en in hem de heerlijkheid van het meiischelijk geslacht — op te klimmen tot het niet kunnen zondigen. Maar zijn val heeft het omgekeerde van dat ideaal gebracht; hij heeft den mensch gestort in de onmogelijkheid van niet te zondigen; nu ligt die mensch in het schrikkelijk tegendeel van zijne toekomstige heedijkbeid; - -niet zondigen kan hij niet.

Zie nu echter de macht der genade onzes Heeren Jezus Christus.

Hij ontsluit door Zijn bloed en Geest een nieuw Paradijs. En in dat Paradijs is geene mogelijkheid meer van zo-ndigen. Op de nieuwe aarde en in den nieuwen hemel zal eenmaal het zalig voorrecht der verlosten zijn, dat zij' niet meer kunnen zondigen.

Dat is do grootheid van Christus boven die van Adam, de rijkdom van het genadeverbond boven het werkverbo-nd. Christus geeft den Zijnen geen verliesbaar goed. Gelijk de heilige 'engelen zijn vastgezet in hun staat, zloo zal in den hemel voor Gods kinderen, de mogelijklieid van te zondigen zijn weggenomen. Eeuwiglijk zullen de verlosten niet kunnen Z'ondigen.

En' van dat hemelleven liggen nu de woirtelen reeds in deze aardsche bedeeling.

Wat eenmaal in volle gestalte bloeien zal, heeft nu reeds zijn aanvang.

De volkomen man in Christus schuilt reeds in den pas herbo'ren zondaar.

Daarom staat er, dat wie uit God geboren is, niet zondigein kan. In elk kind Gods, hoe klein ook, zit reeds dat beginsel van het niet kunnen zondigen. Het hemelleven is reeds bij aanvang aanwezig. Er is in het hart van eiken Christen eene kiem, een wo'rtel, waa.rin de genade reeds volkomen overwinning heeft behaald op de zonde; zóó volkomen, dat de zonde daar geheel uitgezuiverd en verbannen is, en er in eeuwigheid niet meer komen kan.

Die wortel kan niet meer zondigen; uit die kiem nimmer eenige ongerechtigheid meer voortkomen. G'O'ds zaad, dat is het. beginsel der wedergeboorte in den geloovigC', is volko'men en voor eeuwig afgescheiden van de onde, booze natuur.

O, het , is bijna niet te geloove'U. Want juist degenen in wie dat hemelsch beginsel werd ingeplant, bevinden nog zoozeer de macht van het aardsche in zich.

Zóó gaat 'de nieuwe aard in dit leve'U nog schuil, zóó is het wedergeboren leven nog omhangen met hetgeen uit de oude zondige natuur voortkomt, dat de allerheiligsten moeten uitroepen: „Ik ellendig menscih! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? "

En niettemin is het waar. Ja, juist uit die klacht blijkt, dat degenen die aldus klagen kunnen, naar hun innerlijkst wezen, naar hun vernieuwden aard aller zonden vijand geweerden zijn, en dat het hemelleven daarbirmen bij hen reeds aanving.

En zij kunnen het ook wel bemerken.

Want hoe diep' dat beginsel des nieuwen levens oO'k moge wegschuilen, hoe ver onder het aardsche het moge bedolven zijn, — het zal naar boven trekken, het zal het licht zo-eken, . het zal wilkn opwassen tot volkomenheid.

Al Gods kinderen, hoe zwak O'ok van moed en hoe klein van krachten, hebben een heimwee, - een zieleverlangen om geheel van de zonden af te mogen zijn, en niet meer te kunnen Z'Ondigen.

En wanneer dat ideaa; l van het hemelleven hun voorgesteld wordt, dan zullen zij het, bij al hun klacht en bestrijding, belijden: „Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen!"

Nu, — • dat zij het dan gelóóven, gelooven dat het, eeuwig Paradijsleven reeds in hen aanving, dat er reeds ééne plaats in hun hart is waar zij niet meer kunnen zo-ndigen, dat het Koninkrijk Gods reeds in beginsel bij hen zegevierde.

En dat zij getroost zijn, al wandelen zlij in liet midden der benauwdheid. Het doet er niet toe, oe weinig naar hun eigen schatting van het zaad od reeds uitgebot is. Wij kunnen den stand van het geestelijk leven zoo moeilijk beoordeelen, zoo'wel bij onszelven als bij anderen. Doch dat behoeft ook niet. Als wij maar weten mogen, dat de Heere Zijne wederbarende genade aan ons vereerlijkt heeft. Dan zullen wij! niet beschaamd uitkomen.

Want Hij is zoO' getrouw als sterk.

Hij zal het voor ons voleinden. Zijne goedertierenheid is in eeuwigheid. En Hij laat niet varen de werken zijner handen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

Niet kunnen zondigen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken