Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

LEER ÈN LEVEN.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

LEER ÈN LEVEN.

8 minuten leestijd

Ja, zoo moet de verhouding zijn: leer èn leven. De leer, de theorie voorop. Dan volgt het leven, de pralitijk.

Er zijn er tegenwoordig, die de verhouding willen omkeeren: eerst het leven, dan 'de leer. Ge moet eerst proefondervindelijk ervaren, waarmede ge in het leven het verst komt, wat het meest dienstbaar is aan de ontplooiing van uw leven, en wanneer ge dat hebt nagegaan, stelt ge dit a.is theorie* vast. Dat is waar, wat nuttig ' is, zegt de pragmatist.

Met deze voorstelling van zaken zijn wij het heelemaal niet eens, omdat de dingen op hun kop gezet worden. Wanneer het theoretische afhankelijk is van het practische en de waarheid door de nuttigheid wordt bepaald, wordt de waarheid afgetrokken van haar hooge standpunt en verliest zij haar Goddelijk karakter. De waarheid blijft van waarde, ook al was zij op een moment niet bevorderlijk aan onze levensontplooiing en stelde zij zich niet vóór ons, maar tegen ons. Daarin zou jui_st haar souverein karakter uitkomen. Daarin zou de mensch openbaar worden als een zondaar, wiens gang zich van de rechte, zuivere waarheid afwendt. Het goede, ware en schoon e dient altoos elkaar en is altijd in harmonie.

Indien waar is wat nuttig is en het leven de leer zou bepalen, dan zou het waarheidsbegrip eigenlijk stukgebroken worden. Een van de waarheidskenmerken is, dat zij constant is, onveranderlijk. Ging bovengenoemde stelling door, dan zou zij van dit kenmerk afstand moeten doen, daar hetgeen nuttig is bij onderscheiden menschen verschillend is en b^ denzelEden persoon op verschillende tijden varieert.

Genoeg, om te doen zien, dat wij de leer niet willen richten naar het leven, maar het leven afhankelijk doen zijn van de leer.

De leer moet ons zeggen, wat we gelooven en wat we doen moeten. De credenda en de agenda.

Voor beide is de Heilige Schrift de bron.

Uit haar moet worden opgediept, wat we hebben te gelooven. Wat concreet in de H. Schrift geboden wordt, formuleert de Kerk in haar dogma.

In dit opzicht zijn wij niet misdeeld. Wij zijn — denk aan de preciese dogmatische formuleering van de inspiratie der Schrift, van de pluriformiteit der Kerk, van de verhouding van Kerk en Over-'heid, enz. — wij zijn nog lang niet waar we wezen moeten. Het nageslacht heeft hier een taak te vervullen, en moet op den bestaanden grondslag verder arbeiden.

Maar het fundament hebben we. De muren van het gebouw zijn ook al opgetrokken. Dit danken we in hoofdzaak aan de dogmatici van de zestiende en van de zeventiende eeuw, die de waarheid der H. Schrift denkend hebben verwerkt, en wier resultaten ten deele .zijn neergelegd in de confessies der Kerk. iBgftSilft

We hebben daarna in het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw mannen gehad als Kuyper en Bavinck, die opnieuw het dogma hebben geformuleerd, in gebondenheid aan de H. Schrift, in verband met de vragen, die in den tegenwoordigen tijd aan de orde zijn. Hun geschriften hebben op de prediking een ontzaglijken invloed uitgeoefend en oefenen dit nog dagelijks.

Zoo kan men over het algemeen zeggen, dat wij weten, wat we gelooven moeten.

Maar zoo staat het met de ethiek niet. We'weten in menig geval niet, wat we doen moeten, en kunnen ons leven niet naar de leer inrichten, omdat er nog geen leer is.

Zeer zeker, de H. Schrift geeft ons de juiste lijnen, maar ook niet meer dan lijnen. De paraeneüsche gedeelten van de Zendbrieven bieden menige wenk, hoe wij in de tegenwoordige maatschappij ons hebben te gedragen.

Maar de systematische samenhang tusschen de geboden eii. de toespitsing op het ingewikkelde leven van den tegenwoordigen tijd ontbreekt.

Van de confessies biedt alleen de catechismus iets over 'de ethiek.

Onze oude Gereformeerden hebben waardevolle bijdragen gegeven, maar over het algemeen hebben ze hunne kracht veel meer geconcentreerd op de dogmatiek dan op de ethiek. We zijn in dogmaticis veel verder dan in ethicis. •'

We hebben van Kuyper en Bavinck standaardwerken ontvangen op dogmatisch terrein, maar om een ethiek blijft ons Gereformeerde volk altijd nog vragen.

Die is noodig als brood.

De Gereformeerden van onzen tijd roepen om een ethiek.

Om een ethiek, die het Schriftuurlijk licht laat vallen 0; p de gecompliceerde toestanden van het tegenwoordige leven, en die zegt, hoe wij naar Gods Woord leven moeten.

Maar als wij dat weten, dan zijn we er nog niet.

Van de leer naar het leven gaat niet vanzelf.

Dat is een groote stap.

Iemand kan uitnemend weten, hoe alles moet gebeuren overeenkomstig Gods wet... en toch het zelf niet doen.

Wie het in de theorie heel mooi weet, voert het daarom zelf nog niet in de ^ractijk uit.

Omdat ons zieleleven door de zonde uit elkaar gerukt is en de harmonie is verbroken, komt het dikwijls voor, dat iets als goed wordt. erkend, en theoretisch als goed wordt gewaardeerd, maar practisch niet als goed wordt aangenomen en niet uitgevoerd.

De apostel Paulus had ook last van die gebrokenheid der ziel; hij drukt het uit in deze „wet": , , als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij."

De wet van God, die wordt gekend, moet door ons gevoelsleven worden gewaardeerd, ze moet in haar goedheid en schoonheid voor ons stralen, ze moet het object worden van onze emo'tioneele waardeering.

En is dat het geval, zijn de waarheden voor ons waarden geworden en hebben wij die voorschriften van Gods heilige wet leeren waardeeren als goederen, dan richt zich het begeeren, het wenschen, het verlangen, de neiging naar zulk een goed; wij trachten het in bezit te krijgen, onze ^il, door zuivere motieven in beweging gezet, is genegen uit te voeren wat Gods gebod hem voorhoudt.

We kunnen nu in den middellijken weg trachten, op den naaste zóó in te werken, dat zijne oordeelen onder het gezichtspunt van waaxdeering • ko­ men te staan en de inhoud een object wordt van zijn begeeren en willen.

Er zou hierover veel te zeggen zijn, maar we willen thans met een paar opmerkingen volstaan.

De eerste is deze, dat we op den naaste invloed kunnen uitoefenen, door bezield te spreken. Wie zelf bezield is, werkt bezielend. Wie bij de verklaring van de wet Gods er met zijn hart niet bij is, moet niet meenen, dat hij veel indruk zal maken. De menschen luisteren, indien ze luisteren, maar ze keeren weer naar huis terug met de gedachte: dat, heeft hij aardig gedaan. Maar het blijft een verstandskwestie. "Het gemoed wordt niet aangedaan. De wil blijft werkeloos. En de hoorder gaat zijn eigen gang, d.i. den verkeerden gang.

Wie de wet verklaart, moet dit doen met bezieling. Zóó, dat hij er heelemaal in leeft. Hij moet met alle intensiteit zijner ziel er bij de menschen op aandringen, dat ze den weg des Heeren gaan.

Paulus, die zelf brandde van liefde voor 's Heeren dienst, putte zich uit in motieven om de gemeenten, door hem gesticht, op te wekken, waardig het Evangelie te wandelen.

Hoor hem b.v. in Rom. 1:1: k bid u dan, ]j i' o e cl e r s, door • de o n t f e r 21 i n o-e n G o d s dat gij uwe lichamen stelt, tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande.

Zoo moeten ook wij op zulk een ernstige, lieflijke en teedere wijze bij de menschen aandringen op betrachting van .Gods heihge wet, dat ze door ons vriendelijk vermaan als het ware genoopt worden het te doen.

De tweede opmerking is, dat bezielende prediking van de wet niet voldoende is, maar deze gepaard moet gaan met een bezield leven. Leeringen wekken, voorbeelden trekken.

Het kwade voorbeeld vindt navolging, maar het goede voorbeeld is menigeen ten zegen.

Vooral de prediker moet een voorbeeld zijn en de lieflijkheid van 's Heeren wet niet slechts voorhouden, maar ook voordoen.

Het voorbeeld prikkelt tot navolging. De imitatiedrift is ons ingeschapen. Van de werking der navolgingsdrift mogen wij ook in het geestelijke gebruik maken.

Paulus was ook een voorbeeld voor de gemeente. Hij durft aan de Corinthiërs (1 Oor. 11:1) schrijven: eest mijne navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.

Misschien zullen wij, die voorgangers der gemeente zijn, niet zoo stout durven spreken.

Maar wel is noodig, dat we voorbeelden zijn der kudde, en door een echt Christelijk, d.i. een nauw leven, anderen op den goeden weg trachten te krijgen of te houden.

Men ziet op ons. Men heeft, en terecht, geen respect voor een voorganger, die door zijn daden zegt: doe naar mijne woorden en niet naar mijn werken.

Er kan een gezegende invloed op het Christelijk leven uitgaan van een voorganger, die in Christelijk liefdebetoon en in zelfverloochening een voorbeeld is.

Ten slotte nog een derde opmerking. De bezielde prediking van de wet en het duidelijke voorbeeld zal niet baten, wanneer de H. Geest het hart niet bewerkt.

Daarom moet al dit werk gepaard gaan met gebed, opdat de H. Geest zelf het leven in overeenstemming brenge met de leer.

Dan zullen we ons niet tevreden stellen met een schoone leer ten koste van het leven.

Dan zullen we evenmin allen nadruk laten vallen op het leven en de leer als iets secundairs beschouwen.

Maar dan zullen leer en leven met elkaar in harmonisch verband staan.

T. HOEKSTRA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1928

De Reformatie | 7 Pagina's

LEER ÈN LEVEN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1928

De Reformatie | 7 Pagina's

PDF Bekijken