Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET TEGENWOORDIG MODERNISME EN DE CHRISTUS.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET TEGENWOORDIG MODERNISME EN DE CHRISTUS.

12 minuten leestijd

IV.

In deze artikelen wordt de vraag behandeld of het modemisme dichter is gekomen bij de orthodoxie. Dit wordt onderzocht aan de Christvisbeschouwingen der tegenwoordige modernen.

Gebleken is, dat, voorzoover zij aan de historiciteit van Jezus .vasthouden, zij principieel op de oud-moderne lijn blijven staan, daar .Irzas volgens hen (Wiudisch, Binnerts) niet meer was dan een prediker. Zij maken tusschen Jezus en Christus onderscheid: de Christus of Christusgeest was i n Jezus. 'Maar die Christusgeest was volgens Windisch ook in alle profetische figuren en volgens Van Mourik Broekman is Christus het inwendig licht, het geweten, het godsdienslig en zedelijt besef der menschheid.

j^ Roessingh sprak van , , de verlossonde kracht van de persoonlijkheid van Jezus Christus". Maar hij bedoelde daarmee het Christusbeeld des N. T., waarvan hij zeide: niets waarborgt dat aan dit beeld een historische werkelijkheid beantwoordt. - Al geloofde Ijij voor zichzelf, dat Jezus heeft bestaan, iel deed volgens hem niets ter zake. Die verlossing gaat uit van de Christusfiguur, door de oude christenen geteekend, dus: van een idee. Lijnrecht tegeu het geloof der Chr. kerk in. Daarnaast stelde Roessingh „den kosmischen Christus ', die zicli openbaart in den geest vau het Christendom en in verschillende persoonlijkheden is vleeschgeworden. Dieze Christus is een levende, "reëele macht Gods in de gemeente, is het Woord Gods, God in deze wereld. Zoodat met dezen Christus menschelijke religie wordt bedoeld en deze vergoddelijkt wordt.

'l'ot dusver kwamen iii deze artikelen zulke modernen ter sprake, die er aan vasthouden, dat Jezus heeft geleefd. Thans willen we nagaan, welke Christus-beschouwingen gehuldigd worden in radicale kringen, in de kringen van hen, die de historiciteit van Jezus met meer o-f minder beslistheid ontkennen:

Op de eerste vergadering der Stuclieolub van moderne theologen had Roessingh den wensch uitgesproken, dat door predikanten, dooa* mannen van de practijk, eens zou worden aangewezen, hoe een moderne Christologie bij de pirediking in de gemeente gebruikt zou kunnen woeden. Opi de tweede samenkomst werd op deze vraag een antwoord gegeven in het referaat van den em.-pred. Zondor van over: „De beteekenis van een Christologie op kritisch standpunt voior de prediking in de gemeente".

\'oor Zondervan. kan in een moderne prediking geen plaats worden gegeven aaai een historischan Jezus. Zooals Jezus in het N. Testament geteekend wordt, heeft hij. natuurlijk niet bestaan. „De dogmatische Christus van. het 'N. T. is als historisch persoon op kritisdi standpmit niet te handhaven.'" Maar het iS op dat standpunt ook nog een \Taagstuk of de Heilandsgestalte der evangeliën zich wel Jieeft vastgeknoopt aan een histoi'ischen piersoon en prediker. Zondervan omtkent niet, dat persoonlijkheden in het ontstaan van het Christendom aandeel hebben gehad; hij geeft zielfs de mogelijkheid toe, dat de stof der evangeliën zich om een of anderen historischen persoon heeft gegroepeerd; maar hij zegt, dat dan toich met niet de minste zekerheid kan worden geschat, hoe groot de afstand is tusschen dezen historischen persoon en het beeld, dat in de evangeliën voor ons ligt. Dat het dan toch' onmogelijk is te zeggen hoe hij geweest is en wat hij gedaan heeft en ot hij wel eens Jezus heeft .geheeten.'

De moderne prediking kan en moet dan ook niet prediking van een historischen Jeztis zijn. Maar aan de Christus-vooTstelling van het N. T. ligt ten grondslag „de Christus naar den geest" en deze moet door den vrijzinnigen pirediker aan de gemeente worden voorgehouden. Deze „Christus naar den geest" wordt door Zondervan in zijn referaat ook met den iraa; m Jezus genoemd."

Wat bedoelt hij met den , , Christus ifaar den geest"?

Niet één enkel itrdividu, - ..liet één bepaalde persoon is deze Christus; maar een universeel, een algemeen wezen. „Wij kunnen het ons duidelijk maken", zegt Zoaidervan, , „aan het voorbeeld van Adam, den eersten mensch. Deze is eigenlijk cle mensch in algemeenen zin, de Mensch in allen, de Idee-mensch, die zic: h in de individuen belichaamt. Omdat men dit echter zoo^ niet vatten kon, heeft men hem als een historiscih persoon aan de spits der menschheid* gesteld. Evenals Adam if; Jezus n.u een utiiverseel ^rezen en wel in onderscheiding van hem, den natuurlijken mensch, het hoofd der geestelijke, wedergeboren menschheid, waarom hij in het N. T. dan ook wel de tweede Adam wordt genoemd. Het voorbeeld van Adam heldert ons nu op, hoe het komt, dat pok hij als een historisch pers; Qon kon worden gedacht en voorgesteld . ; «Jï? : -s2fS«; ; ï*j..Sï< .^

Volgens Zondervan is Jezus dus de geestelijke mensch in alle geestelijke menschen; de idee van den geestelijken mensch, die zich in alle afzonderlijke geestelijke menschen belichaamt.

Maar deze Jezus wordt door hem ook genoemd: „de 'Godmensch; de Uitgang van den Vader, nederdalende van boven; de menschwording Gods". Hem mogen dan ook in de prediking de namen gegeven worden: Heiland, Heer, Verlosser, Zoon van God. En hij zegt, dat deze Jez: us is: , , het Leven en de Openbaring Gods, de God in de wereld, die als bovenmensehelijke persoonlijkheid deel lieeft aan het bovenbewuste Leven. Gods, ook waar hij in het menschelijke zelfbewustzijn wordt opgenomen en mede zich verwezenlijkt".

Van dezen Jezus, dezen „Christus naar den geest", wordt nu volgens Zondervan in de evangeliën gesproken. Hij wordt er in voorgesteld als één enkele persoonlijkheid, die in een bepaalden tijd in de historie heeft geleefd en gewerkt, heeft geleden en is opgestaan. Maar dat is slechts een voorstelling. De geschiedenis van Jezus Is een geschiedenis van vélen en van alle tijden, een geschiedenis die zich telkens herhaalt. De "beschi-ijving, die de evangeliën van Jezus' leven en sterven geven, moet symbolisch worden opgevat, moet verklaard worden „als een zinnebeeldige voorstelling van iets, dat nog altoos geschiedt.

Het is er mee gelegen als met het sprookje. In het sprookje wordt hetgeen zich steeds herhaalt als één enkele gebeurtenis uit het verleden voorgesteld. Het begint met: „daar was eens". Dat gebeurt omdat in het sprookje de natuurmachten persoonlijk worden voorgesteld en personen kuntten alleen handelend optreden in de lijst van een bepaalde plaats en van een bepaalden tijd.

In de Kerstverhalen hebben we, zoo zegt Zondervan, „de voorstelling der geboorte van het jonge leven, zooals het in de Christelijke gemeente , een gestalte aanneemt". Ook de verhalen van Jezus' lijden en opstanding zijto voorstelling van een zich telkens herhalende geschiedenis. De symbolische prediking kan dan.ook in den tegearwoordigen. tijd spreken; ze zegt niet: Christus heeft geleden en is opgestaan; maar: hij sterft en staat op. Christus staat pp en wel zóó, dat hij zich openbaart in nieuwe levensvormeii en zich daarin een gestalte geeft, zooals de discipelen hem zagen , , in een andere gedaante'.' en aanvankelijk, evenals wij soms, moeite hadden hem daarin te herkennen. Het lijden van Jezus is een tragedie, die nog gespieeld wordt met dezelfde vertolkers. De hoogep'riester en Pilatus, Petrus en Judas zijn in hun veriioiuding tot Jezus typen uit alle tijden, die wij' nog herkennen, zooals wij wel van een Judas spreken. In het verloissingsdrama wordt het wereldgebeuren beschreven, met dat van het heden incluis, als godmensohelijk sterven en opstaan. En de kring der christelijke feestdagen, van Kerstmis tot Pinksteren, leert ons, „hoe het goddelijke leven een merisobelijfce gedaante aanneemt, vervlochten in en onderworpen aan het a.ardsche leven en lijden schijnbaar ondergaat, om op' te staan , uit zijn graf en zijn Jiemelschen 'triomf te vieren, totdat de Geest van boven weer neder-'dalende hemel en aarde vereenigt".

De „Christus naar den geest" is alzo-o eeir personificatie van het geestelijke leven in de menschheid en als Zondervan dezen Christus beschrijft als „het Leven en de Openbaring Gods, God in de wereld", als hij van dezen Christus spreekt als van „den Godmensch, de menschwoTding Gods en Gods Zoon", dan is dat een vergoddelijking van het geestelijk-menschelijke. Een prediking zooals Zoaidervan wil gebruikt wel Oirthodoxe termen, maar drukt er pantheïstische gedachten mee uit.

Nu zegt Zondervan, dat zulk een pirediking ook het priesterschap van Jezus kan handhaven. Het oud-mcdernisme deed dat niet, het zag in Jezus niet meer dan een profeet. Maar Zondervan spreekt mèt de • orthodoxie van Jezus' priesterlijk karakter en van zijn zoendood. Het zal .echter duidelijk zijn, dat zijn bedoeling een geheel andere is. Hij' zegt, dat het vooral drie waarheden zijn, welke ons de leer van deti. zoendood ontvouwt. Ten eerste: „dat geen rechtvaardiging mogelijk is zonder offer, als ondergang van den natuurlijken mensch en zijn opgang in den geestelijken, waarom dit offer in de historische beschrijving van Jezus' leven niet mocht ontbreken". Ten tweede: „dat in dit ons offer het ééne en groote wereldoffer wordt volbracht en. zich herhaalt, hetgeen ons in Jezus representatief wordt voorgesteld". Ten derde: „dat wij niet uit ons zelf alleen dit offer kunnen brengen, maar het Christus is, die het in ons brengt, één geworden met ons, hetgeen zijn offer tot volle werkelijkheid maakt". ^

Hieruit blijkt, dat, als Zondervan van het offer van Christus spreekt, hij bedoelt een offer, dat ons offer is, dat wij brengen. Hjij noemt het het offer v^n Christus, omdat hij het zóó beschouwt, dat het offer gebracht wordt door het geheel van het geestelijk leven der menschheid, waaraan wij deel hebben. Christus brengt het , , als het geheel, voor en in elk der leden". Dat offer bestaat hierin, dat wij onszêlve'ii als natuurlijke menschen ten offer brengen, dat onze natuurlijke mensch ondergaat en opgaat in den geestelijken mensch. Dit offer noemt hij den zoendood van Jezus; het kan.

zoo zegt hij, „schulddelgeiid heeten". Zoodat bij Zondervan eigenlijk de geestelijke mensch zijii eigen priester is en zelf de verzoening tot stand brengt.

Het verst gaat op deze lijn de Hegeliaan Van den Bergh van Eysinga.

Met beslistheid ontkent hij het historisch bestaan van Jezus. In zijn boek „Voorchristelijk Christendom" heet het: „Het N. T. schildert ons een metaphysisch (bovennatuurlijk, goddelijk) wezen en niet een historischen piersoon. De hypothese (onderstelling) der moderne theologie, dat achter dit metaphysisch levensbeeld een historische figuur schuill, is en blijft een hypothese. Het is niet geoorloofd, van de evangelie-geschiedenis het vs^onderbaarlijke, bovennatuurlijke af te treitóken en dan hetgeen overblijft voor werkelijk gebeurd te houden. De geschiedenis van Jezus is niets dan een mythe, waarin de oudste christenen hun idealen •en wijsheid hebben uitgedrukt".

Als nu Van den Bergh van Eysinga van „Christus" spreekt, geeft hij dien naam aan natuur en mensch. Terwijl Zondervan dezen naam tot de geestelijke menschheid bepierkt, wordt hij door Van den Bergh van Eysinga over den mensch als zoodanig en over de-gansche schepping uitgebreid.

„Het Oneindige" — zoo, , zegt hij in ziijn referaat over Christologie en Triniteit — „heeft de Eindigheid niet tegenover zich, maar in en aan zich. Al het Eindige is vereindiging, zelfvereindiging van het Oneindige. De Christus, de Zoon, is het Oneindige als Eindigheid gedacht, - het Eindige als Oneindigheid herkend". De wereld is alzoo de Christus, de Zoon van God.

Hij wil de leer der Drieëenheid handhaven en beschouwt ze als de hartader van het Christendom. Maar niet de leer, zooals ze door de kerk is geformuleerd, doch de idee, die er aan ten grondslag ligt. Die idee is redelijke waarheid. „Vader, Zoon en Peest zijn niet te scheiden: het goddelijke boven de natuur als haar Scheppier; het goddelijke in de natuur als de ziel en het wezen der dingen; het goddelijke, dat in het natuurlijke zich boven het natuurlijke verheft als de Heilige G-eest, die de Schepping herschept tot geestelijke eenheid".

Zoo is het wezen der natuur goddelijk en wordt het door Van den Bergh van Eysinga Christus genoemd. Maar, terwijl Go-d in alles is of alles in God, is de jn e n s c h de hoogste openbaring van God. „De Menschwording Gods (is) de kern der religie". Hier wordt dus met de menschwording Gods dit bedoeld: als de mensch ontstaat, dan is die mensch een verschijning van God, dan is God mensch geworden. „Alle dingen zijn in den Logos (het Woord) gegrond en ten slotte wordt de Logos mensch. In den mensch als hoogtepunt van 'de evolutie der aarde wordt de Idee zich bewust, hij is de Godmensch". Van den Bergh van Eysinga zegt dan ook, dat aan de kerkleer over Christus dit het zwakke punt is, „dat de Christus, de tweede persoon der Drieëenheid wordt voorgesteld als een bepaalde mensch uit de geschiedenis". Neen, ieder mensch is een menschwording Gods. De mensch is de Christus. '

En nu weet de natuurlijke mensch dat nog niet, maar de ware mensch, de geestelijke menseh is er zich van bewust, dat hij goddelijk is in wezen. Van .den Bergh van Eysinga brengt hier de gelijkenis van den Verloren Zoon bij te pas. Hij zegt: „toen de verloren zoon tot zichzelven kwam, kwam hij meteen tot God". Dat beteekent, dat de verloren zoon, toen hij zijn ware wezen leerde kennen, God leefde kennen, want 's menschen wezen is God. En wanneer de mensch ziohzielf als „natuurlijke bovennatuurlijkheid" herkent, wanneer hij het waarachtig menschelijke als het goddelijke leert zien, wanneer hij' zich van de goddelijkheid van zijn we-zen bewust wordt, dan voltrekt „het mysterie van de Godsgeboorte" zich in zijn ziel. Dan is de mensch in den ho.ogsten zin de Christus geworden. „De Christus verschijnt dan in ons vleesch."

Het zal geen betoog behoeven, dat we iu deze Christus-opvatting met het zuivere pantheïsme te doen hebben.

P. S. In het vorig artikel staat een foutieve regel, n.l. 2de kolom, regel 33 van onderen. Men leze: is er maar één zeer eenvoudig antwoord mogelijk: niets! De sprong van den nieuwtestamentischen Christus tol de historische werkelijkheid daarachter enz.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

HET TEGENWOORDIG MODERNISME EN DE CHRISTUS.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 1928

De Reformatie | 8 Pagina's

PDF Bekijken